Ik als denker

Een uur lang heb ik gisteren mijn ideeen genoteerd om uit te rekenen hoeveel ik waard ben als intellectueel. De eerste vijf minuten observeerde ik de vlucht der zwaluwen en vroeg mij af waar ze de kracht en motivatie vandaan halen om onvermoeibaar heen en weer te klepperen. Volgens mijn ruwe berekening weegt de energie waarmee zij hun vliegen vangen niet op tegen het aantal calorieen dat zij daarmee naar binnen krijgen. Het was een raadsel waar ik later, besloot ik, met behulp van wetenschappelijke literatuur op terug zou komen.

Daarna staarde ik in het oneindige, luisterend naar het geluid van de klok, en bedacht dat het uitvinden van de tijd een parallel vertoont met het uitvinden van de hel. Het dwingende tiktak en de onophoudelijke voorwaartse beweging van de wijzers confronteert ons voortdurend, bedacht ik, met de begrensdheid van het bestaan.
Deze overweging heeft mij nogal opgehouden. Het duurde minstens een kwartier voordat ik de tijd de tijd kon laten en weer vrij, zonder stress, functioneerde.
Toen werd het idee geboren dat ik eigenlijk liever aan een ander zou toeschrijven: Als je echt superieur bent, hoef je niemand te discrimineren. Deze gevaarlijke gedachte stortte mij in een minutenlange intellectuele crisis, die ik wist te overwinnen door dit idee tot een ongevaarlijke grap te bestempelen.
Ik had precies vijfendertig minuten denkkracht achter mij liggen toen een geweldig blond stuk voor mijn geestesoog verscheen, dat ik onmiddellijk weer van mijn netvlies veegde om verdere banaliteiten te voorkomen. In het besef dat ik nog slechts een kwartier te gaan had, koos ik uiteindelijk voor het thema: de toekomst van onze planeet. Helaas kwam ik niet veel verder dan de gedachte dat het onze tijd wel zal duren.
Maar ik kon de moed niet opbrengen deze gedachte verder te ontwikkelen. De zestig minuten waren om. Tijd om te evalueren. Ik schonk mijzelf een kop thee in en met het ‘Wie ben ik om slapende honden wakker te maken?’ dommelde ik in.