De protestgeneratie

Ik beken

En dan is er natuurlijk die beruchte, lamlendige, lawaaiige protestgeneratie van weerzinwekkende babyboomers, die tussen 1940 en 1955 zijn geboren, al ientallen jaren dit land in hun greep hebben en die nu laf hun mond houden als ze dag na dag in hun eigen bolwerk, de Volkskrant, worden aangevallen. Max Arian spreekt. Onder protest.

Waarnemend hoofdredacteur grijnst me toe door de telefoon. Hij is voor iemand van de verloren generatie (1955-1970) nog vrij goed terechtgekomen, zwijgt niet zoals hij zou horen te doen, maar schopt elke week in dit blad tegen de verkalkte knieën van wat hij de «generatie van 1968» noemt. Want die bezoedelt in zijn ogen een mooie lentedag als 1 mei met vreselijke termen als «socialisme» en «de loodzware last van een rooie zuil».

Nu heeft hij bedacht dat ik naar een film moet over een socialistische commune in de jaren zeventig. In Zweden weliswaar, maar dat is dichtbij genoeg. «Doe er maar een persoonlijke bekentenis bij over wat er toen allemaal fout was», sniert hij, «daar zijn jullie babyboomers toch zo goed in!»

Ik mompel iets dat op een protest moet lijken, maar gedwee en aangepast als ik intussen ben, zit ik de volgende dag in een filmcentrum bij het Amsterdamse Leidseplein tussen moeders van vijftig die hun dochters van 25 willen laten zien wat ze allemaal in die vrije jaren zeventig af hebben moeten lijden onder de handen van hun toenmalige hippiemannen.

Tillsammans heet de film van Lukas Moodysson, net als de commune die hij zeer natuurgetrouw heeft gereconstrueerd, waar mensen vreemde theorieën uitkramen, met ontbloot onderlichaam op vergaderingen verschijnen, vrije seks moeten bedrijven, de afwas altijd aan de anderen overlaten en hun kinderen verbieden met pistooltjes en met lego te spelen («M'n vader heeft gezegd dat hij houten lego voor me zou maken, maar hij is nooit verder gekomen dan twee stukjes»).

Wat is het allemaal lang geleden! Feest vieren omdat Franco dood is, alsof hij jouzelf onderdrukte. Uit schuldgevoel om je chique afkomst in de fabriek gaan werken. Bonen en bonen en bonen eten, want vlees is taboe. Soms is het zelfs grappig: het mooiste meisje uit de commune mag pas met de mooiste jongen naar bed als zij hem eerst plechtig belooft dat ze daarna over het verschil tussen winst en meerwaarde zullen discussiëren. Het is ons nu allemaal vreemd en 1975 lijkt verder weg dan het stenen tijdperk op Nieuw-Guinea.

Maar dan draait Lukas Moodysson de camera een slag. We zien ook iets van de wereld buiten de woongroep. Grijze nieuwbouwflats, waar liefdeloze gezinnetjes opgesloten zitten. Een man trekt zich in het geniep af bij een seksblaadje. Een dronken echt genoot slaat z'n vrouw en tiranniseert z'n kinderen. En nog droefgeestiger: een oudere meneer is na z'n scheiding wanhopig alleen en laat de loodgieter komen om tenminste een beetje aanspraak te hebben.

Door die blik op de buitenwereld kijk ik de rest van de film heel anders naar de commune. Wat betekent dat Tillsammans eigenlijk? Het wordt vertaald met: Together, want in het Nederlands is het al haast een vergeten woord: Samen. De mensen van de woongroep doen idiote dingen, ze bedriegen en onderdrukken elkaar, ze doen maar wat en praten volstrekt langs elkaar heen, toch zijn ze daar tenminste niet zo eenzaam als in de rest van de stad.

De film verandert ongemerkt van een satire in een idylle. De eenzame oude meneer brengt de huistiran naar de commune, waar diens vrouw en kinderen zijn ingetrokken. De vrouw is intussen lesbisch geworden, maar haar man verovert haar en z'n gezinnetje terug door eindelijk de afwas te doen. Een gefrustreerde buurvrouw komt mee voetballen en lacht voor het eerst, iedereen stoeit en knuffelt vrolijk door elkaar in de sneeuw. Samen!

De moeders om me heen sissen tegen hun dochters dat het allemaal niet zo sprookjes achtig afliep in die tijd. Het waren geen prinsen met vlasse baarden, daar in die woongroepen. Maar ik kan een moment van ontroering niet onderdrukken. Het was niet allemaal verkeerd wat er in die tijd gebeurde. Die ellendelingen van de protestgeneratie interesseerden zich tenminste ook af en toe voor anderen, ze probeerden te bedenken hoe het leven misschien iets beter kon worden, ze kwamen in belachelijke theorieën, griezelige sektes en minuscule stalinistische partijtjes terecht, maar ze waren niet louter en alleen bezig met hun hypotheken en aandelenwinsten, ze waren dagen- en jarenlang in de weer om iets voor elkaar en de wereld te doen.

Ik was bijna op het Leidseplein in de koude regen op een terrasstoeltje gaan staan om het uit te schreeuwen: «Ja, ik durf het te bekennen! Ik hoor ook bij die verdomde protestgeneratie! En ik ben er nog trots op ook!»

Het is waar, ik heb me in die tijd ook aan de vreselijkste zaken schuldig gemaakt. Ik heb nog eens officieel opgeroepen Coca-Cola te boycotten. Barbiepoppen waren volstrekt verboden, hoe de kinderen er ook om smeekten. We vonden televisie verderfelijk. En, o ja, we deden een serieuze poging onze kinderen op te voeden zonder bezittelijke voornaamwoorden, want we vonden dat die kapitalistisch waren.

Maar we deden ook aandoenlijke dingen. We kochten samen met de buren een roeibootje, dat onmiddellijk zonk. We wasten de was gezellig samen in één wasmachine, als een allereerste stapje op weg naar het uiteindelijke socialistische doel. Samen voerden we met stickers en stencils actie tegen de auto’s die verkeerd geparkeerd stonden. Elke ochtend speelden kindertjes uit de buurt samen bij een van de ouders thuis, dat noemden we ons witte kinderplan. Het was allemaal al heel wat in een wereld vol stijve gewoontes waar geen aardigheid te beleven viel, waar alles wat anders was werd verboden of uitgelachen, waar het al een heldendaad was om als man achter een kinderwagen te lopen, waar de stoepen vol stonden met auto’s en de huizen op instorten stonden totdat er bankgebouwen voor in de plaats kwamen.

Ik weet wel dat er geen afgebakende generaties bestaan, dat er altijd tegelijk tegengestelde dingen aan de hand zijn, dat ik van 1940 ben en dus allesbehalve een babyboomer. Maar achteraf vond ik het wel iets hebben, toen we door wetenschappers tot «protestgeneratie» werden gebombardeerd. Er wordt ons nu verweten dat we eigenlijk helemaal geen generatie zijn, omdat we geen grote gebeurtenissen samen hebben meegemaakt en beleefd (al speelde de oorlog natuurlijk voor iedereen op de achtergrond mee). Wij organiseerden die gezamenlijke gebeurtenissen zelf: demonstraties, acties, teach-ins. Tegen oorlogen of onderdrukking ver weg. Niet alleen voor tien procent meer salaris of tegen een rondje om de kerk. De oorlog in Vietnam was geen gebeurtenis die ons ongewild overkwam, het was een keuze je daar iets van aan te trekken en er wekelijks luidruchtig tegen te demonstreren, temeer omdat er tegen de politionele acties in Indonesië door de generaties vóór ons veel te weinig was geprotesteerd.

De tijd was in die jaren zestig en zeventig rijp voor verandering en we hadden de wind in onze rug. Dat is achteraf misschien volkomen waar, maar dat merk je pas als je eerst heel moeizaam en weinig spectaculair begint. Dat begin valt voor iedereen op een ander tijdstip, maar over een «generatie van 1968» kun je in Nederland in elk geval niet praten. Berlijn en Parijs waren niet de grote voorbeelden, het was in dit geval andersom. Het protest kwam hier eerder, omdat alles in Nederland nog veel meer vastgeroest was. In 1963 begon de studentenvakbeweging voorzichtig te roeren in een volstrekt negentiende-eeuws, autoritair, universitair wereldje, vol hooghartige hoogleraren die nog te beroerd waren om met hun studenten in discussie te gaan, want dan moesten ze van hun papiertjes opkijken. Twee jaar later, in 1965, kreeg het protest hier met provo een eigen onvoorspelbaar en speels karakter, het inspirerende voorbeeld voor de Franse studenten die in mei 1968 de straat op gingen. Hadden de Duitse jongeren er ook maar beter naar gekeken.

We waren net zo onbehouwen en onverantwoordelijk als de communeleden van Tillsammans, dat is waar. We maakten evenveel fouten, we waren even verward. We verdiepten ons nauwelijks in wat er vóór ons was gebeurd, want we wilden louter en alleen in de toekomst kijken. Maar er was ook vrijheid. Je hoefde niet per se in een commune vrije liefde te beleven als je daar geen zin in had. Je werd niet gedwongen lid te worden van de CPN of je aan de voeten van Mao te werpen, je kon je net zo goed aansluiten bij de Kabouters of in je eentje chroestjoviaan zijn. Het werd natuurlijk allemaal niets met die idealen en achteraf ben ik blij dat m'n eigen protestgeneratie nooit de politieke macht heeft veroverd, maar er is toen wel al die keuzevrijheid bevochten waar de «verloren generatie» stilletjes z'n voordeel mee doet. Dat die ervoor kiest geld te verdienen en carrière te maken en tegelijk te kankeren op een voorgaande generatie, dat is haar goed recht.

Maar er is iets geks aan dat gekanker, dat geregeld z'n kop opsteekt (Stephan Sanders heeft eenzelfde aanval al eens tien jaar geleden in De Groene gelanceerd). De protest generatie bezet alle mooie baantjes en heeft alle macht. Wat een triviale aanklacht. Het is logisch dat veel mensen van in de vijftig op belangrijke posten zitten, al is er van de studentenleiders en provo’s van toen nooit iemand hoger gekomen dan bijvoorbeeld wethouder. Het is net zo natuurlijk dat de babyboomers vanaf nu geleidelijk met pensioen gaan. Het is volstrekt overbodig die generatie nog een keertje op z'n kop te geven. Als je de stukken van Caspar Janssen en Michaël Zeeman in de Volkskrant echter nauwkeurig leest, dan zijn ze niet zozeer bang voor de vijftig- en zestigjarigen waar ze zo op afgeven, maar voor een generatie die veel jonger is dan zij, de twintigjarigen van nu. Volgens Caspar Janssen wordt z'n zielige, zwijgende, bescheiden en nu al verloren generatie gemangeld door «een brallerig monsterverbond van de protestgeneratie en hun kinderen». Michaël Zeeman klaagt dat er bij de kranten, in de departementen en op de universiteiten veel vijftigers en veel twintigers te vinden zijn maar «bijna geen mens van tussen de 35 en 45». Hij zegt er niet bij of die departementen, kranten en universiteiten daar veel aan missen, maar hij eist pontificaal het recht op, als het moet in z'n eentje (want er is niemand anders), weer «jaartallen en lijstjes van cruciale boeken, ja, zelfs esthetische en ethische criteria» te mogen verordonneren. Hij heeft het zelfs over de noodzaak van een nieuwe orde om eindelijk een einde te maken aan die culturele revolutie van de jaren zeventig.

Het lijkt me geen aantrekkelijk vooruitzicht voor al die twintigers die er nu aan komen stormen. Orde, autoriteit, hiërarchie. Of zou je het allemaal als een morbide grap moeten opvatten? Maar zo'n grap kan in de neoconservatieve stemming van het moment per ongeluk serieus worden genomen. En dan zitten we voortaan met de Nieuwe Orde van Zeeman en Janssen.

Natuurlijk, de al te lieve film Tillsammans mag je ook niet volkomen serieus nemen. Regisseur Lukas Moodysson is in 1969 geboren, hij is dus 31 of 32 jaar en zijn ouders moeten tot de protestgeneratie behoren. Hij vertelt in zijn film waarschijnlijk wat hij zelf als kind van zes in zo'n commune heeft ondervonden. Het maakt op mij de indruk alsof hij aanvankelijk van plan is geweest flink met die vreselijke tijd af te rekenen en gaandeweg steeds meer gecharmeerd raakte door zijn eigen verleden en dat van zijn ouders als je dat vergelijkt met het heden.

Michaël Zeeman en Caspar Janssen zijn misschien terecht bezorgd. Bezorgd voor een herontdekking van wat er in die tijd wél goed en aardig was. Bezorgd dat die tijd, nog vóór hij helemaal en voorgoed verdwenen is, alweer terugkomt. Wat moet dat vreselijk zijn: een tijd zonder beurskoersen, opties, miljoenentransfers en miljardenschandalen, terug naar een tijd waarin mensen zich opwonden over oorlogen als die aan de gang zijn en niet pas lang daarna en protesteren tegen dictators, ook als er geen koninklijk huwelijk op komst is. Nee, die tijd komt niet terug. Misschien iets anders? Ik beken het: ik ben naïef genoeg om er razend benieuwd naar te wezen.