KUNST

IJzersterk gebouw

Stedelijk Museum

Vorige week ging de gerenoveerde oudbouw van het Stedelijk Museum in Amsterdam open en konden kunstliefhebbers zich eindelijk op de hoogte stellen van de verrichtingen van Benthem Crouwel Architecten.
Klonk er algemeen lof voor de smaakvol uitgevoerde verbouwing - de negentiende-eeuwse binnenarchitectuur werd in ere hersteld en ontdaan van alle ‘aankoeksels’, de herinnering aan Sandberg levend gehouden door hal en muren wit te sausen - minder enthousiast waren de reacties op Ann Goldsteins eerste grote tentoonstelling.
Taking Place werd ontvangen als een wat intellectualistische onderneming die de bezoeker terugvoerde naar het strenge verleden van de conceptkunst van de jaren zestig, zeventig en tachtig. Waar was de rush van het nieuwe en onverwachte, de energie van bijvoorbeeld een honderdtal hedendaagse Amsterdamse en internationale kunstenaars die de heropening van A.W. Weissmans gebouw spectaculair kracht hadden kunnen bijzetten? Wat was de meerwaarde van het opnieuw door Ger van Elk in de hoogglimmende was laten zetten van een stukje museumvloer (Well Polished Floor)? Wilden wij van alle door het museum verzamelde kunst écht de documentatie zien van Jan Dibbets’ Op losse schroeven-actie waarin hij de hoeken van het museumgebouw liet uitgraven? En het besluit om zes zalen leeg te laten, om de bezoeker kennis te laten maken met de 'heldere, evenwichtig geproportioneerde architectuur van de museumzalen’ - was dat niet, op z'n zachtst gezegd, wat vreemd als je na twee jaar afwezigheid in de stad eindelijk de gelegenheid had om eens lekker uit te pakken? Taking Place had te weinig bite, bood te weinig kick om de bezoeker het gevoel te geven dat hij over de drempel van nieuwe tijden stapte, leek het.
Kijken we conceptueel imaginair in het stormvast gekapte hoofd van de nieuwe directeur, dan ontdekken we waarschijnlijk een doorwrocht kunsttheoretisch Kennisarchief, een nog niet prijsgegeven Plan voor de Toekomst en liefde voor het museum als Instituut.
Want ondanks haar uitgeloogde, knisperdroge aanpak van de kunst - ernstig doordacht en precies gepresenteerd - slaagt Goldstein er wel in de interesse voor het museum aan te wakkeren: als bewaarplaats van topstukken en barometer van hedendaagse ontwikkelingen, als plek die zich zowel over de kunstgeschiedenis als het eigen verleden buigt (zie de rond de trap gehangen fraaie collectie Stedelijk-affiches) en als gebouw waarin stadsbewoners, kunstliefhebbers en de archetypische verdwaalde toerist of flaneur de geest kunnen laten waaien. De sfeer is open, de aankleding prettig, het parket veerkrachtig, de cappuccino rechtvaardig op schuim gebracht - niets hoeft de door Sandberg zo gepropageerde directe omgang met de kunst in de weg te staan, leert een eerste rondgang. Een ijzersterk gebouw blijft het, Weissmans in 1895 in neo-Hollandse renaissancestijl gebouwde museum. Nu nog kunst erin met een hart en een ziel (Ach! De heerlijke netvlies-afterglow van een roze-vingerige De Kooning! De eerlijke geur van een fris gebeitste Breitner! De tastbare eenvoud van Mario Merz’ puur natuur wilgentakken!), de aankoopbudgetten vervijftigvoudigen en het Stedelijk kan er weer tegenaan.