INTERVIEW MET CHOREOGRAFE ZEYNEP TANBAY

‘Ik ben altijd een outsider geweest’

Turkije ontwikkelt zich tot een centrum van de wereldcultuur. De Biënnale van Istanbul geldt als een van de interessantste van het ogenblik. Volgende maand is Turkije Schwerpunkt op de Frankfurter Buchmesse. In dat panorama speelt dans een bescheiden maar interessante rol.

DE DANSERES EN choreografe Zeynep Tanbay is directeur van een van de weinige onafhankelijke dansgezelschappen in Turkije. Klassiek ballet is in Turkije een zaak van de overheid, gevat in een systeem dat veel weg heeft van dat van de voormalige Sovjet-Unie: Staatsconservatoria leiden dansers op voor een vaste baan bij het Staatsballet. Daarbuiten is er geen structuur, geen geld. Er is wel een publiek: de onafhankelijke positie van Zeynep Tanbays eigen gezelschap is een bescheiden indicator voor de verschuivingen in het culturele landschap van Turkije en, bijvoorbeeld, de groei van corporate sponsorship en de opkomst van een moderne, hoogontwikkelde, westers geörienteerde bovenlaag.
Die oriëntatie is interessant. In Istanbul noemen negen van de tien kunstenaars – schrijvers, muzikanten, theatermakers, dansers – hun stad, hun land en zichzelf ‘een brug tussen oost en west’. Waarmee het lastig wordt een uitspraak te doen over hun kwaliteiten als kunstenaars per se. Die kwaliteiten zijn er, maar het wendbare, dienstbare begrip ‘brug’ ontneemt enigszins het zicht erop. Er is veeleer sprake van een groot, overlappend stelsel van culturele netwerken, waarin Turkse kunstenaars een belangrijke rol spelen. Dat geldt sterk voor de muziek. De moderne darbuka-speler Misirli ‘de Egyptenaar’ Ahmet, bijvoorbeeld, die zijn trommel wist op te waarderen van een bijrol in huwelijksorkestjes tot een solo-instrument van grote zeggingskracht, is een beroemdheid van Caïro tot Córdoba.
Het zou zulke Turkse artiesten niet misstaan zich ‘centrum’ te noemen in plaats van alleen maar ‘brug’.
Ballet echter is bepaald geen Turkse uitvinding. De eerste balletschool in Turkije werd in 1948 opgericht door de legendarische Dame Ninette de Valois, ook oprichter van de Londense Royal Ballet School. In 1978 sloot Turkije een cultureel verdrag met Rusland, waarna Russische docenten de opleidingen overnamen. Tot op de dag van vandaag heerst in de conservatoria het Russische systeem, gebaseerd op strikte discipline en een negentiende-eeuwse autoritaire structuur. Er zijn vier staatsscholen, onderdeel van het universitair onderwijs, en zij leveren dansers af voor de gezelschappen van de Staatsopera en het Staatsballet in Istanbul, Izmir, Mersin en Antalya. Een vijfde gezelschap in Samsun gaat dit jaar van start.
Aan het Staatsballet van Ankara is sinds 1992 een afdeling moderne dans verbonden, Modern Dance Turkey, onder leiding van de Britse Beyhan Murphy. Daarnaast is er Çagdas Bale Toplulugu, geleid door Cem Ertekin, dat zich vooral richt op spektakelstukken à la Lloyd Webber of Orff.

In die beperkte wereld neemt het gezelschap van Zeynep Tanbay een opmerkelijke plaats in. Zeynep Tanbay werd opgeleid in Turkije, maar werkte daarna zestien jaar in de Verenigde Staten, bij grote gezelschappen als Martha Graham en Alvin Ailey. Eind jaren negentig keerde ze terug naar Turkije en begon haar eigen Dance Project. De laatste vijf jaar geniet ze de steun van Akbank, de grootste commerciële bank in Turkije.
Ik spreek haar in haar moderne dansstudio, in het culturele centrum van de bank, midden in Istanbul.
Wat is de positie van moderne dans in Turkije?
Zeynep Tanbay: ‘Moeilijk. In dit land komt dans altijd achteraan, na muziek, film, theater. Bij het publiek, de sponsors en de theaters krijgt dans altijd de minste steun. Onafhankelijke, professionele gezelschappen bestaan eigenlijk niet. Er zijn wat ad hoc producties van dansers en choreografen, wat toevallige uitvoeringen. In Istanbul zijn er vier of vijf groepen die worstelen om zo te overleven. Wij hebben een trouw en vrij groot publiek, althans in Istanbul; we zijn het eerste gezelschap in Turkije waar de dansers gewoon een contract hebben en worden betaald, door een privé-partij, niet door de overheid.’
Is dat een voordeel of een nadeel?
‘Allebei. Turkije is een land vol beperkingen, maar ook vol hoop – en interessante verrassingen. Dat geldt voor alles. Ik ben altijd een outsider geweest. Ik ben niet opgeleid in het conservatoriumsysteem, maar in een privé-balletschool, een van de eerste scholen in Ankara. In 2000 heb ik voor mijn project mensen gezocht die ook buiten het systeem stonden. In Turkije worden vrijwel alle dansers opgeleid in de conservatoria en daarna krijgen ze een vaste baan in het Staatsballet. Er waren dus nauwelijks vrije dansers te vinden, professionals van hoge kwaliteit. Ik moest mensen uitnodigen van het Stuttgart Ballett. Tot 2005 was Dance Project een gezelschap dat alleen op projectbasis bij elkaar kwam en daarna weer uit elkaar viel. Pas toen kreeg ik de steun van Akbank om een onafhankelijk professioneel gezelschap te beginnen.’
Is dat een langetermijnrelatie?
Tanbay lacht mij hartelijk uit. ‘Het is zoals alle dingen in Turkije: je weet het niet. Het leven zit vol verrassingen. Morgen kan alles anders zijn. Maar vandaag zitten we er nog. Ik ben de directeur, de choreograaf, de repetitor, de schoonmaker, alles! Ik noem mezelf niet eens choreograaf eigenlijk, ik noem mezelf altijd danser. Ik choreografeer omdat er niemand anders is.’
Hoe is de kwaliteit van uw dansers?
‘De dansers hier worden opgeleid voor een vaste baan als dansende ambtenaar, en dat is iets wat de geest van veel van die dansers blokkeert. Van de dansers die ik nu heb, zijn er drie of vier klassiek getraind, een paar zijn pas op hun achttiende begonnen met dansen, één was vroeger een professionele karateka, enkele zaten in de showbusiness, in Sultans of the Dance, de Turkse Riverdance. Totaal verschillende achtergronden.’
Hoe werkt u met die beperkingen?
‘Er is ook iets goeds aan beperkt zijn, omdat je gedwongen bent op een andere manier te denken. Ik kom uit een klassieke opleiding en ik heb andere fysieke mogelijkheden dan anderen. Sommige dansers, bij Martha Graham bijvoorbeeld, lijken onmenselijke wezens, in staat ongelooflijke dingen te doen, perfect in alles, perfecte lichamen, perfecte techniek. Zo ben ik ook opgeleid en zo heb ik altijd gechoreografeerd, afgestemd op míjn lichaam en míjn techniek. Dat moest ik opeens veranderen, aanpassen aan hún techniek en hún mogelijkheden. Dit zijn gewone mensen, met beperkte lichamen waar ik het mee moet doen. En dus kan mijn inspiratie niet reiken tot Forsythe, al zou ik dat willen. Dit is wat je hebt, en je moet zien wat je daarmee kunt.
Ik doe de choreografieën, maar ik ben niet iemand die streng met zijn stok op de grond staat te tikken. Wij hebben een democratische structuur, en veel dansers kunnen daar slecht mee omgaan. Het systeem waar ze uit komen is zo streng! In de dans is er doorgaans één autoriteit die alles doet en beslist, de rest gehoorzaamt. Daar zijn ze aan gewend. Turkse mensen zijn verlegen, ze houden zich gedeisd, op de achtergrond, dat is de cultuur. Soms klagen ze erover dat ik te aardig ben, te geduldig. Maar het is belangrijk dat het leuk is. Dans ís al zo moeilijk, het doet al zoveel pijn. Je moet ’t niet nóg moeilijker maken.’

Tanbay onderhield geruime tijd een relatie met (en heeft een kind van) de politicus Mehmet Ufuk Uras, de enige socialist in het Turkse parlement. Hij werd vorig jaar als onafhankelijke kandidaat verkozen door een monsterverbond van alevieten, anti-oorlogsactivisten, socialisten, Koerden, feministen en Groenen. Uras heeft als parlementariër de Armeense genocide openlijk erkend en heeft zich verzet tegen de militaire oplossing van ‘het Koerdische probleem’. Zeynep Tanbay wordt daardoor in Istanbul onmiskenbaar een bepaalde positie toegeschreven.
Heeft uw werk ook een politieke betekenis?
‘Nee. Zo denk ik helemaal niet. Wat ik doe, voel, meemaak, dat komt op de een of andere manier in die dans naar boven, maar ik hoef niet “begrepen” te worden. Dat interesseert me niet zo. Ik denk niet in termen van “Turks” of “Chinees” of “Japans” of wat ook.’
Zijn er dan elementen in het Turkse publiek waarmee u een verbinding wilt maken?
‘Natuurlijk. Ik woon in een land dat Turkije heet en dat betekent iets, politiek, economisch, sociaal. Dat is heel persoonlijk. Het stuk dat we in Amsterdam dansen, heet 4 Legs, want het gaat over meubels, vierpotigen. Toen we het met de dansers repeteerden, kreeg elk van de zestien delen een naam. Dat van mij heette “Stoel”, maar een ander “Ondervraging”, weer een ander “Cel”. Dat is een dans voor twee mannen op twee houten banken, naast elkaar. Voor mij betekent “Cel” een cel in een gevangenis, eenzaamheid, maar je bént niet alleen, er is iemand naast je. Het zijn twee mannen, omdat ik ook denk aan “homoseksueel zijn”, want als je dat bent in Turkije, zit je ook gevangen. En mijn solo in 4Legs, “Stoel”, gaat eigenlijk over martelen. Als ik in de Verenigde Staten had gewoond, had ik er waarschijnlijk nooit aan gedacht zo te choreograferen, maar nu ik in Turkije woon, waar mensenrechtenproblemen zijn, waar ik me bij betrokken voel, komt dat in een dans terecht. Maar die dans heb ik “Stoel” genoemd, niet: “Marteling”. Het publiek moet zelf maar bedenken waar het over gaat.’
Levert dat problemen op met de censuur?
‘Nee, omdat er nog niets te zien is. Het heet 4 Legs, dat zegt niets, ze kunnen komen kijken, en dan moeten ze maar zien wat ze er uithalen.’
Maar het publiek begrijpt het wel?
‘Jazeker. Zij wel. Maar het is maar hoe je het ziet – daarom praat ik er eigenlijk nooit over. Toen ik twaalf was, was dans een enorme uitkomst, omdat ik heel verlegen was, en dan hoefde ik niet te praten. Zoals nu.’

Zeynep Tanbay Dance Project, 4 Legs/4 Ayak, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam, 31 oktober, www.zeyneptanbay.org