‘Ik’

Schrijver en columnist Henk van Straten werkt in zijn stukken vaak niet naar een moreel lesje toe. Dat maakt hem stiekem een van de beste columnisten van Nederland.

Ik ben Facebook-vrienden met Henk van Straten. Ik heb hem ook wel eens in het echt ontmoet, maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat hij elke dag op Facebook een klein stukje schrijft, een column, of eigenlijk een mini-column. Waarschijnlijk nog geen driehonderd woorden. Iets over zijn scheiding, zijn huis, zijn werk, zijn leguaan. Hij gaat wel eens naar de film, hij drinkt wel eens te veel, hij brengt zijn kinderen naar school. Hij woont dan weliswaar in Eindhoven, maar verder is het terrein waarop hij zich als columnist bevindt nagenoeg hetzelfde als waarop alle Sylvia Wittemannen, Eva Hoeken en Aaf Brandt Corstii van deze maatschappij ook huishouden, maar zo voelt het nooit aan.

Waarom niet?

Het heeft met zijn ‘ik’ te maken. Ik herinner me een column waarin Van Straten (1980) op zijn fiets bij het stoplicht staat en een jongen op een scooter naast hem staat te wachten. Hij haat die jongen. Zijn scooter, zijn houding, de manier waarop hij gas geeft. Elke andere columnist zou dan, denk ik, in de laatste alinea het perspectief vergoelijkend omdraaien, en laten zien dat die jongen op de scooter ook maar een mens is en de columnist niet mag oordelen. Maar niet Van Straten. De haat blijft overeind.

Het is ingewikkeld om op deze plek iets over het essayboek Genoeg nu over mij van Marja Pruis te zeggen (Nijgh & Van Ditmar, 277 blz., € 21,99), aangezien ze hier door het redactiepand loopt, maar toch: in haar essay ‘Ik moet je verdienen’ schrijft ze dat elke beetje ervaren lezer moet weten dat een ‘ik’ nooit een op een samenvalt met de auteur, maar dat het een gecreëerd persona is. ‘Het verhaal schrijft zich immers nooit zelf. Misschien is het “ik” in non-fictie wel een leugenachtiger ik, vanwege de suggestie dat het schrijvende en het echte ik samenvallen.’

Het is om dezelfde reden net zo complex iets over Jan Postma’s essaybundel Vroege werken te zeggen (Das Mag, € 19,95), zeker omdat hij weer Pruis’ essay citeert (waar ik hem nu weer citeer; op een dag zal een andere Groene-auteur mij weer citeren tot er een Droste-effect ad infinitum ontstaat). Hij schrijft dat het ‘ik’ geen doel is maar een middel – Jan kennende ongetwijfeld geïnspireerd door Mark Rutte’s soortgelijke opmerking over de vvd: ‘Iets dat binnen de context van het essay kan worden gebruikt om de werkelijkheid te wegen: een idiosyncratisch instrument – even gevoelig als feilbare meetapparatuur.’

Connie Palmen zei het dit weekend in de Volkskrant nog directer. Haar autobiografische ‘ik’ was ‘Niet een gespeeld karakter, wel een beteugeld karakter. Een beheerd merk; een beheerd imago.’ Het was iets wat we allemaal doen, schrijver of niet: ‘We maken van onszelf een karakter, we leven als personages in een verhaal.’

Het punt is dus natuurlijk dat iedere lezer die de boter op zijn brood waard is, weet dat de ‘ik’ die hij op de bladzijde tegenkomt een constructie is. De ‘ik’ is medium, een perspectief, waardoor een verhaal kan worden verteld. Daar staat tegenover dat elke schrijver die zijn vak verstaat, aanvoelt dat het essayistische of columnistische ‘ik’ een personage is dat hij niet als zodanig soldaat mag maken: als hij van ‘ik’ te zeer een personage maakt met een mooi afgerond verhaaltje, dan verraadt hij te nadrukkelijk het artificiële van zijn onderneming. De schrijver moet de verleiding weerstaan de schrijver uit te hangen wil zijn ‘ik’ echt blijven.

Dat zie je bijvoorbeeld in Omtrent liefde en dood van Erwin Mortier, een elegie aan het adres van zijn overleden innige vrienden Jef Geeraerts en diens echtgenote Eleonore Vigenon. Het boekje (104 blz.) is een eerbetoon, een manier van afscheid nemen. Dat moet je Mortier gunnen. Maar juist doordat hij er zo’n literaire exercitie van maakt gebeurt er bij mij als lezer iets raars: ‘Door hun dood is de sterfelijkheid onder de rokken van mijn taal gekropen en tot in mijn botten doorgedrongen. Hij huist in mijn beenmerg, in alle lagen en windingen van dit stompzinnige lichaam, waarin de geest die deze zin neerschrijft de illusie koestert op zichzelf te staan maar niet meer is dan een voetnoot.’ Mortier heeft zo’n behoefte van het echte verdriet grote literatuur te maken, dat zijn literatuur dat verdriet doet wegvallen. De krullen aan de zinnen doen het echte onecht aanvoelen: ‘En nu is het alsof ik hen beiden in een gondel naar de overkant vaar, het laatste wat er nog moet gebeuren. Misschien is de pen in mijn handen de peddel die ik in de zachte bedding van de Styx dompel, de rivier van de vergetelheid, en is dit korte boekje de gondel.’ Je krijgt ongewild het gevoel alsof Omtrent de dood op de eerste plaats om zijn eigen schrijverschap gaat, daarna pas om zijn overleden vrienden.

‘Maar kom op, wie geloof je: de schrijver of zijn personages?’

Dit weerstaan is wat Henk van Straten stiekem een van de beste columnisten van Nederland maakt – dat hij de verleiding weerstaat van alles een cute verhaaltje te maken, met een clue en een punchline. Juist omdat hij – zie de scooterrijder – niet naar een moreel lesje toewerkt, geloof je zijn ik meer, blijft zijn anekdote echt. Hoe gestileerd dat ik en dat echte ook is.

(Je zou nu kunnen zeggen dat een oplettende hoofdredacteur hem allang de plaats van een Aaf had moeten geven, maar je kunt je ook afvragen of zijn columns nog steeds zo goed zouden zijn als ze elke ochtend in de krant zouden staan. Misschien niet. Misschien geeft het feit dat je ze zomaar tegenkomt op Facebook, op elk willekeurig onverwacht moment van de dag, en soms ook een paar dagen niet, je het gevoel dat ze toevalliger zijn, en daardoor echter.)

Met dit in gedachten begint en eindigt Van Stratens nieuwe boek met een valse noot. Zijn memoires Wij zeggen hier niet halfbroer begint met de anekdote dat een van zijn broers ooit een Playmobil-poppetje in zijn anus stopte, waaraan de andere broers moesten ruiken (verwacht bij Van Straten geen memoires over hoe literatuur zijn leven heeft gered, het gaat eerder om blowen, gebroken gezinnen en lelijke tatoeages). Het boek eindigt weer met deze anekdote, in de verantwoording. Het Playmobil-poppetje was ter sprake gekomen en zijn broers ontkenden stellig dat zij het waren geweest. ‘Het kon dus maar één iemand geweest zijn. Er viel een stilte. Ze keken naar mij. Maar kom op, wie geloof je: de schrijver of zijn personages?’

Het is een valse noot (gelukkig de enige) omdat hij voor de lezer opeens de straatwijze schrijver uithangt, terwijl de grootste verdienste van Wij zeggen hier niet halfbroer juist is dat het verder nergens aanvoelt alsof hij van zijn jeugd een mooi afgerond verhaal heeft willen maken.

Small 2 d d ik ego def

Dit is het verhaal: Van Stratens moeder kreeg drie zoons met een man in Eersel, iets ten zuiden van Eindhoven, verliet hem en kreeg vervolgens een vierde zoon – Henk – met haar nieuwe liefde in Delfshaven, Rotterdam. De drie broers, aangeduid als B1, B2 en B3, konden in de piepkleine flat in Rotterdam niet aarden, misten hun vader – en hun vader miste hen. Zijn moeder gunde haar zoons hun echte vader en zo ontstond de onwerkbare situatie dat de moeder door de week bij haar ex was, op een aparte slaapkamer, en dan in het weekend met baby Henk terugging naar Rotterdam. Zijn moeder vertrok uiteindelijk ook, waardoor Van Straten achterbleef bij zijn halfbroers. Een leven vol breuklijnen dus, die elke keer opnieuw overkomen moesten worden. Het is niet Ciske de Rat, maar de jeugd en puberteit ontwikkelen zich typisch van spijbelen, naar gabberfeestjes, naar drugs, naar niet zozeer foute vrienden maar wel kansloze vrienden. ‘Het samenzijn met die jongens’, schrijft Van Straten, ‘kostte me moeite en energie. Ik was tegen mijn zin bij hen. Ik wist alleen niet wat mijn zin wás.’

Het boek bestaat uit korte anekdotes, observaties, vage herinneringen aan zijn drie halfbroers, zijn stille stiefvader, zijn sombere moeder. Ze zijn zelden langer dan twee of drie alinea’s, ze volgen elkaar niet op een logische manier op. Het boek voelt aan – en dat is bedoeld als compliment – alsof het helemaal niet geschreven is, alsof er geen enkele constructie voor is opgezet. Dat doet het zo echt aanvoelen. Wat het paradoxaal nog eens echter doet aanvoelen is dat Van Straten soms ook nadrukkelijk wijst op die methode: ‘Mijn moeder. Ze was heus niet aan één stuk door neerslachtig. Ik kan alleen maar opschrijven wat is blijven hangen, wat ik meemaakte en voelde. Dat was toen al niet objectief, laat staan dat het dat nu is.’

Dat is wat dit boek uitstraalt; zo was het, zelfs als ik het me verkeerd herinner. Dat is wat Van Stratens ‘ik’ echt maakt.