Ik begrijp gerard

Is Gerard Reve (75) nu beroemd? LE:

Ik hoorde op de radio een stel sukkels die hem feliciteerden met zijn verjaardag, terwijl ik weet dat Reve zulke dingen haat. Op de televisie werd er aandacht aan hem besteed door een reeks cultuurdragers die in het zand leken te bijten van verveling. Voortdurend moesten dezelfde vragen worden beantwoord: is de oude Reve niet beter dan de nieuwe? Meent hij dat racisme nou? En wat is zijn betekenis geweest in de Nederlandse literatuur?
Gaap, gaap, gaap.
’t Maakt ook niet uit wat je antwoordt. Zo'n vraaggesprek duurt liever twee dan drie minuten, en je kunt je populair maken door iets godslasterlijks te zeggen, of iets sentimenteels.
Wie beroemd is, wil meestal ook nog erkenning. Het aardige van Gerard Reve is dat beide hem nooit iets hebben kunnen schelen. Jawel, hij wilde wel beroemd worden, maar louter en alleen om hoge verkoopcijfers te halen, omdat hij van zijn schrijven wilde leven. Erkenning wilde hij eveneens, maar het kwam nooit op de eerste plaats. Verwoorden wat hem bezighield, dat was zijn taak en opdracht. Vorm geven aan een merkwaardige manier van denken en leven.
Het ontstijgt de roem.
Ik ken eigenlijk verder niemand die de roem ontstijgt. Men wil zo snel en zo veel mogelijk roem bezitten, al moet men zijn persoonlijkheid daarvoor inleveren. Roem genereert namelijk geld. En omdat geld anoniem is en niet door je critici wordt uitbetaald, kun je altijd beweren dat je hoge verdiensten een vorm van erkenning zijn.
(‘Ik verdien niet voor niets zo veel.’) Ik schrik me altijd de kolere als ik hoor dat interviewers Paul W., Sonja B., Adriaan van D. en Boudewijn B. tienduizenden guldens per middag verdienen bij bedrijf X of Y. (Ik hoorde bedragen van dertigduizend piek!) Mooi meegenomen, natuurlijk - en ik zou met één zo'n optreden per jaar buitengewoon tevreden zijn - maar toch wil ik, als ik zoiets hoor, niet meer dat deze mensen beroemd zijn. Dat kan ik niet goed hebben.
Ik moet u eerlijk vertellen dat het me altijd erg oplucht wanneer ik in de pulpbladen lees dat zulke mensen ook ongeluk overkomt. Gaan ze zelf dood, dan is het helemaal goed, maar lees ik dat ze ernstige ziektes hebben, dat hun kindje is overleden of hun oude moeder, dan leef ik helemaal op, want ik trek me hun leed meteen aan. En dan kan ik het weer hebben dat ze dertigduizend gulden voor een middagje bedrijfje-slijmen vragen. Maar het ellendige is dat ik zulks eigenlijk nooit lees. Het gaat altijd maar goed met die mensen! Ze roken niet, drinken niet, gaan alleen vreemd als het kan, er moet nooit eens een been afgezet worden, er rot ook nooit een hersenhelft weg, al zou je dat wel denken, en ze hebben nooit een gezellige zwartwaterkoortsaanval waardoor ze naakt de straat op willen rennen. Ze zijn jong, mooi, gezond en rijk!
Van Gerard Reve weet ik het volgende: soms wordt het hem te veel. Wat hem dan precies te veel wordt, weet ik niet. Maar ik vermoed dat het ’t leven zelf is. Omdat hij het dan niet uithoudt, sluit hij zich bij tijd en wijle op met een paar flessen wijn, teneinde zich in snel tempo te bedrinken.
Maar soms lukt zelfs dat niet. Dan gaat Gerard achter zijn bureau zitten en schrijft hij vonnissen op: hij geeft dan alleen maar de doodstraf en maakt lijsten met wie er dood moeten.
Ik kan me dat zo goed voorstellen.
Toen ik pas in de Jordaan kwam wonen, kreeg ik een papiertje in de bus: 'Groot feest in de Westerstraat bij de Nieuwe Albert Heijn. Komt allen. Koos Alberts is er ook.’
Ik wist niet wie Koos Alberts was, maar ik ging kijken.
Ik zag een man in een karretje die foto’s van zichzelf weggaf uit de tijd dat hij nog niet in een karretje zat. Hij bleek vroeger zanger te zijn geweest. Soms zei iemand: 'Koos, je bent nog steeds beroemd, hoor.’
En dan zei Koos: 'Bedankt, jongen.’