Interview Liesbeth List

«Ik ben bevrijd»

Het Franse lied wordt in ons land levend gehouden door Liesbeth List. Voor uitverkochte zalen zingt ze over de tragiek van het bestaan, waarbij ze zich altijd laat inspireren door haar helden Shaffy en Brel. «Zij verlaten mij nooit.»

Liesbeth List heeft het zo druk dat ze zelfs op zondag moet werken. En dat is juist zo’n dag die ze graag doorbrengt zonder make-up en gestress van pasjes, noten en timing. «Op het ogenblik ga ik weer door de bekende hel, want de première komt in zicht. Dat betekent de hele dag teksten leren, leren en nog eens leren. En repeteren van negen uur ’s ochtends tot tien uur ’s avonds. Het zal nooit wennen. Je blijft altijd onzeker. Een programma gaat pas na het tiende optreden in je bloed zitten», zegt ze duidelijk articulerend met haar beroemde zwoele stem en prominent aanwezige rollende «r».

List staat voor een zwaar seizoen, onder meer met een reeks theaterconcerten samen met het orkest van de Koninklijke Luchtmacht en een musical voor twee personen, Het hemelbed. Maar ze barst van de energie, en geniet ervan. Aan het begin van de 21ste eeuw maakt Nederlands enige echte diva van het chanson misschien wel betere tijden door dan ooit tevoren. Uitverkochte zalen met staande ovaties, vele awards, dikke cd-boxen van haar oeuvre en vorig jaar een koninklijke onderscheiding (Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw). «Ja, dat is prachtig. Ik voel me erkend. Nu pas, terwijl ik veertig jaar in het vak zit.»

Haar levensloop en loopbaan zijn inmiddels overbekend, niet in de laatste plaats door de publicatie in 2001 van haar biografie Het voorlopige leven van Liesbeth List. De basis van haar carrière werd gelegd toen ze in 1962 in de Amsterdamse club Le Fiacre in contact kwam met de troubadour Ramses Shaffy. Het 21-jarige meisje van Vlieland, beeldschoon en zowel timide als overtuigend in haar talent, ging onderdeel uitmaken van de shows Shaffy Chantant die met een repertoire van poëtische liedjes en monologen binnen het Amsterdamse circuit van kleine theaters en cafés snel furore maakten.

Dat vormde het begin van een niet-aflatende liefde en intensieve samenwerking tussen Ramses en List. «Hij is mijn ene goeroe, de andere is Jacques Brel. Hij was het idool van mijn generatie. Ik hoorde zijn slepende, rauwe stem voor het eerst door mijn transis torradiootje. Toen de televisie haar intrede deed, konden we hem zien optreden bij het maandelijkse programma met Franse muziek, dat zoiets was als de MTV van nu. Wij waren allemaal ontzettend francofiel. Onze helden waren Sartre, Juliette Greco en Brel. De sfeer van kaas, wijn en Parijs. Het ging gepaard met een ongrijpbaar gevoel van bevrijding van de naoorlogse soberheid van onze ouders. De economie ging opeens omhoog. Wij jongelingen gingen in Amsterdam op kamers wonen, met sinaasappel kistjes als kastjes en krukjes, and that was it. De ramen stonden wijd open.

Brel zag ik voor het eerst live optreden in een kroeg in Bergen. Dat was verpletterend. Op een gegeven moment ging onze groep Shaffy Chantant naar Amerika — we hadden een contract op de Holland-Amerikalijn voor optredens — en moesten in New York audities doen voor allerlei impresario’s, maar dat werd helemaal niks. Ze vonden onze stijl te dromerig, veel te traag. Ik bezocht daar ook een Amerikaanse interpretatie van Brel. Toen ik hoorde hoe ze hem wisten te verkrachten, dacht ik maar één ding: dat kan ik beter. Ik besloot vanaf dat moment Brel te gaan doen. Hij heeft me nooit meer losgelaten.»

In 1969 kwam het album List zingt Brel uit. «Dat lag aanvankelijk heel gevoelig: er was er maar één die Brel mocht zingen en dat was hijzelf. Ik zou niet geëngageerd genoeg zijn om hem te mogen vertolken. Maar mijn elpee werd meteen goud. Op uitnodiging van de platenmaatschappij kwam Brel himself mij de gouden plaat uitreiken. Opeens stond ik naast hem. Later, bij een show van mij waarvoor hij was gevraagd op te treden, zag ik hem nog eens. Toen was het nog zo dat je na afloop van een optreden meteen cash werd uitbetaald. Brel zei: ‹Mijn gage is zo hoog, dat kunnen jullie nooit betalen. Ik doe het alleen voor Liesbeth.›»

List zegt met onverbloemde trots: «Dat was de kroon op mijn hoofd. De pers had het nakijken. Wat ons zo aansprak, was dat hij in de tijd van de opkomende flower power zo straight was. Hij pakte thema’s van de straat. Hij zong over ouden van dagen. Of over zelfmoord: dat je het mensen moet gúnnen om dood te mogen gaan, iets wat nog steeds stuit op een taboe. Hij had het over het verschil tussen rijk en arm. Allemaal onderwerpen recht uit het leven. Daarnaast was het zijn stem, maar vooral ook de manier waarop hij optrad. Zijn tijdgenoten, zoals Charles Aznavour en Yves Montand, hadden tijdens hun performance altijd veel gebaartjes. Maar hij deed niks, barstte dwars door het televisiescherm heen, en stond er zonder opsmuk. Ieder woord dat hij uitsprak illustreerde hij door recht vanuit het hart te zingen. Met zuivere passie.

Jacques Brel bevestigde voor mij wat ik eerder al zo prachtig vond aan Ramses Shaffy. Ik had geen opleiding, nou ja, middelbare school en modevakschool, maar ik ben nooit op een toneelschool of een kleinkunstacademie geweest. Deze twee mannen zijn mijn leraren geweest. Ik vrat Brels liederen op. Ik vond hem geweldig. Ik wist niet anders. Ik kon niet anders. Zo ging ik ook optreden.»

Liesbeth List heeft een merkwaardig soort bescheidenheid ontwikkeld over haar eigen talent. De perceptie van haar positie binnen de Nederlandse geschiedenis van het «betere lied» strookt niet met haar reputatie. Nee, ze heeft echt nooit geweten dat ze iets kon. Want ze «stond naast Shaffy, raakte door hem geënthousiasmeerd en deed maar wat». Dat deze frêle vrouw met haar flemende ogen en scheve lachje zelf uitgroeide tot een artistieke grootheid kon eenvoudigweg niet waar zijn. «Ik ben altijd heel onzeker geweest over mezelf. Dat kenmerkt mij. Ik ben geen creatief iemand, geen zangeres maar slechts een vertolkster van andermans werk. Ik heb me altijd moeten redden met een beperkt scala aan mogelijkheden. Wij hadden indertijd geen carrière, maar vierden feest op het toneel. Ja, het publiek was er natuurlijk altijd, maar we beseften niet dat het bijzonder was. We hadden geen manager, we deden alles zelf. Ik leende geld van mijn moeder om de decors te kunnen betalen. Dat betaalden we dan later keurig maandelijks af. Niks geen geoliede machine om ons heen die alles regelde.»

Maar toch. Sinds een lovend artikel in 1995 van Bas Heijne in NRC Handelsblad is Liesbeth List anders gaan denken over zichzelf. Heijne schreef dat ze eigenlijk ieder jaar een Edison moest krijgen en dat de koningin verplicht ieder concert van haar moest bijwonen. «Opeens kreeg ik pluimen. Sindsdien geloof ik wel dat ik binnen mijn genre uniek ben. Voorheen schreef de pers dat het best prachtig was wat ik deed, maar altijd was er een bitter smaakje. Ze begrepen niet dat die jonge honden, dat stelletje ongeregeld, de sterren van de hemel zongen en daarmee de zaal in extase brachten. Het viel moeilijk te plaatsen. Ik was een zoekend vuurtorenlicht, een waakvlammetje dat ieder moment uit kon gaan, schreef men in de pers.»

Het «vlammetje» ging eind jaren tachtig, begin jaren negentig zonder meer op een zeer laag pitje. Met de Amerikanisering van Europa verdween de Franse cultuur uit de bioscopen, restaurants, theaters en discotheken. Geen bistro’s meer waarin je van houten borden at met uit de boxen Charles Aznavour, Georges Moustaki of Brel. Liesbeth List verkeerde in kommerlijke omstandigheden. Het restaurant van haar nieuwe man Rob Braaks ma — haar tweede geliefde na haar dertien jaar durende verhouding met schrijver Cees Nooteboom, een periode die zij omschrijft als «het diepste dal in mijn leven» — liep in die tijd bovendien niet fantastisch. «De klad kwam erin. Men wilde geen chansons meer. Ik werd de grond in geboord door de pers. Maar ik ben een vechter. Ik deed er alles aan om te blijven werken. We moesten wel, want we hadden een dochter. Ik zat soms in de stomste quizjes om geld te verdienen.»

Ondertussen verschenen in die periode wel verzamelplaten, maar List stond niet meer op de bühne. Het tij keerde halverwege de jaren negentig, toen ze ging samenwerken met zanger/componist Frank Boeijen. Albert Verlinde werd haar producent. Hij zag in Londen de musical Piaf en meende dat dat iets voor Liesbeth List was. Ze begon aan haar revival, die tot op heden doorgaat, onder meer met het daverende succes van haar creatie van Frankrijks Madame Melancholie. «Ik had niks met Piaf en die snerpende stem. Maar al gauw vond ik het héérlijk om een sloerie te mogen spelen. Een alcoholiste, een mannenverslindster, verslaafd aan de drugs: het is een zalige rol voor dit brave meisje. Ik kan bewijzen wie ik ben, tegenover al mijn critici. Je kunt het niet uitstaan dat je wordt afgekraakt terwijl je volgens je geweten niks fout doet. Erkenning is een grote schreeuw om liefde. De liefde is het applaus. Nu ik ouder en wijzer ben, ben ik gewapend voor welk debacle dan ook. Ik ben bevrijd, de schaamte voorbij. Daardoor zing ik anders dan vroeger. Ik ben niet bang meer dat ik vals zing. Ik denk dat een mens een heel leven nodig heeft om van al zijn complexen af te komen. En ik had er vele hoor, ik zweer het je. Als je moeder niet zegt dat je goed en mooi bent, dan heb je lang nodig om eerst te denken: oké, dan ben ik maar niks.»

Lists gevoel van erkenning kwam pas op late leeftijd. Ze weet zeker dat Brel, hoewel hij jong overleed, daar nooit last van heeft gehad. «Hij was de allergrootste tekst schrijver, zanger en componist van de vorige eeuw. Hij is gecoverd door iedereen, van David Bowie tot god weet wie. Brel heeft het allemaal volop meegemaakt. Toen hij doodging, zat ik in Parijs. Het was een shock. Zijn beroemdheid is daarna nog groter geworden, en velen zijn in zijn voetsporen getreden.»

Zelf heeft Liesbeth List geen opvolgsters. Het Franse lied, zoals zij dat als vrouw tussen mannelijke zangers decennialang standvastig heeft vertolkt, blijft exclusief bij haar horen. «Het heeft geen zin om dat kunstmatig te gaan opleggen. Iedere generatie heeft eigen stromingen. Het Franse lied is voorbij, maar wel zie je dat het Nederlandstalige lied als genre enorm leeft. En er blijft plaats voor pure liederen, solisten die authentiek zingen, niet gestileerd zijn. Het hart open zetten.»