Wetenschap

IJsschotsen springen

Wetenschap: Het zintuiglijke burengerucht van de synesthesie

Een van de overeenkomsten tussen kunstenaars en exacte wetenschappers is een hoge frequentie van een zeldzame afwijking, synesthesie geheten. Dat is een vorm van zintuiglijke verwarring waarbij onwillekeurige associaties worden gemaakt tussen letters en kleuren, of vormen en smaken, of kleuren en muziek. Toen de Finse componist Jean Sibelius werd gevraagd welke kleur de kachel geschilderd moest worden, antwoordde hij: «F-groot». De kachel werd dus groen.

Ikzelf zie letters, cijfers en woorden in technicolor. Maandag is bruin, de 7 flessengroen en Frankrijk korenblauw. Mijn alfabet is een bonte stoet, met een aantal stevige primaire kleuren: een oranje E, een blauwe K, een rode R. Maar het bevat ook veel gewassen tinten. Als penseelstreken in een aquarel liggen aan het einde van het alfabet de U, V en W naast elkaar in parelgrijs, melkblauw en zeegroen. De grote uitzondering is de A, die bestaat uit een nieuwe kleur, niet van deze wereld. Deze kan het best beschreven worden als tegelijkertijd blauw en rood. De twee kleuren geven elkaar daarbij geen meter toe en liggen met precies dezelfde intensiteit tegen elkaar aan. Op een zwart-witfoto zou mijn A een uniforme grijze tint aannemen. Maar in volle kleuren roept het de illusie op van een popartschilderij of een VVD-verkiezingsposter.

Toen ik laatst bovenstaande ontboezeming schreef in de Academische Boekengids kreeg ik opvallend veel en meestal verbaasde reacties. Er was ook een bemoedigende e-mail van de Nederlandse synesthesievereniging, die mij prees dat ik zo eerlijk over mijn afwijking had durven schrijven — alsof ik zojuist out of the closet was gekomen. Een korte rondgang aan de lunchtafel van mijn onderzoeksgroep leerde dat ik zeker niet alleen was. Het verschijnsel komt dan ook opvallend vaak voor onder natuurkundigen. Zo schrijft de bekende theoretisch fysicus Richard Feynman: «When I see equations, I see the letters in colors — I don’t know why. As I’m talking, I see vague pictures of Bessel functions from Jahnke and Emde’s book, with light-tan j’s, slightly violet-bluish n’s, and dark brown x’s flying around. And I wonder what the hell it must look like to the students.» Het is de precisie van dat lichte violet-blauwige dat de ware synestheet verraadt.

Er wordt de laatste tijd veel meer onderzoek naar synesthesie gedaan. Zo moet in een veld bedrukt met 2-en een paar verdwaalde 5-en gemakkelijker te onderscheiden zijn omdat voor mij hun blauwe kleur zo opvalt in die zee van rood — als een paar korenbloemen in een veld klaprozen. Onderzoekers beweren dat dit zelfs helpt als die cijfers op hun kop staan. Maar helemaal waar kan dat niet zijn: een 9 is een 6 op z’n kop en toch is voor mij de ene reebruin en de andere lichtroze.

Synesthesie ontstaat mogelijk als een onvolledige scheiding van de zintuigen in een vroeg stadium van de ontwikkeling van de hersenen, een soort lekkende tussenschotten. Er is dus geen sprake van een aangeleerde associatie, omdat bijvoorbeeld de juffrouw van de kleuterschool eens en voor altijd de cijfers een kleurtje heeft gegeven. Zoals gebeurt met die arme kleuters in Israël die bij ieder cijfer een kleur en een vorm krijgen aangeleerd, inclusief de 0 die gevisualiseerd moet worden als een «roze kubus zonder omvang». Ik kon dit inzicht laatst proefondervindelijk vaststellen toen ik in de klas van mijn zoontje een knalblauwe 5 zag hangen, terwijl hij me zojuist thuis zonder een moment van aarzeling had geantwoord dat de 5 rood is. (Er is een duidelijke erfelijke component: Vladimir Nabokov zag een roze M, zijn vrouw Vera een blauwe, en de M van hun zoon Dimitri was paars — alsof de genen gemengd waren, merkt Nabokov op.)

Dit zintuiglijke burengerucht van de synesthesie zie je ook in de wetenschap, waar verschillende beelden en vergelijkingen door elkaar heen mogen worden gebruikt. Zo worden elektronen vaak als deeltjes voorgesteld, microscopisch kleine biljartballetjes, die bewegen, botsen en verstrooien. Maar dan is het plotseling afgelopen en ineens is het elektron een golf die zich uitspreidt, tegelijkertijd door twee poortjes gaat of een andere golf uitdooft. Soms werkt het ene beeld beter, soms het andere. Dat hangt maar helemaal af van wat je precies wilt vragen. Belangrijk is dat je weet wanneer je het beeld moet loslaten. Daar herken je direct de crackpots aan, de amateur-geleerden met hun privé-theorieën. Die kunnen absoluut niets loslaten. Als het heelal bestaat uit vliegende schildpadden of draaiende kubussen, dan blijft dat zo tot het bittere einde. Dan gaat de aanhanger als het ware met de metafoor mee over de klip.

Niels Bohr noemde deze blikwisselingen complementariteit en probeerde het tot een complete wereldvisie uit te breiden. Met weinig succes. Hij zette het Yin-Yang-teken op zijn wapenschild, maar uiteindelijk gingen New Age-aanhangers ermee aan de haal. Toch is het vermogen van perspectief te kunnen wisselen zonder de focus op het verschijnsel te verliezen een van de belangrijkste kwaliteiten van een goede wetenschapper.

Zo spring je van beeld naar beeld, alsof je ijsschotsen springend een rivier oversteekt. Even glijd je soepel over het gladde ijs, totdat je de grens bereikt en het donkere water opdoemt. Dan spring je over op de nieuwe schots. Liefst zonder uit te glijden of om te kijken, zoef je verder. Het is de snelste manier om naar de overkant te komen.