Europa, slagveld van herinneringen

IJzeren deuren

Twintig jaar geleden ging het IJzeren Gordijn open. Maar oude wonden helen traag. Europa’s nieuwe lidstaten zien zichzelf liefst als slachtoffers. Annemieke Hendriks reisde voor haar boek IJzeren deuren door Midden-Europa en zag dat een gemeenschappelijke visie op het Europese verleden ver weg is.

DARIA KULAGINA IS een Russin in Letland. Dat is niets bijzonders: ruim een derde van Letlands inwoners behoort tot de Russischtalige minderheid. Wat Kulagina van hen onderscheidt is dat ze niet, zoals de meeste Letse Russen van nu, in Letland is geboren. Zij kwam in 1971 in Moskou ter wereld en ontmoette daar tijdens haar studie in de perestrojkajaren haar toekomstige man, de Let Peteris Vinkelis. Ze werkte als journaliste in Sydney en in Washington DC, waar haar man als diplomaat werkzaam was. Nu leven ze alweer jarenlang in Riga’s badplaats Jurmala met hun vier kinderen, die op drie continenten ter wereld kwamen en die orthodox, protestants en katholiek zijn gedoopt – naar gelang de omstandigheden.
Kulagina beziet het leven in Letland met een frisse buitenstaandersblik. Eind 2007 heeft ze in Jurmala’s lokale museum een cultureel café geopend omdat ze, zoals ze zegt, in Jurmala en zelfs in Riga een echte ontmoetingsplek zonder keihard muzikaal behang node miste. ‘Je hebt hier amper uitgaansgelegenheden waar je sfeervol wordt ontvangen en niet op botte, sovjetachtige wijze wordt weggekeken.’
Het is meestal stil in café Bookmark. In Jurmala wonen of verblijven vooral superrijke en superarme mensen, veelal Russen. De middenklasse ontbreekt. ‘Het soort mensen dat op een poëzieavond wil komen, moet ik uit Riga zien te halen’, constateert Kulagina. ‘Of uit West-Europa en Amerika.’ Ooit wordt Jurmala een trendy toeristenoord, hoopt ze. Dan discussieert men in haar café intens over cultuur en culturen.
Op dat vlak is nog wel wat in te halen, ook dicht bij huis. Een van de weinige stamgasten van Bookmark is een oude Letse kunstenaar. Hij hield haar voor een etnische Letse. Dat ontdekte ze onlangs, toen hij haar doodleuk zei dat hij nóóit met Russen bevriend kon zijn. Het is niet haar stijl, mensen in verlegenheid brengen. ‘Ik begrijp u heel goed’, had ze diplomatiek geantwoord. ‘Ik vind de Russen hier ook heel grof.’
In de Baltische staat zijn de spanningen tussen de etnische Letten en Russen groot. In 1940 werd Letland door Stalin voor vijftig jaar als sovjetrepubliek ingelijfd, met onderbreking van de Duitse bezetting, en dat alles wreekt zich nu. Als kosmopolieten bezien Kulagina en haar man echter vooral ook het eigen volk kritisch. Zoals Kulagina begrip heeft voor de Russenhaat van de etnische Letten, zo komt Peteris Vinkelis voor ‘de Russen’ op. ‘Hun was bij de Letse onafhankelijkheid in 1991 gelijke rechten beloofd’, vertelt hij. ‘Maar ze moesten opeens bewijzen dat ze hier thuishoorden.’
Het leven in de Baltische staat speelt zich goeddeels in twee gescheiden circuits af, een Russisch en een Lets. Amnesty International waarschuwde vorig jaar voor het ontstaan van een tweeklassenmaatschappij, met de Russen als underdogs. Zij moeten hun staatsburgerschap ‘verdienen’ met een test in taal en in Letse geschiedenis. Een paar honderdduizend Russen, Oekraïners en Wit-Russen hebben deze herinburgeringsprocedure niet doorlopen of zijn gezakt. ‘Op amper 2,3 miljoen inwoners is dat veel’, zegt Vinkelis. ‘Zij zijn hun stemrecht kwijtgeraakt. De Letse samenleving heeft de kans tot sámenleven gemist.’

ER LEVEN IN LETLAND twee botsende visies op zijn twintigste-eeuwse geschiedenis. In de heersende, Lets-nationale geschiedschrijving belichamen de Russen het grote kwaad. Ze liepen Letland keer op keer onder de voet en terroriseerden de bevolking. Als Daria Kulagina, die een Russisch paspoort heeft, het Letse staatsburgerschap wil verwerven, moet ze deze officieel goedgekeurde visie op het verleden onderschrijven.
De andere visie leeft onder de etnische Russen van het land. Hun is van generatie op generatie verteld dat de Sovjet-Russen de bevrijders en heropvoeders waren van de in het fascisme verdwaalde Letten. Toen Hitler in 1941 zijn verdrag uit 1939 met Stalin brak, werd de Duitse Wehrmacht door de meeste Letten namelijk als bevrijders binnengehaald. De Sovjet-Russische visie op het verleden was een halve eeuw lang de officieel goedgekeurde.
Uit het Letse voorbeeld blijkt hoe griezelig het is wanneer een staat zijn burgers per decreet de ‘juiste’ duiding van de geschiedenis oplegt. In het brede midden van Europa, op de breukvlakken van Oost en West, wedijveren vele levenslopen met elkaar om het ergste lot. De Duitsers hebben er het fraaie woord ‘Opferkonkurrenz’ voor gevonden.
Wie het Derde Rijk als slachtoffer overleefde, werd nogal eens meeloper of dader onder het communisme, en andersom. Nagenoeg elke familie in Europa’s brede midden heeft wel daders én slachtoffers in de gelederen. Twintig jaar nadat het IJzeren Gordijn open is gegaan, zijn die oude wonden wijd geopend, net als de verborgen archieven en de verzwegen massagraven. Het nieuwe, verenigde Europa borrelt van miljoenen vreselijke verhalen. Daarin zijn goed en kwaad minder eenduidig vast te stellen dan wij in het Westen met elkaar hadden uitgemaakt. Wij zitten niet te wachten op die vaak heftig uitgeschreeuwde ‘Opferkonkurrenz’ vanuit het Oosten. Wij waren nu juist ‘klaar’ met dat twintigste-eeuwse verleden.
‘Er heerst vrede’, sprak de Servische auteur van Hongaarse herkomst László Végel tijdens een cultuurpolitiek debat te Leipzig in 2006. ‘Maar onze herinneringen vormen een slagveld. De strijd tussen de herinneringen wordt in het dagelijks leven verder gestreden. Een deel van die herinneringen wordt officieel bejubeld, een ander deel wederom verdrongen, verboden, verzwegen.’
Végels noodkreet vanuit de Balkan, waar het net weer oorlog was geweest, is dit jaar door menig Europa-deskundige in eigen termen herhaald: het is wezenlijk voor Europa om tot een gemeenschappelijk ervaren geschiedenis te komen. Ik kreeg Végels tekst bij toeval onder ogen, toen ik veelvuldig in Letland, Roemenië en tussenliggende staten onderweg was. Die tekst bleek een treffende samenvatting van de verhalen die ik daar te horen kreeg. Mijn gesprekspartners, die ik zoals het gezin Vinkelis-Kulagina heb uitgekozen op hun ervaringen aan weerskanten van het IJzeren Gordijn, kunnen uitstekend van perspectief tussen Oost en West wisselen. Voor de meeste van hun landgenoten, en voor de meeste andere Europeanen, geldt dat niet.
Ook de Oostenrijker Bernard Sadovnik is zo’n verlichte grensganger. Hij heeft Sloveense wortels en leeft in Zuid-Karinthië aan de grens, waar sinds vele eeuwen een grote gemeenschap Slovenen thuis is. Het IJzeren Gordijn scheidde deze Oostenrijkse Slovenen van de Slovenen in Joegoslavië. Sinds 1990 probeert Sadovnik als voorzitter van een vereniging die samenwerking in de Alpen-Adria-regio stimuleert bruggen over de grens te bouwen. Dat valt niet mee: in zijn Karinthië heerst onder de ‘Duits-nationaal’ voelende meerderheid een diep wantrouwen tegenover de Slovenen, zelfs tegenover die in eigen land, zoals hij.
De Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog zijn in Karinthië levendig aanwezig. Op bijna elk boerenhof van de Karinthische Slovenen moest in de oorlog minstens één van de mannen in de Duitse Wehrmacht dienen, terwijl een ander familielid, ook niet altijd vrijwillig, aan de kant van de Slavische partizanen streed. Deze troepen van Tito leefden in het grensgebergte. De hoven aldaar werden door beide oorlogvoerende partijen geteisterd en er vonden represailles plaats, waaraan de mensen nu vol bitterheid en wrok terugdenken. Over deze gebeurtenissen zijn verscheidene mythen in omloop. In de bergen hebben de nazaten van de partizanen hun monumenten opgericht, terwijl in het dal van Karinthië, waar Jörg Haider tot zijn recente dood de scepter zwaaide, de Duits-nationale, enigszins bruin getinte versie overheerst.
Elke keer wanneer Sadovnik de grens passeert, kan hij boven in de bergen, net voor Oostenrijks laatste Karawankentop, het Permanhof zien liggen. Daar leefde zijn vader, die toentertijd bij de Wehrmacht diende. En daar werd nagenoeg hun hele familie door de SS afgeslacht, verdacht van voedselhulp aan de partizanen. Sadovniks vader heeft door een wonder overleefd: door voor de partizanen te vluchten. Hij was met verlof uit de Wehrmacht op het hof toen ze kwamen. Hij wist te ontkomen, zodat hij er niet was toen even later de SS kwam om zich op deze Karinthisch-Sloveense familie te wreken.
‘Je had de barbarij van de Duitsgezinden en die van de partizanen’, zegt Sadovnik. ‘Vele families hier in de bergen zaten daar tussenin. Ik heb me uit het hele verhaal van het Permanhof vooral die ene uitspraak van mijn vader ingeprent: je moet de tolerantie stimuleren en niet de haat.’ Sadovnik ziet het als zijn taak 65 jaar na dato ‘het leed van de enen en dat van de anderen samen te brengen’, zoals hij zegt. ‘De mensen moeten hun verhalen aan elkaar vertellen, zonder elkaars families direct te veroordelen. Hoe moeten ze anders verder samenleven?’ Maar met deze opvatting staat Sadovnik tamelijk alleen.

EIND MEI VOND in Berlijn, de stad waarin ik leef, het groots opgezette ‘Geschiedenisforum 1989-2009’ plaats. Een van de vele internationale debatten daarin heette ‘Geteilte Erinnerung in einem vereinten Europa’. Ik meld de Duitse titel omdat ‘geteilte’ zowel ‘gedeelde’ als ‘verdeelde’ betekent. Dat was goed gekozen. In dit debat ging het toe volgens het vaste ritueel. De Duitsers op het podium duldden geen concurrentie als ‘de daderstaat van de afgelopen eeuw’. De Duitsers nemen altijd alle schuld van de wereld op zich wanneer het om de oorlog en zijn nasleep gaat.
De Hongaarse en de Pool in het deskundigenforum waren het daar helemaal mee eens. Hun onwil om het eigen land kritisch door te lichten stak tegen de Duitse boetvaardigheid schril en armoedig af. Ze bleven om de hete brij heen draaien toen het hoofdartikel van de zojuist verschenen Spiegel ter sprake kwam. Het Duitse weekblad had onder de kop Hitlers Europese holocaust-helpers nog eens op een rijtje gezet wat in het Westen inmiddels tot de antifascistische consensus behoort: hoe in landen als Polen, Letland en Hongarije, net als in Nederland en Frankrijk, door alle mogelijke gradaties van medewerking aan de nazi’s de uitroeiing van Europa’s joodse bevolking mede mogelijk was gemaakt. In de meest gelezen Poolse media ontbrandde prompt de rituele hetze tegen Duitsland, dat zijn verantwoordelijkheden zou ontlopen. Het Poolse boulevardblad Fakt ging daarin weer eens voorop: het wordt uitgegeven door de Duitse Springer-pers en die weet wat de Polen graag over Duitsers lezen.
Het verwijt is even typerend als misplaatst. Als geen ander land in Europa heeft Duitsland het eigen verleden verwerkt en het doet dat nog steeds, zeker nu de DDR bij dat verleden is gekomen. In het voormalige Oostblok wordt het kwaad van het nationaal-socialisme, net als dat van het communisme, daarentegen veelal afgedaan als iets wat van buiten is gekomen en waar staat noch bevolking, op het handjevol gebruikelijke boosdoeners na, een aandeel in had.
In Hongarije kun je dat ontkennen goed waarnemen. Voor de verlichte Hongaren met deels Duitse wortels is dat een gruwel. De bloedbaden die de fascistische Hongaarse Pijlkruizers in 1940 in de terugveroverde provincie Vojvodina aanrichtten, László Végels Heimat, zo lieten ze weten, ‘kwamen uit de eigen impulsen hier voort en waren dus niet vanuit het Derde Rijk geïmporteerd’. ‘En de pogroms tegen de joden in Hongarije vonden al vóór 1919 en ook nog ná 1945 plaats. Maar daarvan willen de meeste Hongaren vandaag de dag niets weten.’ Hongarije was altijd het slachtoffer, spotten ze: ‘Al het slechte kwam van buiten, nietwaar? Ook het communisme. Maar wat wil je, er heeft hier na 1989 geen zuivering plaatsgevonden.’
Waar het verleden niet is verwerkt, spookt het rond. In het vragenrondje van het Berlijnse geschiedenisforum haalde iemand het Duitse weekblad Die Zeit aan waarin zojuist een genadeloos stuk was verschenen over het heropbloeiende fascisme in Hongarije. De drang naar het mythische ‘Groot-Hongarije’, dat na de Eerste Wereldoorlog verloren was gegaan, was weer salonfähig, evenals de aloude zondebokken. De Hongaarse deelneemster aan het forum wilde er niets van weten: ‘Nu moet ik me zeker gaan verdedigen.’ Waarop ze haar land dus ging verdedigen.
Na de discussie raakte ik met een Berlijnse in gesprek. Zij was kortgeleden in Riga geweest, vertelde ze. Toen ze daar met haar reisgenoot onder het Lets-nationale vrijheidsbeeld stond te babbelen, was ze door een vrouw aangesproken met de vraag of ze Duitse was. De vrouw was er verheugd over de zo lang verguisde taal weer eens te horen. ‘Goed dat jullie terugkomen’, had ze gezegd, ‘want er zijn ook weer aardig wat joden hier.’ ‘Ik ben joods’, had de Berlijnse gerepliceerd. Daarop had de Letse haar in het gezicht gespuwd.

HET IS NIET altijd aangenaam naar de verhalen van burgers rond het IJzeren Gordijn te luisteren. Nog beroerder is het wanneer zulke verhalen van staatswege worden opgedist. De Let Peteris Vinkelis werkte in Riga een paar jaar geleden voor de Soros Foundation. Hij vertelde dat invloedrijke Letse politici, tegen wier doen en laten deze vermaarde organisatie de Civil Society wilde mobiliseren, een haatcampagne met antisemitische ondertonen tegen George Soros opzetten.
Riga’s nationale Museum van de Bezetting van Letland presenteert het lijden van de Letten tot hun onafhankelijkheid in 1991. De Let is een diephumaan wezen, zo leer je daar, dat slachtoffer was van de opeenvolgende dictaturen en de joden heeft geholpen waar hij kon. Ook het Genocidemuseum in de Litouwse hoofdstad Vilnius heeft niet de holocaust, maar het lijden van de Litouwer onder de Russen tot onderwerp.
Nergens is het afslachten van de eigen joodse bevolking zo gretig en wreed ter hand genomen als in de Baltische staten. Voordat de nazi-leiders op de Berlijnse Wannsee-conferentie de organisatie van de Endlösung voor het ‘jodenvraagstuk’ hadden opgesteld, was de klus daar al bijna geklaard. Bijna geen joodse Balt heeft de oorlog overleefd. De voormalige Letse eurocommissaris en minister van Buitenlandse Zaken Sandra Kalniete vertelde me echter in 2006 dat haar land ‘niet medeverantwoordelijk was aan de vernietiging van de joden’: ‘De voorstelling van de Letten als fascisten en antisemieten is in mijn ogen sovjetpropaganda.’
Het wekt weinig verbazing dat er geen bewegwijzering voert naar het sovjetmonument Salaspils, het voormalige Duitse concentratiekamp Kurtenhof, waar onder meer tienduizenden kinderen voor ‘medische doelen’ werden gebruikt. Het ligt verstopt en verwaarloosd achter een beboste Letse landstraat.
In Salaspils worden antifascisten herdacht. De holocaust was onder het communisme een non-thema, zo niet een taboe. In de postcommunistische staten is dat goeddeels nog steeds zo, al heeft de Europese Unie hier en daar een verplicht nummertje herdenken uitgelokt.

DE JONGE POOL Tomek Wosinski woont sinds een paar jaar in het Duitse Wiesbaden. Daar vernam hij tot zijn verbazing dat de Poolse provinciestad Kluczbork, waar hij opgroeide, vele eeuwen lang het Duitse Kreuzburg was geweest. Hij had op het gymnasium geleerd dat Kluczbork pas Duits werd toen de nazi’s het stadje in 1939 bezetten. Ook weet hij inmiddels dat Kluczbork niet de oer-Poolse stad is waarvoor het doorgaat. Al kan hij dat laatste amper geloven, ook omdat een aantal van de Duitse gevels na 1945 een quasi-middeleeuws-Pools tintje heeft gekregen. Pikant is dat Wosinski niet tijdens het communisme op het gymnasium zat, maar erna: in het vrije Polen.
In dit voorbeeld gaat het niet om de verdringing van schuld voor het recente verleden, maar om de doelbewuste vervalsing van de grote Europese geschiedenis. De eigen historische rol neemt daarbij mythische proporties aan, terwijl de positieve rol die andere volkeren in het gebied hebben gespeeld is uitgewist. Dit is geen typisch Pools fenomeen, maar in het gekwelde Polen was de behoefte aan identiteit versterkende mythen extra groot. Ook na 1945, toen de staat door de geallieerde machten doodleuk naar het westen was verschoven, ten koste van het verslagen Duitsland en ten gunste van de Sovjet-Unie. Vele Polen werden vanuit het verloren oosten verkast naar de nieuw verworven Duitse gebieden, waaruit de bevolking nagenoeg was verdreven. De mythe van ‘de terugkeer naar de oorspronkelijk Poolse aarde’ moest dat leed verzachten.
Het is bloed-en-bodem-achtige flauwekul. Maar in het naoorlogse, zo mono-etnisch geworden Polen konden slechts weinigen zich nog voorstellen dat in de Middeleeuwen Duitsers, Polen en anderen vredig samenleefden in het toen zo Boheems geaarde Silezië, waarin Kreuzberg/Kluczbork ligt.
Dat kunnen de meeste Polen zich nog steeds niet voorstellen. Daarvoor zorgen hun politici wel, geholpen door vele journalisten en leraren die hun taak patriottisch opvatten. Polen is een volk van helden en martelaars, en Duitsland is Polens eeuwige vijand, zo leerde Wosinski op school. Polens westerburen zijn nog altijd vermomde roofridders die morgen weer kunnen toeslaan.
Kunnen Duitsers en Polen ooit tot de zo noodzakelijke, gemeenschappelijke duiding van het verleden komen? Daartoe moet de Bondsrepubliek veel tact opbrengen en Polen zijn mythen opgeven, alsmede zijn eigen aandeel erkennen in het leed van de joden, van de Oekraïense minderheid in het land en van de miljoenen verdreven Duitsers. Dat is veel gevraagd en het lijkt nu verder weg dan tien jaar geleden.
Nadat het IJzeren Gordijn was afgebroken, zijn gerespecteerde, waarheidszoekende historici uit de Bondsrepubliek en Polen enthousiast aan de slag gegaan met het ontwerp voor een gezamenlijk schoolboek over de geschiedenis. Maar verleden jaar werd een van die Poolse historici, een man van onbesproken internationale reputatie, in een aantal toonaangevende Poolse media verketterd – ook hier met antisemitische ondertonen. Hij had zijn landgenoten namelijk hun betrokkenheid bij de gewelddadige verdrijving van de Duitsers voorgehouden. Nee, dat had Stalin cum suis op zijn geweten – punt uit! Sinds 1989 is dit de gangbare versie van de gebeurtenissen, vele hiervan afwijkende verhalen van Duitse verdrevenen ten spijt.
Berlijn geeft ondertussen het voorbeeld. De stad demonstreert dat bij een gepast verwerken van de geschiedenis plaats is voor verscheidene, desnoods botsende verhalen. Op 9 mei mag de Russische gemeenschap in de Duitse hoofdstad de overwinning van het Grote Vaderlandse Leger op het Derde Rijk vieren.
De Lets-Russische Daria Kulagina was dit jaar op die datum in Berlijn. Ze was stomverbaasd dat al dat feestvertoon zomaar kon. Hele Russische families picknickten bij het grote sovjetmonument in het Treptower Park en overlaadden het met bloemen. En dat in het verslagen Duitsland! Terwijl de DDR niet meer bestond!
Tegelijkertijd bood het museum Berlijn-Karlshorst, waar de Russische commandostaf zetelde en waar op 8 mei 1945 (9 mei Russische tijd) de capitulatie van het Derde Rijk was getekend, op deze dag ruimte voor dissonanten op die overwinningsroes. In debatten en ook in de vaste tentoonstelling, die inmiddels onder het gezamenlijke commando van het Russische en het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken staat, kwamen vele verschillende verhalen aan bod. De verkrachtende Russische soldaten vormden er één van.

EEN MAATSCHAPPIJ die niet in staat is over meerduidige en twijfelachtige hoofdstukken uit haar geschiedenis te spreken, kan ook niet open met haar veelvoudige, weerbarstige cultuur van vandaag omgaan. Verdoezelende nationale mythen en heldensagen, die veelal op etnische leest zijn geschoeid, lokken discriminatie van en zelfs geweld tegen minderheden van divers pluimage uit. Zulke minderheden duiken dan als ‘wezensvreemd’ in de nieuwe nationale geschiedschrijving op. In Riga trekt de jaarlijkse parade ter ere van het Letse SS-legioen, die plaatsvindt in het schemergebied tussen legaal en illegaal, meer jongeren dan de jaarlijkse homoparade, die eveneens in een half legale zone opereert.
‘Wij moeten tolerantie nog leren’, legde de Letse politica Sandra Kalniete me uit. ‘Het ging er eerst om gewoon weer Let te mogen zijn. Wat een echte Let is, is daarbij nogal restrictief gedefinieerd, zodat velen er niet onder vielen.’ Zoals Letse Russen of homo’s: de voormalige Letse staatspresident verklaarde homoseksualiteit in strijd met ‘de Letse waarden’.
Tomek Wosinski is naar Wiesbaden verhuisd omdat hij het als homoseksueel in Polen niet uithield. Homohaat, zigeunerhaat, antisemitisme, en, als erfenis van het communisme, afkeer van iedereen die ogenschijnlijk afwijkt van de norm, inclusief de bandeloze, vaak atheïstische West-Europeaan: het tiert welig in staten die toch niets liever wilden dan lid worden van de Europese Unie.
Deze intolerantie op één lijn zetten met die van bijvoorbeeld Geert Wilders’ rechtspopulisme, zoals vaak gebeurt, is niet verhelderend. Wilders omarmt geen spoken uit het verleden, hij ziet nieuwe spoken. Wanneer hij de Koran en Mein Kampf op één lijn stelt, beschouwt hij zichzelf juist als antifascist. Daniel Cohn-Bendit, Frans-Duitse europarlementariër pur sang, noemde Jörg Haider een paar jaar geleden ‘een raszuivere democraat’ vergeleken bij de rechtspopulisten in de nieuwe EU-staten. Dat bedoelde de groene politicus provocerend: hij wilde de blik van West-Europa op het voormalige Oostblok richten. Op Haiders electorale succes was indertijd alert gereageerd. Maar wie heeft er nu belangstelling voor Polen, Hongarije of Letland?
De Europese Unie heeft de kans laten liggen om een gemeenschap van waarden te worden. Een paar juridische formuleringen, grondbeginselen die amper worden getoetst: veel meer stelt de controle op bijvoorbeeld de omgang met minderheden niet voor. Dat wijst de praktijk uit. Nederland heeft, zonder dat de regering de burgers hiervan bewust heeft gemaakt, met zijn stem tegen de Europese grondwet aan deze machteloze situatie bijgedragen. De mensenrechten krijgen in het verslapte Verdrag van Lissabon minder rechtskracht dan ze hadden kunnen hebben.
West-Europa beschouwt de nieuwe lidstaten uit het oosten vooral als afzetmarkt – de EEG onder een nieuwe naam. Maar zolang het Europa niet lukt met alle middelen van de voorlichting, de wetenschap en het onderwijs een gemeenschappelijke herinneringscultuur te creëren, zal er steeds opnieuw haat worden gezaaid. Daarvoor waarschuwde László Végel met zijn ‘slagveld van herinneringen’.

Op 29 september wordt Annemieke Hendriks’ boek IJzeren deuren: Zes families tussen Oost- en West-Europa (uitgeverij Contact) gepresenteerd in het Duitsland-Instituut te Amsterdam (DIA); gasten dr. Kathinka Dittrich en prof. dr. Koos van Weringh. Het boek is in maart in Duitsland verschenen onder de titel Unheile Heimat: Eine Reise zu Familien in der Mitte Europas (Edition Körber-Stiftung)