Kees van Beijnum, Het verboden pad

IJzersterke moeilijke jongeren

Kees van Beijnum

Het verboden pad

De Bezige Bij, 451 blz., € 19,90

Wie vertelt een roman? Bij een geslaagd boek vergeet je dit, het lijkt er niet meer toe te doen, ademloos volg je de gebeurtenissen en het maakt op het eerste gezicht niks uit door welke ogen je alles krijgt voorgeschoteld. Maar dan gaat er iets aan je knagen. En je begint je, als het tenminste goed is, al lezende af te vragen wie het verhaal eigenlijk vertelt en wat de stijl en toonhoogte van de vertelling en de visie op het vertelde te maken hebben met die verteller. En plotseling begin je te beseffen dat het hele verhaal misschien meer zegt over degene die het vertelt dan over de gebeurtenissen erin.

In Kees van Beijnums nieuwe, ambitieuze en zeer geslaagde roman Het verboden pad vertelt een ikfiguur het verhaal. Het boek is het verslag van zijn belevenissen als net afgestudeerde sociale hulpverlener in een tehuis voor moeilijk opvoedbare jongeren van zestien of iets ouder. Deze Philip Soek brengt de gebeurtenissen steeds in verband met zijn eigen achtergrond. Hij heeft een rijke vader, met wie hij ondanks diens al te vlotte gedrag goed kan opschieten. Zijn moeder woont in Amerika en hij heeft een broertje dat bij zijn moeder woont. Deze achtergrond is er niet met de haren bijgesleept, maar kleurt het hele verhaal, ook de toonzetting ervan. De held krijgt steeds sterker het idee dat zijn hulpverlenende collega’s hem verwijten dat hij rijke ouders heeft en hem daarom buitensluiten. Steeds voelt hij zich terechtgewezen. Ze treiteren hem met zijn rijkeluisgedrag en vooral in het begin krijgt hij geen vat op de aan hem toegewezen jongeren.

Van Beijnum creëert in zijn boek een mooie paranoïde sfeer: je weet op het laatst steeds minder zeker of de held spoken ziet of dat hij inderdaad doelbewust buiten de dagelijkse praktijk van de hulpverlening wordt gehouden. De schrijver weet deze troebele sfeer nog te versterken door uitvoerige schetsen van het reilen en zeilen in opvanghuizen voor «moeilijke jeugd» waar men de jongeren met behulp van allerlei ingenieuze beloningssystemen in toom probeert te houden. En waar men het niet nakomen van afspraken bestraft met de intrekking van privileges. Waar afwijkingen van de dagelijkse rituelen eerder regel dan uitzondering zijn en waar men er vooral op uit is, uiteraard in het belang van de jongeren, conflicten zo lang mogelijk te laten voortsudderen. Steeds meer bekroop me het gevoel dat Van Beijnums schets van de gang van zaken in dit tehuis een akelig nauwkeurige en doelbewuste metafoor is van de algemene maatschappelijke verhoudingen waarbinnen we elkaar met beloningen en rituelen in toom proberen te houden. Een tehuis voor moeilijk opvoedbare jongeren als model van de wereld! Hier ging het hem om.

Wanneer een stuk of acht van die jongeren samen met de ik en nog een stel hulpverleners op vakantie naar een camping in Bretagne gaan, weet je dat de zaken uit de hand gaan lopen. En onafwendbaar zie je het ook gebeuren: de hulpverlening faalt aan alle kanten, er gebeuren ongelukken en men probeert de verantwoordelijkheden verwoed op elkaar af te schuiven. Van Beijnum zet tussen neus en lippen een paar ijzersterke «moeilijke jongeren» neer. Bij hem geen gepsychologiseer en oeverloze karakterschetsen, maar trefzekere scènes waarin de jongens en meisjes en hun wanhoop pijnlijk onsentimenteel zijn weergegeven. Hij krijgt dit voor elkaar door aan zijn getroebleerde ikfiguur in het hele boek een koele, bijna afstandelijke toon toe te schrijven. We zien de wereld en de jongeren door zijn ogen, we zijn van zijn blik afhankelijk en langzamerhand beseffen we dat die blik er eentje is die meer te maken heeft met de achtergrond van de ik dan met de waarheid over de wereld van de hulpverlening. Van Beijnum geeft zijn held een koele, bijna emotieloze visie mee, die botst met de emotionele wereld van de jongeren en die zich uit in voortdurende rationalisaties over zijn gedrag. Dat levert zinnen op als: «De plaats van de kinderen met wie ik hier in Bretagne was zou ingenomen worden door andere kinderen met andere rapporten over hún temperamenten en hún persoonlijke geschiedenissen. Mijn toekomst dacht ik: een eindeloze rij kinderen met ieder van hen een dossiermap onder de arm geklemd.» De held is emotioneel niet in staat deel te nemen aan de wereld, hij kan zich niet bevrijden van zijn eigen getroebleerde achtergrond.

Van Beijnum is er op uit steeds nieuwe schrijfpaden te betreden, hij valt niet terug in een herhaling van eerdere succesboeken. Hij vertelt in deze roman niet alleen een schrijnend en overtuigend verhaal, maar laat zien dat hij ook in staat is een voor hem nieuwe schrijftoon te hanteren die zeer overtuigt en die sterk afwijkt van sfeer en stijl van zijn vorige werk. Dit boek is het bewijs van een schrijverschap dat zich meer en meer verdiept.