Goethe

Ik arme dwaas

Johann Wolfgang von Goethe

Faust: Een tragedie

Vertaald door Ard Posthuma, uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep, 534 blz., € 50,-

Over de splinternieuwe Faust-vertaling hadden mij reeds diverse onheilspellende berichten bereikt. Ze betroffen de wijze waarop de vertaler de tekst had getrivialiseerd door «Ot en Sien» en andere specimi na van het «Oeteldonkse mensenras» ten tonele te voeren. Echter, Ot noch Sien is in de Auerbachse kelder te Leipzig gesignaleerd en Oeteldonk is de carnavaleske bijnaam voor ’s-Hertogenbosch, een gemeente die Faust en Mefistofeles bij mijn weten altijd links hebben laten liggen.

Des te aangenamer was de verrassing toen bleek dat Faust: Een tragedie, in de vertaling van Ard Posthuma, heel goed en af en toe zelfs meesterlijk bleek te zijn. Ondanks die Oeteldonkse Ot en Sien en andere eigentijdse insluipingen. Die zijn storend. Wat de dronkelappen in Auerbachs kelder precies hebben geroepen weet ik niet, maar «tarara boemdie-jee» kan het niet zijn geweest. Is Mefistofeles inderdaad «een Pipo — die zijn vak verstaat»? De vrouw des huizes is «foetsie» en er wordt menigeen «voor lul» gezet. Faust kijkt sip als «Zwarte Piet» en wordt door Mefisto «Uwe Geiligheid» genoemd, die tussen de bedrijven door «gigantisch (moet) balen».

Ik hou daar niet zo van, zoals ik geen liefhebber ben van de recente Hamlet-vertaling waarin Laertes, alvorens met de Deense prins in duel te gaan, zijn degen vergiftigt met «het dipsaus van de dood». Hoe haal je het in je hoofd? Er was veel gegiechel in de zaal, dat tamelijk disharmonieerde met het bloedbad dat ophanden was. Schrijver, wordt nooit klassiek, want je bent aan de luimen der vertalers en regisseurs overgeleverd, die weigeren zich te realiseren dat Faust noch Hamlet uit de pretfabriek van Joop van den Ende afkomstig is, zodat een zeker respect is geboden voor de sfeer waarin deze werken zijn geconcipieerd.

Niettemin, Ard Posthuma heeft zich op een volwassen wijze van zijn taak gekweten. De meeste Nederlandse Faust-vertalingen (Nico van Suchtelen, Anthonie Donker, J.J.L. ten Kate, C.S. Adama van Scheltema) zijn natuurlijk hopeloos verouderd, al is de laatste zo slecht nog niet.

Zie hoe de stervende Valentin zijn ontaarde zusje toespreekt:

«Ik zie waarachtig al de dag,

dat alle burgers van braaf slag,

zoals voor een lijk vol rottigheden,

voor jou, jij slet! op zijde treden.»

En vergelijk deze passage met de herdichting van Posthuma:

«Jij slet, ik zie ze al, de tijden

dat jij zo’n pestlucht zal verspreiden

dat elke burger met fatsoen

drie passen naar opzij zal doen.»

Geconcludeerd moet worden dat beide vertalers hier op een heel behoorlijke wijze uit hun woorden zijn gekomen.

Niettemin, de vertaling van Adama van Scheltema vertoont al te vaak de taalschimmel der Tachtigers.

Lees de beroemde passage waarin Faust zijn poedel adresseert:

«Wees rustig, poedel! Draaf niet zo heen en weder!

Wat snuffelt gij aan de drempel daar?

Leg u hier achter de kachel neder,

Mijn beste kusse’ is voor u klaar.»

En vergelijk deze passage met de corresponderende passage bij Posthuma:

«Koest, poedel! Doe toch niet zo zenuwachtig!

Wat snuffel je daar aan de drempel? Zo!

Achter de kachel lig je prachtig,

Mijn beste kussen geef ik je cadeau.»

Hier wint dus Posthuma, al was het alleen al omdat men allang niet meer zijn poedel pleegt te vousvoyeren. Daarmee is de vertaling van Adama van Scheltema, met alle respect, een historisch curiosum geworden. Noem het vooruitgang. Men vervoert zich tenslotte niet in een Spijker uit 1911 als er een beschaafde Volvo uit het jaar 2000 in de garage staat.

Het is een hele prestatie een gecompliceerd kunstwerk als Goethes Faust (I én II) te berijmen, zonder dat er al te veel uit de bocht wordt gevlogen. De Nederlandse Goethe-lezer kijkt onmiddellijk naar de wijze waarop de befaamd geworden citaten («Da steh ich nun, ich armer Tor…») zijn verpolderd. Goethe, een Holland-specialist, getuige zijn toneelstuk over de ongelukkige graaf Egmond, was er vast niet ontevreden over geweest. «Hier sta ik nou, ik arme dwaas! Niets wijzer als ik was, helaas.» «’k Heb jarenlang boven mijn boeken zitten zweten en ’k weet wel veel maar ik wil alles weten.» «Zo af en toe kan ik de oude baas waarderen en ik ben blij met hem op goede voet te staan. Het is toch sympathiek van zulke hoge heren, zelfs met de duivel menselijk om te gaan.»

Faust in gesprek met Mefistofeles:

«Faust: Zeg wie je bent!

Mefistofeles: Een deeltje van de kracht

Die steeds het kwade wil en steeds het goede bracht.

Faust: Je spreekt in raadselen, naar het mij schijnt.

Mefistofeles: Ik ben de geest die eeuwig ondermijnt.

En dat terecht! Want alles wat ontstaat

verdient dat het ten gronde gaat.»

Excellent! Helaas duikt zeven versregels verder dat vermaledijde «Oeteldonkse mensenras» op waartegen de uitgever zijn vertaler had moeten beschermen. Jammer dat zo’n boek nooit een tweede, enigszins herziene druk zal halen, omdat de weinige Nederlanders die zich voor Goethes Faust interesseren, het boek allang in de originele taal hebben gelezen.