Ijzeren tuinen

Kaalslag en vervuiling typeren de regio Dessau/Bitterfeld in de voormalige DDR. Waar eens Europa’s grootste bruinkoolcentrales stonden, verrijst nu een industrieel monument. Ooit zal er weer zalm zwemmen.

EEN GRAUWBRUINE woestenij, zo ver het oog reikt. In dit maanlandschap rondom Dessau en Bitterfeld heersen Mad Max, Medusa, Gemini en Little Mosquito - de gigantische bagger- en graafmachines van de bruinkooldelving. Ik bevind me in de groeve waar tot 1938 het dorp Golpa lag. Vijftig jaar later vochten DDR-burgers nog vergeefs tegen de dinosauriërs die hele stadjes en dorpen verslonden.
Tagebau Golpa-Nord heet nu Ferropolis, de stad uit ijzer. Mad Max en zijn collega’s waren na de Wende voorbestemd weg te kwijnen op de schroothoop. Ze hebben hun namen te danken aan hun nieuwe rol als ijzeren wachters van de arena in aanbouw. Bij sommige van de manifestaties voor vijfentwintigduizend mensen die in Ferropolis moeten gaan plaatsvinden, is zelfs een hoofdrol voor ze weggelegd. Onder de klanken van wilde rockmuziek zullen ze op de plaats bewegen en lichtsignalen uitbraken.
Ook nu, als work in progress, is Ferropolis al een sensatie. Ik bezie het lege land vanaf een der monsters, veertig meter hoog en zonder staart al zestig meter lang. Het blijkt complete kantoren op zijn verroeste tentakels te torsen. De jonge bouwopzichter Michael Lommertz is meegeklommen. ‘Je ziet hier een postindustrieel cultuurlandschap, een monument van het vooruitgangsoptimisme uit een voorbij tijdperk. Het geld dat was bestemd om de schade onzichtbaar te maken, wenden we aan om het gebied te behouden.’
Hij wijst naar een ironisch getint landschapsexperiment in het Unland beneden, met water en bootjes en plantjes, en naar de mannen die er in de weer zijn met dikke leidingen. 'We werken samen met een vereniging van bruinkoolarbeiders die waren voorbestemd om bij de kachel te gaan zitten. Nu kunnen ze aan hun kinderen laten zien wat ze hier deden.’
Michael Lommertz is eigenlijk architect. Hij brengt hier in praktijk wat hem werd ingefluisterd door de initiatiefnemer van Ferropolis: het Bauhaus in Dessau. De stad uit ijzer is een van de vele projecten die het Bauhaus na de val van de Muur onder leiding van de nieuwe directeur Rolf Kuhn op stapel zette. Kuhn wilde, in de traditie van zijn beroemde voorganger Walter Gropius, de problemen van zijn tijd aanpakken. Gropius ontwierp in de jaren twintig een leefomgeving die hij een passend antwoord vond op het industriële tijdperk. Het Bauhaus in Dessau, waar hij en zijn geestverwanten van 1925 tot 1932 werkten, is er zelf de bekendste exponent van: expressief in zwartwit, eenvoudig in staal, glas en beton, en toegesneden op zijn functies.
Het Bauhaus van na 1989 is weer een echte werkplaats. Nagenoeg het hele gebouw is toegankelijk, de deur naar Gropius’ nog ingerichte kamer staat open. Er wordt aan projecten gewerkt tussen het publiek in de tentoonstellingsruimten, gediscussieerd in de mensa en vergaderd in het inpandige café Klub. Het Bauhaus bruist. Het antwoord dat het heeft gevonden op de immense kaalslag en vervuiling van de deelstaat Saksen-Anhalt, en in het bijzonder de regio Dessau/Bitterfeld, heet 'Industrielles Gartenreich’.
HET RIJK VAN de industrietuinen dat het Bauhaus gestalte probeert te geven en waarvan Ferropolis een voorbeeld vormt, heeft twee historische peilers. De eerste is de nalatenschap van het huis van Oranje. Een kleindochter van Willem de Zwijger trouwde in de zeventiende eeuw met de erfprins van Anhalt-Dessau. Hof Oranienbaum bloeide met een bierbrouwerij, fabrieken en tabaksplantages, benevens dijken en grachten om de sterk meanderende Elbe te beheersen. In de achttiende eeuw legde de vrijdenkende nazaat vorst Leopold(III Friedrich Franz hierop zijn wereldberoemde Gartenreich aan, een rijk van tuinen en landhuizen in Engelse, Franse en zelfs Chinese stijl. De tuinen bestaan nog omdat de Elbe bij Dessau nooit is ge stroomlijnd en omdat de Muur viel voordat het laatste restje grondwater ten bate van de bruinkoolwinning was weggepompt.
De andere peiler van het Bauhaus-project gaat terug op de geniale industrieel Walther Rathenau die de Duitse economie door de Eerste Wereldoorlog had gesleept en in 1922 als minister van Buitenlandse Zaken werd vermoord. In 1893 was hij met een chloorfabriek de grondlegger van de elektrochemische industrie in Bitterfeld, vlak onder Dessau. De aanwezigheid van kali, bruinkool en rivieren zouden het lot van Bitterfeld bepalen.
Al voor 1940 bezat de regio de grootste bruinkoolcentrales van Europa en was de Elbe het riool van de industrie. De elektriciteitscentrale van Vockerode stond midden in het vorstelijke tuinenrijk aan de Elbe en leefde op het bruinkool van Golpa - nu Ferropolis. Hitler had het bruine diamant waarop het dorp rustte hard nodig om de oorlogsindustrie mee op te stoken. De centrale ging met de DDR ten onder en maakt nu deel uit van het project Industrieel Tuinenrijk. Urenlang kun je zwerven door een fascinerend industrieel monument, dat erbij ligt alsof de werknemers plotsklaps moesten vluchten. Ik klim langs de bruinkoolband omhoog naar het dak, daal neer in ketels van vijf etages hoog. Zelfs het zenuwcentrum staat open. Dat oogt zoals men zich rond 1950 de toekomst voorstelde. Een schriftje met aantekeningen van de allerlaatste Schicht ligt paraat.
Dessau heeft de meest fietslustige bevolking van Duitsland. Overal zijn fietspaden in aanbouw, alsof de natuur hier gezond is. De fietsroute naar Bitterfelds voorstadje Wolfen, tien kilometer verderop, is groen: bos, dorpjes, akkers, velden. Industrie is er niet te zien. Bitterfelds groene long, noemden de DDR-burgers de route. Desalniettemin moesten er vele miljoenen aan te pas komen om de bodem en het grondwater hier te saneren. Dat weelderige groen is, begrijp ik, juist te danken aan alle kunstmest en insecticiden die in Bitterfeld werden gefabriceerd en hier in de grond belandden. Het riviertje de Mulde, dat langs het industriegebied stroomt, kreeg ladingen ongefilterd afval te verwerken. Bij Dessau kwam de Mulde in de Elbe en zo belandde jaarlijks ruim een miljoen kilo zwavelzuur, vijftienhonderd kilo kwikzilver en wat al niet meer in Hamburg. De gassen, waaronder jaarlijks twaalf ton chloor, bleven in Bitterfeld hangen. De Elbe is inmiddels tachtig procent van zijn kwik kwijt en men hoopt op de terugkeer van de zalm. Ook de Mulde is al weer aardig schoon.
In Wolfen stap ik van de fiets bij een ingang van het industrieterrein, dat zich vele kilometers uitstrekt. Aan de poort Marx strasse/Oppenheimerstrasse staat het prachtige ronde hoofdgebouw van de Agfa-filmfabriek van rond 1920, toen Europa’s grootste producent van filmmateriaal. Met de overname door IG Farben kon de fabriek zich gaan voorbereiden op de productie van kunststof oorlogsmaterieel. In de DDR ging de fabriek noodgedwongen verder als Orwo, Original Wolfen. Spoedig werd het DeDeRon gevierd als het nylon van de socialistische republiek. De filmfabriek Wolfen wordt een industrieel museumpje - met dank aan het Bauhaus.
De robuuste klok aan de gevel staat stil. Bij de Imbiss aan de overkant van de straat hangen twee mannen achter hun bier. Ze wenken. 'Ja, nu is het wel mooi hier. Het was verschrikkelijk, vraag maar aan de vrouwen. Die stonden de hele dag in wolken cellulose. Langsrijdende treinen moesten de ramen dichtdoen en de lichten aan.’ Ze zijn werkloos. De een reed tien jaar lang met waterstof, een restproduct dat voor de ballonvaart werd gebruikt. De ander zat in het oxaalzuur: 'Soms maakte mijn moeder me wakker, omdat mijn kussensloop helemaal geel was. Mijn maaginhoud, zo uit de fabriek. We werkten zonder bescherming.’ Ze wijzen me op volkstuintjes langs een zijstroompje van de Mulde. 'Hier kweekten we kool en spinazie, met gif uit de cloaca. Dat rook of proefde je allang niet meer.’ Ik fiets het industrieterrein op. Het is doodstil. Van het industriële erfgoed staat niet veel meer overeind.
Vanaf de spoorbrug in Dessau heb je goed zicht op de vervallen Schultheiss-brouwerij, en aan de andere kant op restanten van de suikerfabriek met daarachter een splinternieuwe elektriciteitscentrale. Van de brouwerij, die de mooiste van Duitsland en de grootste van de DDR was, staat een deur open. Op een provisorische bar staan champagneflessen. Ik passeer een voornaam gezelschap dat zich door puin en drab laat rondleiden.
’s Avonds tref ik de rondleider in café Klub van het Bauhaus. Thomas Busch is oprichter van een vereniging die de brouwerij bezit. 'Ik was daar met de burgemeester van Dessau, enkele wethouders en ministers van Saksen-Anhalt om ze te overtuigen de brouwerij te redden. De recente geschiedenis van het bedrijf is helaas typerend voor de omgang met de DDR-industrie. Het werd verkocht aan een brouwerij in München en deze legde het Dessause bezit na twee jaar stil. Zo, de concurrentie was uitgeschakeld.’ Busch wil een daad stellen. 'Ik kwam uit West-Duitsland naar Dessau om stoelen te ontwerpen. Maar ik ontdekte dat een nieuwe stoel geen ant woord is op de vragen van deze tijd. De brouwerij moet een symbool voor de stad worden. Ik hoop dat de Dessause bevolking via het door henzelf opgeknapte erfgoed gevoel voor de stad ontwikkelt. Dat ontbreekt nog geheel. Van Dessau is in de oorlog vierentachtig procent verwoest. De Junker-vliegtuigfabrieken zaten hier.’
HET BAUHAUS-PROJECT Industrielles Gartenreich, waarvan de brouwerij deel uitmaakte, dreigt echter ten onder te gaan aan zijn eigen succes. De Expo(2000 in Hannover heeft het project namelijk binnengehaald als het paradepaardje van 'Expo-correspondentieregio’ Saksen-Anhalt. Dat genereert de noodzakelijke gelden voor de industriële monumenten. Maar die had het Bauhaus helemaal niet bedoeld als musea voor Expo-bezoekers uit Los Angeles. Bauhaus-directeur Kuhn is verleden jaar opgestapt, na vele aanvaringen met de politiek en de Expo. Zijn geesteskind ligt in handen van zijn opvolger Omar Akbar, een bureaucraat die door de deelstaat in het Bauhaus is geparachuteerd. Thomas Busch is sceptisch. 'Akbar wil geen projecten, hij wil gebouwen. Stilstaand beeld in plaats van beweging. En vooral geen gedoe met de bevolking. Het Industriële Tuinenrijk dreigt steriel te worden. Toen ik dat zag heb ik de brouwerij uit het project gehaald. Nu moet ik de burgemeester van Dessau overtuigen er geld in te steken. Maar die hoopt nog steeds op een nieuwe investeerder in Dessaus bier. IJdele hoop - het industrietijdperk is hier ten einde. Maar de arbeiders geloven zijn illusies.’
De volgende dag krijg ik een voorproefje van het Expo-project Transparante Chemie - een ander Bauhaus-idee. Coördinator Jutta Beyer rijdt me rond langs de milieuzonden van de DDR, terwijl ze me ervan probeert te overtuigen hoe schoon en hoe interessant dit gebied is geworden voor nieuwe industrie. Ze wordt daarvoor betaald door het bedrijfsleven en opereert vanuit een onooglijk kantoortje in het Chemie-Park Wolfen/Bitterfeld, de nieuwe naam van het vervallen industrieterrein waar ik een dag eerder doorheen fietste. We gaan de verboden stad in, zegt Frau Beyer. Ik krijg een papieren maskertje om me een chemiearbeider te voelen.
Ze laat me synthetische edelstenen zien, gifkleurige pronkstukken van de DDR. We rijden langs de ene chloorfabriek die nog werkt en langs Akzo-Nobel, een van de weinige nieuwe bedrijven op het terrein. Ze vertelt over haar geschiedenis als lerares scheikunde, verbonden aan de Bitterfeldse chemie. Verhalen over lekkende pijpen waaruit het verstikkende chloorgas stroomde, waarop iedereen een medicament kreeg: een slok Schnaps. Verhalen over explosies, een met vijftig doden, waaronder een aantal van haar leerlingen.
We rijden over de Strasse der Opfer des Faschismus langs een bruinkoolgroeve, die wordt omgetoverd tot recreatieplas. Deze Bernsteinsee dankt zijn naam aan de enorme hoeveelheden barnsteen die er tussen de bruinkool vandaan werd gehaald.
Bitterfeld had al voor de laatste oorlog de naam van gore industriestad. Het chloor was in de vorm van gifgas ingezet in de Eerste Wereldoorlog. Na de Tweede werd Bitterfeld met omgeving de chemische keuken van de DDR. Het voorzag tachtig procent van de industrie van synthetische halffabrikaten. Maar ze kregen geen mark retour om de schade aan mens en milieu te beperken. Integendeel, de leeggegraven bruinkoolgroeven werden brutaalweg in beslag genomen als gifdumpplaatsen.
DE SILBERSEE is zo'n groeve. Het meer dankt zijn naam aan het afval van de filmfabriek. Nu zijn zilvergloed en stank verdwenen, maar het meer blijft met hekwerk afgezet. Tegen de giftige dampen is er een laag water overheen gelegd, en bacteriënvelden ernaast. Is dat wel genoeg? 'Het blijft een Dreckloch’, laat Jutta Beyer zich ontglippen. Deskundigen schatten dat er één tot twee miljard mark nodig is om het gifmoeras te saneren. Sinds Jane Fonda na de Wende op televisie bittere tranen weende bij de Silbersee, staat Bitterfeld alom bekend als de meest vervuilde stad van Europa. 'Seh'n wir uns nicht auf diese Welt, dann seh'n wir uns wieder in Bitterfeld.’ Dat rijmden de lijkbleke Bitterfelders die ik tien jaar geleden in Berlijn ontmoette. Hun stad was het inferno, maar ze hadden er gehoorzaam gewerkt en gewoond.
Waar het echt stinkt, is midden in het natuurgebied. Het is de grote nieuwe aspirinefabriek van Bayer. Omdat deze regio van twintig bij twintig kilometer behoort tot de vijftig armste van de Europese Unie en omdat het geloof in de industrie nog bestaat, heeft de deelstaat kapitalen aan Bayer betaald om zich hier te vestigen, hopend op de zuigkracht. Bayer stond erop op ongerepte bodem te bouwen, maar wilde die voor de zekerheid nog eens extra gesaneerd hebben. In ruil voor de natuur levert Bayer zeshonderd arbeidsplaatsen.
Er is ook industrieel erfgoed van een ander kaliber. Bovenop een hal van de Gärungschemie Dessau, de suikerfabriek aan het spoor, stond in de oorlog een kleine barak. Hier maakte IG Farben-dochter Degesch, Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung (Schädling is ongedierte), blauwzuur uit suikermelasse. Een deel ging naar de Wehrmacht ter bestrijding van luizen. Een ander deel ging in soepblikken als het vernietigingsgas Zyklon(B naar Auschwitz. In een DDR-brochure uit 1971 over honderd jaar chemie in Dessau staat één bijzin over Zyklon(B. Na de val van de Muur kwam er een moment dat je ruimte in je hoofd ging creëren voor het verleden, zegt Dessauer Hans Hunger. Zijn confrontatie met rechts extremisme gaf een extra duwtje. Met enkele stadgenoten richtte hij de Zyklon(B-groep op om uit te zoeken wat er precies in de suikerfabriek was gebeurd en wie ervan wisten. Hij was zelf een bewust SED-lid geweest, wakend over de politieke lijn in de bedrijven. Pas onlangs ontdekte hij dat ook in de DDR voormalige nazi’s in hun oude positie bleven. Hij kwam hun namen tegen in vergaderstukken van de Degesch. Althans, die van vóór 1938; die van 1938 tot 1945 mag hij niet zien. En niemand van toen wil praten.