Mohammed Mohandis over geloof en politiek in moderne tijden

Ik ben bovenal een Gouwenaar

Voor het Goudse PvdA-raadslid Mohammed Mohandis politiek actief werd, hing hij rond op straat. Hij stoort zich aan de manier waarop progressief Nederland reageerde op de overlast. ‘En nu staat de oppositie met 1-0 achter.’

HET RELLETJE in de Haagse gemeenteraad vindt plaats in de week na ons gesprek in de pvda-fractiekamer in het stadhuis op de markt in Gouda. In Den Haag was commotie ontstaan toen pvv-raadslid Richard de Mos eind oktober pleitte voor een allochtonenstop bij voetbalclubs, omdat er volgens hem sprake is van ‘islamisering van het Haagse amateurvoetbal’. Die opmerking van de pvv'er tekent precies wat de 25-jarige Mohammed Mohandis, voormalig landelijk voorzitter van de Jonge Socialisten, zo problematisch vindt aan de huidige discussie in Nederland: 'Of het nou gaat om hangjongeren op straat of een oververtegenwoordiging van Marokkaanse jongens in de criminaliteitscijfers, alles wordt maar islamisering genoemd. Maar jongeren gaan echt niet met de koran in de hand een oud vrouwtje beroven. Dat heeft niks met het geloof te maken.’
Het stoort Mohandis dat steeds weer allerlei discussies door elkaar lopen: 'Ook bij deskundigen. Progressief Nederland gaat veel te veel mee in het publieke debat over de islamisering, het heeft het eigen verhaal niet scherp. Het begint in dat soort discussies vaak bij de straatcultuur en de criminaliteit, en dan eindigt het bij de imam. Maar de imam heeft geen invloed op de straatcultuur. Als Marokkaanse jongens oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers, dan moet de discussie daarover gaan. Dat verbinden aan de islam en dan ook maar meteen aan de hele groep migranten de zwarte piet uitdelen, daar storen jonge Marokkanen zich aan. Het mag niet zo zijn dat steeds weer de hele groep ter verantwoording wordt geroepen voor diegenen die zich misdragen.’
Mohandis gelooft ook niet dat de drie zetels verlies van de pvda in Gouda bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart rechtstreeks verband houdt met de angst voor de islam: 'Witte, boze burgers lopen weg omdat ze houvast verliezen, houvast dat juist de pvda hun altijd bood: een baan, hypotheekrenteaftrek voor het eigen huis waar ze voor hebben geknokt. Die kiezers voelen zich nu direct in hun bestaanszekerheid bedreigd. In dat klimaat scoort Geert Wilders met zijn uitspraken, met het wijzen naar zij tegenover wij. Dat doet hij soms zo knap dat het moeilijk te weerleggen lijkt. Probeer het maar eens in een café waar ze tegen je zeggen: maar christenen hebben toch ook geen vrijheid in zus-of-zo-land? Waarom zouden wij de islam dat dan wel gunnen?’
Mohandis vindt dat de oppositie te veel achter Wilders aan rent: 'De oppositie is bezig een doelpunt afgekeurd te krijgen, terwijl ze al lang met 1-0 achter staat. Ik mis een sterk verhaal met een gemeenschappelijk doel. Dat is volgens mij het beste politieke weerwoord. Een verhaal van hoop tegenover al dat chagrijn, een droom over waar Nederland over twintig jaar staat en hoe de kinderen van Fatima en Ali daar net als de kinderen van Henk en Ingrid in passen.’
Voordat Mohandis politiek actief werd, hing hij ook op straat rond. Hij kent de Goudse straatcultuur die in de afgelopen jaren nogal eens de media haalde en waar Wilders het leger op af wilde sturen van binnenuit: 'Als jongen van Marokkaanse ouders word je veel te vroeg losgelaten. Het heet dan dat jongens hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat kun je op die leeftijd helemaal niet aan. Onder het machogedrag van die jongens zit heel veel machteloosheid, angst en onzekerheid. Je hebt geen houvast. Het is eigenlijk een schreeuw in de woestijn. Om uit die straatcultuur te komen, dat is echt knokken.’
Zelf is hem dat gelukt door te studeren, zich sterk te maken voor zijn eigen buurt en door al op jonge leeftijd politiek actief te worden. Afgelopen juni stond Mohandis op een 35ste plaats op de pvda-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer, vijf plaatsen te laag voor een zetel. 'Ook ik kreeg aan het eind van de basisschool het advies om naar het vmbo te gaan, maar dat was te laag ingeschat. Dat had de onderwijzer mijn ouders echter aangeraden en voor mijn ouders, eerste generatie Marokkaanse Nederlanders, is een onderwijzer een autoriteit en daar luister je naar.’
De eerste generatie ziet volgens Mohandis de oververtegenwoordiging van hun kinderen in de verkeerde statistieken ook: 'Dat knaagt aan ze. Ze zeggen ook tegen me: ik snap niet dat ze ons toen geen Nederlands hebben geleerd. Dan proef ik boosheid, onmacht. Heel geëmotioneerd zijn ze dan. Maar er was natuurlijk een aantal redenen waarom ze de taal niet leerden. Ze dachten dat ze teruggingen. Ze waren hier vooral bezig te overleven. De Nederlandse overheid stelde geen normen, er was te veel vrijblijvendheid als het om het leren van de taal ging. Mijn vader moest vooral werken.
Veel van die oudkomers die nu tussen de vijftig en 65 jaar zijn steekt het dat ze nu wel de taal door de strot geduwd krijgen. Ik begrijp die emotie, vooral als je weet hoe moeilijk het voor velen was om hier te overleven. Maar ik zeg steeds tegen ze: toch is het geen excuus om nu de taal niet te leren. Het is nodig om mee te kunnen doen.’

MOHANDIS wil de overlastgevende straatcultuur niet goedpraten. Integendeel. Hij stoort zich juist aan de manier waarop progressief Nederland daarop reageerde: 'Dan kwamen ze met allerlei argumenten waarom die jongens zich zo misdragen en relativeerden ze dat gedrag. In de jaren tachtig werd je door het opbouwwerk beloond als je je als jongere misdroeg. De overheid had weinig visie op het jongerenwerk. Daardoor kwam het dat er een buurthuis was voor de vijftien jongeren die de buurt het leven zuur maakten. Alle aandacht ging uit naar rotjochies. Maar ze hadden de overgrote groep kinderen die zich wel gedroegen met elkaar moeten leren spelen. Dat betuttelknuffelen! Terwijl je als politicus natuurlijk moet zeggen tegen de buurtbewoners die last hebben van hangjongeren: ik ga zorgen dat jij weer veilig over straat kunt.’
Mohandis vindt het nog steeds jammer dat tien jaar geleden partijgenoot Paul Scheffer zo verketterd werd om zijn spraakmakende essay Het multiculturele drama. 'De pvda had toen de agenda kunnen zetten. Maar alles wat je wilde benoemen, alle culturele clashes, werd afgedaan met de opmerking: heb respect voor elkaar. Liet een jongetje op school zich negatief uit over een homoleraar, dan werd dat onder het mom dat we begrip moesten hebben voor die cultuur gerelativeerd.’
Die relativistische houding ziet Mohandis ook bij oud-links, zoals hij dat noemt, als het gaat om misstanden in een moskee: 'Dan zie je steeds dat ze redenen zoeken om het goed te praten. Maar als een salafistische imam uitspraken doet die schuren aan de rechtsstaat, dan moet je je daar als progressief Nederland tegen uitspreken. De sociaal-democratie moet beter doordenken waar ze staat in het religiedebat en hoe ze wil omgaan met religie in de openbare ruimte. Is religie bijvoorbeeld echt privé of mag je het ook uitdragen? Als mijn partijvoorzitter demonstratief naar een katholieke kerk gaat waar een priester de communie niet wil uitdelen aan homo’s, dan wil ik dat ze ook in actie komt bij een orthodoxe moskee als een imam in Nederland zegt dat een homo er niet bij hoort. Maar daar zie ik haar niet. Als je staat voor religieuze vrijheid moet je één dikke lijn trekken.’
Bij die religieuze vrijheid hoort volgens Mohandis ook een overheid die niet denkt in groepen: 'Praten met de groep, dat is in Nederland de toverformule. Maar de moslims zijn niet één homogene groep. Iedereen voelt zich anders. Je hebt culturele moslims, orthodoxe moslims, ietsisten, alleen-met-de-ramadan-moslims, niet-moslims. Er is zoveel pluriformiteit.
Eigenlijk was mijn religieuze opvoeding vrij oppervlakkig en dat zag ik ook bij anderen. Pas na 11 september 2001 kwamen er veel vragen. Ook ik ben me toen pas gaan verdiepen in de islam. Je zou kunnen zeggen dat er in grote lijnen twee trends zijn. Er zijn jonge moslims die zeggen: ik ga op mijn eigen manier om met mijn moslim-zijn. En er zijn jongeren die zich verdiepen in de islam, als uitweg, om samen sterker te staan.’
Er is wel één groot taboe: 'Dat is zeggen: ik geloof niet meer. Praten over secularisme is vloeken in de moskee. Maar volgens mij hebben ook orthodox christelijke jongeren een probleem als ze zeggen: ik geloof niet meer. Wanneer individuen het recht hebben om te geloven, dan moet er ook een recht zijn om níet te geloven. Dan mag je niet verketterd worden. Dat recht moet de overheid waarborgen en verdedigen. Als in moslimkringen intolerantie wordt gepredikt tegenover afvalligen, dan moet de overheid zich duidelijk uitspreken: dat mag niet. Eigenlijk moeten de pastoor en de imam dat recht op afvalligheid zelf ook verdedigen. Ze moeten zich realiseren dat dat hoort bij het gelijkheidsbeginsel waar zij zelf ook gebruik van maken: orthodoxe imams hebben hier een vrijheid die ze in hun eigen land vaak niet hebben.’
Mohandis vertelt dat een aantal vrijzinnige jonge Marokkanen een informeel netwerk heeft gevormd om te praten over secularisme: 'Maar dat is nog een heel interne discussie. We praten over onderwerpen als: kun je zeggen dat je niet meedoet aan de ramadan? Kun je de banden met Marokko loslaten?’
Zo komt het gesprek op de gezichtsbedekkende niqaab. Mohandis neemt het woord 'dilemma’ in de mond. 'Persoonlijk heb ik er niks mee. Ik heb het liever niet, ik wil dat een gezicht herkenbaar is. Dat vinden heel veel Marokkanen. Als je dat - een herkenbaar gezicht - in een referendum zou voorleggen, zou dat het halen. Maar het strafbaar stellen van de niqaab vind ik weer moeilijk. Want hoe verhoudt zich dat met individuele keuzevrijheid? Ik worstel ermee. Ik zit wat dat betreft in een emancipatieproces. Misschien dat ik over vijf jaar zeg: verbied die niqaab.’

IN EEN telefoongesprek na het debat over de regeringsverklaring hekelt Mohandis het door de pvv van stal halen van het uit de islam afkomstige begrip taqqiya. 'Met dat begrip taqqiya zegt Wilders dat moslims niet te vertrouwen zijn, omdat ze mogen liegen. Veel jonge moslims weten niet eens wat taqqiya is. De pvv is steeds meer een ideologie aan het ontwikkelen. We moeten niet onderschatten hoe Wilders daarmee steeds meer aanschuurt tegen de rechtsstaat.’
Over zijn eigen omgang met geloof zegt hij: 'Ik ben niet praktiserend. Dat vonden mijn ouders niet gemakkelijk. Maar ik heb het geluk dat ik het ze kan uitleggen. Bovendien heb ik inmiddels een maatschappelijke positie verworven, dat maakt het ook makkelijker. Eigenlijk ben ik cultureel-moslim, met agnostische trekjes. Maar bovenal ben ik een Gouwenaar.’