Opheffer  

Ik ben Churchill niet

Ik heb beloofd dat ik niet precies zou onthullen wie en wat, maar onlangs ben ik ‘gepolst’ voor een politieke functie.
Dat ging zo. Ik werd gebeld door een redelijk bekende politicus en die zei: moeten we niet eens een kopje koffie drinken, ja zei ik, afijn, we dronken koffie en toen kwam de vraag: zou je niet je verantwoordelijkheid eens nemen en… et cetera, et cetera.
‘Nee’, zei ik.
‘Waarom niet?’
‘Nou hierom niet’, antwoordde ik.
‘Ik begrijp je niet.’
‘Ik zal het uitleggen’, zei ik. En ik begon: ik heb geen enkele politieke ervaring, ik schrijf er een hoogst enkele keer over, ik ben niet goed in het debat, ik heb eigenlijk een hekel aan politici en ik vind morgen weer iets anders dan ik vandaag vind. ‘Ja, dan moet je het misschien niet doen’, zei de enigszins bekende politicus. ‘Maar ik ben vereerd, en ik wil wel weten, waarom komen jullie bij mij, want ik hoop dat uit niets blijkt dat ik eventueel op jullie zou stemmen.’
De enigszins bekende politicus knikte en kwam met het volgende antwoord: ‘We hadden een vermoeden wat je misschien zou kunnen stemmen. En wij zoeken maatschappelijk betrokken lieden die goed hun woordje kunnen doen. Jij leek ons zo iemand.’
Ik kon niet nalaten even aan mijn vader te denken. Had hij dit nog maar eens kunnen meemaken, maar goed. Ik kon nu alleen mijn hoofd schudden.
‘Maatschappelijke betrokkenheid, wat is dat in hemelsnaam?’ vroeg ik.
‘Dat je het verschil wil maken’, hoorde ik. Het werd met iedere zin erger.
‘Ik hoor het woord verschilligheid hier uit een grote diepte naar de oppervlakte ploppen, terwijl jullie…’
De redelijk bekende politicus keek bedenkelijk.
‘Je hebt toch wel enig idealisme?’ vroeg hij toen.
Opgelucht kon ik nu mijn neusje fanatiek van het oosten naar het westen laten wijzen. Nee, geen idealisme. Hoe kom je daarbij? Omdat ik schrijf? Kijken jullie dan niet naar wat ik schrijf? Elke regel is gericht tegen het idealisme.
Al vanaf het moment dat ik toetrad tot de redactie van Propria Cures. Zorg voor je eigen zaken. En dat is al meer dan dertig jaar geleden.
We gaven elkaar een hand en ik beloofde de nieuwe partijleden scherp in de gaten te houden. Toen de redelijk bekende politicus vertrokken was, mijmerde ik nog wat na, zoals dat heet.
Ik zou nooit politicus willen zijn. Nooit. Maar waarom eigenlijk niet? Stel, ik kon ‘iets goeds’ doen. Was het dan niet mijn plicht? Nee! schreeuwde alles in mij.
Ergens in je leven moet je zeggen: dit is deze kant, en dat is de andere kant.
Politici bestrijd je, je neukt ze en verneukt ze, maar zelf doe je niet aan dat spel mee. Je staat langs de zijlijn. Je fluit. Je fluit de scheidsrechter uit, je fluit medestanders toe, maar je gaat zelf niet in het veld staan.
Brrr…
Al dertig jaar schrijf ik min of meer over politici – en nog nooit, echt nooit, heb ik ook maar iemand in dat vak ‘beter’ zien worden. Ze worden invloedrijker, handiger, eloquenter, maar het worden nooit muzische persoonlijkheden.
‘En je zou toch best Churchill willen zijn?’ zegt mijn alter ego.
Ja, maar dan ook de hele Churchill. Dan meteen twintigduizend troepen naar Afghanistan sturen en veertig JSF’s kopen en niet zeuren als er dan vijfduizend van onze eigen jongens stierven.
Ik ben Churchill niet.
Ik ben het jongetje dat pest en uitscheldt, de gangen van de school goed kent en het stoeltje voor de kamer van de rector.