Ik ben bang

Ik ben bang. ‘Bedoel je, Opheffer, dat je bang bent voor Islamitische Staat? Denk je werkelijk dat die Nederland komen veroveren? Kom op, zeg. Stel je niet aan, broekpoeper.’

En toch ben ik bang.

En laat ik eraan toevoegen dat ik me schaam voor mijn angst.

Waarom ben ik bang voor Islamitische Staat?

Inderdaad geloof ik niet dat ze overmorgen bij Lobith ons land zullen binnenstromen.

Maar ik ben bang voor de hulpsinterklazen. Voor die jongen en dat meisje die zich hier gediscrimineerd voelen, die menen dat ze hier geen kansen krijgen en die de antwoorden op de vragen waarmee ze zitten, vinden in dat verderfelijke geloof.

Misschien is het een oud-marxistische reflex van mij.

Dat verderfelijke geloof, de islam, geeft ze een identiteit, geeft ze moraal, geeft ze een persoonlijkheid, geeft ze een visie, een toekomst, kracht, en zelfs spanning en levensvreugde.

En kijk je met de ogen van dat verderfelijke geloof naar onze normen en waarden, dan vind je ons slecht, decadent, corrupt, vies.

Je ziet afschuwelijke homo’s die van elkaar houden. Je ziet vrouwen die het voor het zeggen hebben en de baas over jou zouden kunnen spelen, je ziet en hoort ongelovigen die Allah beledigen, en hem zelfs uitlachen, en je vindt dat je daar een stokje voor moet steken.

Dit kan zo niet verder gaan, want al die mensen, al die flikkers, al die joden, al die ongelovigen die Allah uitlachen en bespotten, kwetsen jou in het diepst van je ziel.

Dat kwetsen in het diepst van je ziel is een metafoor, maar die lijken soms niet te bestaan.

Als je vrijzinnig bent, maar toch islamiet, dan vraag ik: wat geloof je dan wel?

En als je, als IS-lid, er iets aan doet, iemand slacht, iemand z’n kop afhakt, dan oogst je lof, want het mag van je verderfelijke geloof. Je krijgt waardering van vrienden, van hoogstaanden, van belangrijke mensen. Je wordt gewiegd in de armen van hen die ook dat verderfelijke geloof aanhangen.

En daar ben ik bang voor. Voor die jongen en dat meisje. Die zich opeens geroepen voelen zich te offeren, omdat ze denken dat ze dan voor eeuwig gelukkig worden in de tuinen van Allah.

En ik schaam me dat ik daar bang voor ben.

Ik schaam me namelijk voor mijn wantrouwen. Want ik ben die spotter. Ik ben die ongelovige hond. Ik ben niet homoseksueel, maar ik ben wel die vriend van Van Gogh die door zo’n hulpsinterklaas met pistoolschoten is omgebracht waarna geprobeerd werd z’n keel door te snijden. Die hulpsinterklazen dwingen mij hun geloofsgenoten met wantrouwen te bejegenen.

‘Maar Opheffer, je weet toch wel, niet alle islamieten zijn zo als Mohammed Bouyeri?’

Ja, dat weet ik.

Maar als je niet gelooft wat Bouyeri gelooft, als je Ahmet Marcouch heet of Aboutaleb, als je vrijzinnig bent, maar toch islamiet, dan vraag ik: wat geloof je dan wel?

Geloof je dan niet wat in de koran staat over homo’s, maar al het andere wel? Geloof je dan niet wat in de koran staat over joden? Maar al het andere wel? Geloof je dan niet wat er in de koran staat over de nederige rol van vrouwen, maar het andere wel? En geloof je dan ook niet wat er in de koran staat over ongelovigen? Maar nogmaals: wat geloof je dan wel? Geloof je in het geweld? Nee? Fijn, maar wat dan wel?

Wat betekent dat geloof dan nog voor je? Wat is dan de rijkdom van het woord van Allah, als je een deel van zijn woorden niet gelooft?

Ik ben bang.

Bang voor de willekeur van het kwaad.

En ik schaam me voor het wantrouwen dat ik er noodgedwongen op moet nahouden. Want er zijn er die mijn hand willen afhakken als ik hem uitsteek.