Televisie

IJzeren wil

Televisie: Jan Wolff

De donderdagse De wereld draait door werd afgelopen vrijdag mid dag niet herhaald. Zonder toelichting startte een aflevering van Kinderen voor kinderen waaraan je je inderdaad nooit een buil kunt vallen. Vond de Vara het te gortig om de uitzending die, uit protest tegen de nieuwe omroepplannen, slechts beelden van studio en publiek bevatte integraal te herhalen? Of waren hogere netmachten in het spel? Zelf was ik er die avond in gevallen, had even gedacht dat Matthijs van Nieuwkerk onwel was geworden, maar begreep door kalme camerabewegingen en gedisciplineerd publiek dat iets anders aan de hand was. En dacht terug aan de jaren zeventig, toen een toneelgezelschap in ik meen Parijs het podium weliswaar betrad maar daar stokstijf en zonder woord bleef staan. Volgens verslagen had dat uiteindelijk geleid tot vechtpartijen tussen het publiek en machtig mooie debatten over de oorlog in Vietnam. Dat was een specimen van experimenteel to-neel, verre familie van Publikumsbeschimpfung, waarover je ach teraf de schouders op kunt halen, maar dat ook zo onge loo flijk veel schitterends heeft voortgebracht, mondiaal, waarvan we dankzij Ritsaert ten Cate het meeste zelfs hier konden zien – in Loenersloot of all places, en later aan de Rozengracht.

Zo zie je weer hoe het door breken van routine de geest kan openen: tijdens en door Van Nieuwkerks zwijgen belandde ik in de gouden tijd van Mickery, bij La Mama, Bread and Puppet, Pip Simmons, Tenjo Sajiki. En van daar bij Jan Wolff, die net als Ritsaert tot de Uitzonderlijken behoort – die niet alleen iets bedenken maar dat tegen alles in ook verwezenlijken, daarmee zowel de Cultuur als de cultuur en dus ons leven verrijkend. De IJsbreker-man hadden we net van dichterbij leren kennen dankzij De droom van Jan Wolff, documentaire van Barbara Makkinga in het onvolprezen Uur van de wolf. Mooie documentaire – door de kunde van de jonge fil mer; door de geportretteerde met zijn granieten wil; door de aanstekelijke manier waarop hij zijn muziekliefde verwoordt; door de manier waarop hij zijn dochtertje in de orkestbak van Tuschinski over opa en zijn eigen jeugd vertelt; door die in het Muziekgebouw aan het IJ materie geworden droom. We zagen de informele en de formele opening ervan, geestig en ontroerend, en we zagen en hoorden dat schitterende bouwwerk met zijn grandioze akoestiek.

We vingen ook een glimp op van de schaduwzijden van een drammerig karakter. En er was die, de documentaire verrijkende maar ellendige tegenstem van het ge vecht tegen de kanker, die Wolffs emoties bij de openingsklanken van Louis Andriessen extra betekenis gaf. Toen doorbrak Van Nieuwkerk mijn gemijmer. Malle actie vond ik: protesteer door uit te leggen hoe het volgens jou dan precies zit. Vreemd dat het eigen, niet onaardige maar ook niet echt bijzondere programma tot voorbeeld van kwaliteitstelevisie werd ge maakt; vreemd dat Van Nieuwkerk meedeed «uit solidariteit met de redactie», alsof hij daar boven verheven is. Maar opzienbarend dat 240.000 van de normale 400.000 net als ik naar niks zijn blijven kijken. Zullen zij wel al die tijd aan het lot van de publieke omroep ge dacht hebben?