Arthur Schnitzler, Verhalen

Ik

Arthur Schnitzler VerhalenUit het Duits vertaald door Elly SchippersAtlas, 382 blz., e 29,90

Voor de Schnitzler-liefhebber is deze keuze van verhalen en novellen gesneden koek: Juffrouw Else, Casanova’s thuisreis, Luitenant Gustl en natuurlijk Droomnovelle. De laatste titel moet lezers van filmrecensies bekend voorkomen: Stanley Kubrick ontleende er de plot voor Eyes Wide Shut aan, meer ook niet. Omdat Schnitzler (1862-1931) in 1900 Freuds droomboek gelezen schijnt te hebben, wordt hij daar altijd mee geassocieerd. Luitenant Gustl diende onlangs in een boek van Hillenaar en Schönau nog als object voor een psychoanalytische tekstinterpretatie. Ook de monologue intérieur, die hij consequent toepast – ver vóór Joyce, die dan ook liever een tweederangs schrijver als voorloper noemde, van wie hij niets te duchten had – dient vooral als explicatie: Else, een meisje dat in het luxe hotel waar zij logeert een oude familiekennis om geld moet vragen voor haar failliete vader, spreekt voortdurend in, over en meer nog tegen zichzelf, en dat is nogal eens dubbelop. In Luitenant Gustl is het wat ingewikkelder: de man zit per ongeluk in een concert, komt tijdens de pauze in aanvaring met een sterke bakker die dreigt zijn sabel aan stukken te breken (voer voor de psychoanalyse), maar te min is voor een duel. Inwendig wordt de man van stavast verscheurd door eergevoel, schijterigheid en berekening. Opmerkelijk is dat de binnenstem in net zulke zinnen spreekt als de gewone stem. Eer, duels, geldgebrek, gokken, lenen – het bezorgde Schnitzler een faam als portrettist van de Weense decadentie. Het zal wel, portretten zijn het inderdaad, van mensen die koste wat het kost de schone schijn ophouden, of zoals de schrijver het zelf in een «Treppenwitz» formuleert: «En pas op de trap drong weer tot hem door dat al die orde, al die regelmaat, al die zekerheid in zijn leven slechts schijn en leugens waren» (Droomnovelle). En wat denkt de vrouw die met haar jonge minnaar is gaan rijden, die bij een ongeluk met de fiaker de dood vindt? Dat laat zich raden: zij is geschrokken maar ook opgelucht, en vlucht. Nee, dan zit de komische novelle over de nadagen van de vrouwenheld, Casanova’s thuisreis, ingewikkelder in elkaar. Verrassend is het nagelaten verhaaltje Ik, bijna Pirandello: een man wil op alles een papiertje prikken met de naam van wat het is («park», «schoonmoeder»). Als de dokter komt treft deze de zieke aan met een briefje op zijn borst: «ik».