Geert-Jan Knoops over missers in de rechtspraak en over tribunalen

‘Ik ben continu op zoek naar m’n grenzen’

Hij is de intellectueel onder de topadvocaten en haalde vorige maand alle journaals met de Zes van Breda. Advocaat Geert-Jan Knoops over gerechtelijke dwalingen, de hype rond slachtoffers, het nut van commandotraining en hoe in Nederland de politiek het recht bepaalt.

Nee, hij heeft nauwelijks zijn bed gezien, de laatste weken van 2012. ‘Dan moet je denken aan vier uur per nacht, maximaal, met alles d’r op en d’r an.’ Het is advocaat en hoogleraar internationaal strafrecht Geert-Jan Knoops (Eindhoven, 1960) niet aan te zien, dezelfde twinkel­ogen, hier in de spreekkamer van zijn kantoor tegenover het Amsterdamse Concertgebouw, als daags ervoor op het nos- en rtl-journaal, die beide openden met zijn jongste juridische succes: de uitspraak van de Hoge Raad tot herziening van het vonnis van de Zes van Breda.

De zes – drie mannen en drie vrouwen – zijn in de jaren negentig veroordeeld voor een moord die ze naar alle waarschijnlijkheid niet hebben gepleegd. Ontlastend bewijs blijkt uit het dossier te zijn gehouden. Bekentenissen kúnnen eenvoudig niet kloppen, getuigenverklaringen rammelen, het bloed op de plaats delict kán niet van de zes veroordeelden afkomstig zijn. Het lijkt de grootste rechterlijke dwaling uit de Nederlandse geschiedenis. Minister Ivo Opstelten verklaart ‘geschrokken’ te zijn. De zes hebben hun jarenlange gevangenisstraf inmiddels al uitgezeten.

Je zult maar onschuldig veroordeeld zijn…

‘De uitspraak van de Hoge Raad is een blijk van erkenning. Opluchting meer dan blijdschap. Het was niet zo dat wij een fles wijn of champagne opentrokken of zo, alles was heel sober. Ik heb ’s middags nog even koffie gedronken met twee van de zes. Ze ervaren het niet als een overwinning. Het is wél een overwinning voor het systeem. Een belangrijke les die ik heb geleerd uit dit soort zaken: het meest onwaarschijnlijke scenario kan waar zijn.’

Het is de vijfde gerechtelijke dwaling die boven tafel komt in luttele jaren tijd. Met succes zocht Knoops heropening van de zaak van bejaardenverzorgster Ina Post, die 22 jaar lang haar onschuld vol bleef houden, en van de zwagers Wilco Viets en Herman du Bois, veroordeeld in de Puttense moord op Christel Ambrosius – vonnissen weggevaagd door de Hoge Raad. ‘Politie en recherche zijn opgevoed vanuit de gedachte: dit is een verdachte en wij zijn ervoor om bewijs te verzamelen tegen die man. We zijn er niet om ook ontlastend bewijs te zoeken. Ik vind dat principieel onjuist en al die steeds terugkerende gerechtelijke dwalingen zijn te verklaren uit het feit dat beroepsethisch er bij het politieapparaat nog onvoldoende besef bestaat dat als blijkt dat jouw hypothese niet staande kan worden gehouden omdat er ander bewijs is, je dat bewijs in moet brengen. Hou het niet achter, voeg het toe! Dat is voor een rechercheur mentaal gezien natuurlijk een belangrijke hobbel. Maar het niet inbrengen van ontlastend bewijs raakt het wezen van de rechtsstaat.’

Hij werkt zich een slag in de rondte, zes dagen per week, vijftien uur per dag. Op tafel volgepende A4’tjes met de dagelijkse agenda van uur tot uur. Uiteindelijk zal dit interview twee keer uitgesteld worden wegens urgentere zaken als een dreigende vervolging van kolonel Thom Karremans vanwege Srebrenica, korter duren vanwege een dringend telefoontje van piloot Julio Poch uit Argentinië, worden onderbroken door tal van interventies van minder illustere cliënten, en uiteindelijk een week later worden voortgezet, ’s avonds na kantoortijd. ‘Julio Poch belt trouwens straks ook weer, na dit interview; zes uur tijdsverschil met Argentinië.’

Zijn vrouw, de advocate Carry Hamburger, brengt frisdrank en Japanse zoutjes. Twee honden lopen in en uit. ‘Carry leidt dit kantoor, ze is ook de managing partner. Dat maakt dat je over en weer begrip kunt hebben voor het feit dat je ’s avonds niet voor acht, negen uur thuis bent. Waarom ik me zo afbeul? Deels zit het misschien in de genen dat je niet stil kunt zitten, productief wilt zijn, iets wilt betekenen in het leven. Maar naarmate je in het vak verder komt, ontdek je meer, wil je nog meer weten en wil je dingen beter doen. We doen op dit kantoor veel zaken waarin we denken dat we ook kunnen bijdragen aan een betere rechtsontwikkeling. We zijn natuurlijk als advocaten primair bezig met een dossier en het bepleiten van een zaak, maar je kunt met een bepaalde casus ook misschien meer betekenen in algemene zin: de verbetering van een rechtssysteem dat nog niet volmaakt is.’

Vorig jaar stapte zijn kantoor zodoende in het Innocence Project, een New Yorkse non-­profitorganisatie van voornamelijk Amerikaanse juristen die, met de nieuwste dna-technieken, omstreden zaken tracht te heropenen. En, al haalt dat minder de headlines dan de Nederlandse strafzaken, hij was en is als adviseur of raadsman verbonden aan de internationale tribunalen voor Joegoslavië, Rwanda en Sierra Leone, het Cambodja Tribunaal en het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hij adviseert president Obama over Guantánamo Bay. Hij zou in hoger beroep Saddam Hoessein bijstaan, maar dat hoger beroep is er nooit gekomen.

‘Die tribunaalzaken zijn in beginsel pro deo. Ik denk dat we hier op kantoor zo’n dertig, veertig procent van de zaken pro deo doen. Commercieel lijd je daarop verlies. Veel mensen denken dat we miljonair zijn, dat zijn we niet. We moeten niet klagen, we kunnen leven, maar we moeten iedere maand de eindjes aan elkaar knopen om alle salarissen te kunnen betalen. We hebben hier twaalf mensen werken, dat betekent dat je iedere maand een x bedrag moet draaien om ten minste het personeel te kunnen betalen. Financieel is het soms moeilijk, laat ik het zo zeggen. Ik heb een rijk leven, dat geeft meer voldoening dan een dik jaarsalaris. Ik ben continu op zoek naar m’n grenzen; mentaal, fysiek, maar ook professioneel.’

‘In 1999 ging ik een gespecialiseerde studie internationaal recht volgen in Leiden, omdat ik gefascineerd raakte door de opkomst van de tribunalen. Het klinkt wat oneerbiedig, maar ik was een beetje uitgekeken op het Nederlandse strafrecht. Het had voor mij niet veel uitdagingen meer, ik wilde iets nieuws. Die tribunalen zijn een soort overtreffende trap in het strafrecht. Behalve over de nodige professionele vaardigheden moet je beschikken over een goed inzicht in de complexe problematiek van een oorlog, zowel politiek als juridisch. Het is een vakgebied dat nog relatief in de kinderschoenen staat en je bent écht bezig het wiel uit te vinden. In het nationaal strafrecht draait het uiteindelijk toch om het winnen of verliezen, in het internationaal strafrecht weet je dat de kans dat jouw cliënt vrijuit gaat buitengewoon klein is, om politieke redenen. Daar ligt het accent dus veel meer op het zorgen dat er een eerlijk proces is, dat er een balans is.’

De interesse voor gerechtelijke dwalingen en het werk voor de oorlogstribunalen zijn eigenlijk twee kanten van dezelfde medaille, vindt Knoops: ‘In beide gevallen kom je in mijn beleving op voor een underdog in een systeem. Bij de tribunalen drukt de enorme macht van de westerse samenleving en van de aanklager op het individu, in de volksmond: de oorlogsmisdadiger. En bij de gerechtelijke dwalingen de veroordeelde, die zegt door het systeem gemangeld te zijn. Maar het huidige kabinet heeft een andere prioriteit dan het oplossen van gerechtelijke dwalingen en de rechten van de verdachte, en dat is de rol van het slachtoffer. Fred Teeven was een kundige officier van justitie en – zeg ik erbij – een sympathieke man, maar zijn accent ligt nu te veel op de bescherming van het slachtoffer, het verruimen van de wettelijke bevoegdheden en het afschaffen van verjaringstermijnen.’

Dat ligt ook goed nu. ‘Ik sta hier voor de slachtoffers’, zei de aanklager van het Internationaal Strafhof, Fatou Bensouda, onlangs in De Groene Amsterdammer. Wat u zegt staat haaks op de tijd.

‘Dat klopt. En ik vind het een heel nobel streven van mevrouw Bensouda, die ik ook hogelijk respecteer, maar ik ben enorm bevreesd dat het doorslaat. De politieke agenda voor de slacht­offerondersteuning bij de tribunalen, maar ook nationaal, hier in Nederland, gaat uiteindelijk ten koste van een zuivere waarheidsvinding. Je ziet hoe bij het Internationaal Strafhof bepaalde processen stagneren door die enorme toevloed aan slachtofferparticipatie. Ik ben er principieel op tegen – en dat is ook de reden dat wij als kantoor geen slachtoffers bijstaan in strafzaken.’

U staat geen slachtoffers bij?

‘Nee, dat doe ik niet. Ik sta verdachten bij, dat is mijn vak – en ik kan niet uitleggen dat ik de ene dag de verdachte bijsta en de andere dag tegenover die verdachte sta in de rechtszaal. Want victims participation betekent dat je vól overgave tegen de verdachte acteert, bewijs inbrengt tegen de verdachte, meedenkt over hoe hem te veroordelen. Ik kan dat niet: dan moet je een dubbele persoonlijkheid hebben.’

Is een dubbele persoonlijkheid niet juist het handelsmerk van advocaten?

‘Ik zeg niet dat het niet kan; er zijn er die het wel doen. Maar de slachtofferparticipatie die zich nu ontwikkelt, nationaal en internationaal, en die steeds verder lijkt te gaan, betekent dat het slachtoffer steeds meer een actief-aanklagende rol gaat krijgen. Maar mijn visie is dat het strafrecht is ontwikkeld als een systeem van normen en beginselen om de burger te beschermen tegen de overheid. Tegen een overheidsapparaat dat zijn macht mogelijk oneigenlijk aanwendt of in zijn machtsuitoefening doorschiet. De Amerikaanse Bill of Rights is vanuit die gedachte geschreven: het recht is van het volk en voor het volk en het volk moet beschermd worden tegen de overheid. In Nederland is het nu omgedraaid.

Het spreekrecht in de zaak van Robert M. is geen goede ontwikkeling. Ik heb zelf ook aan den lijve zaken ondervonden in de rechtszaal waarin rechters geëmotioneerd raakten, hoe begrijpelijk ook, maar je kunt aan een verdachte dan niet uitleggen dat hij dan nog een eerlijk proces krijgt.’

U was vanaf 2005 een tijdje voorzitter van het Willem Pompe Instituut, dat in de jaren zeventig het summum van progressiviteit was. De delinquent als mens en de dader in z’n sociale samenhang. Dat is nu helemaal omgedraaid.

‘Dat klopt. Het geeft ook aan hoe politiek het recht kan zijn. Dat beeld is de laatste vijf tot tien jaar langzaam gaan verschuiven met een acceleratie in de laatste twee, drie jaar, vooral onder het kabinet-Rutte I. Er is de schreeuw om bestrijding van de criminaliteit. Het aantal misdaden is gigantisch toegenomen, waardoor de politiek onder druk komt te staan om resultaten te leveren. En resultaten behaal je mede doordat je een goeie beeldvorming hebt, en die beeldvorming creëer je doordat je het slachtoffer op de agenda zet en niet meer de persoon van de verdachte.’

En dus ontstaan er heksenjachten op terroristen en op pedofielen…

‘Ja. Het laatste voorstel van minister Opstelten om verdachten te dwingen mee te werken om wachtwoorden vrij te geven op hun computers, met name als ze verdacht worden van ontucht met kinderen, is natuurlijk het meest bizarre voorbeeld van de uitwassen van het systeem dat slachtoffers in het vaandel heeft staan. Hoe kun je nou een verdachte dwingen om aan zijn eigen veroordeling mee te werken?’

Dat is een oud rechtsprincipe.

‘Ja. Opstelten heeft eigenlijk al bij de presentatie gezegd dat hij zich realiseert dat dit een probleem is, maar het feit dat je dan tóch het wetsvoorstel doet, geeft aan hoe groot de druk is op de politiek. De kleur van de politiek bepaalt de juridische kalender.’

Recht was niet zijn eerste keus. Van huis uit is hij leraar en soldaat. En nog steeds is Knoops reserveofficier bij het Korps Mariniers, sinds kort met de rang van luitenant-kolonel. ‘Ik was twintig, hoofdonderwijzer biologie en lichamelijke opvoeding en ik moest in dienst. Ik zei tegen mezelf: ik kan twee dingen doen; ik kan ergens in een kazerne m’n tijd uit gaan zitten, of ik kan er iets van maken. Ik wil bij de marine, naar zee. En ik kwam terecht bij het Korps Mariniers in Doorn, de opleiding tot reserve­officier. Daar krijg je gedurende negen maanden een commando-achtige opleiding waarin je de meest bizarre dingen moet doen – met stoep­tegels in je rugzak lopen en dat soort dingen. Ik heb wel eens gedacht: waar ben ik mee bezig? Toch zeg ik, nu terugkijkend: het is voor mij echt een vorming geweest. Ik voelde me niet echt volwassen, wist eigenlijk ook niet wat ik met het leven wilde. Ik ben helemaal geen militarist, maar het heeft me veel gebracht, ik heb er veel vrienden aan overgehouden en het heeft mij ook veel meer inzicht gegeven in wie ik ben. Door een speling van het lot moest ik een paar keer voor de militaire krijgsraad voor een marinier optreden als raadsman – dat kan als niet-jurist. Toen ontdekte ik dat ik advocaat wilde worden.’

Welk inzicht gaf zo’n training?

‘In wie ben ik. Waar sta je voor als het er echt om spant? Hoe belangrijk is het om op te komen voor je medemens? Zeker in zo’n commando-opleiding van negen maanden, waarin je mentaal en fysiek door het diepste dal gaat dat je je kunt voorstellen, maar waar je dan tóch nog je medemens moet helpen om die er ook doorheen te trekken. Kies je voor jezelf of voor de ander? Die keuze waar je voor staat zien we natuurlijk dagelijks in de samenleving in het groot terug, zeker in mijn vak. Waar sta ik voor als het moeilijk wordt? Nog steeds denk ik: wat zou ik doen als ik in een situatie kom waarin je moet kiezen tussen je eigen leven en dat van anderen?

Een van de meest indrukwekkende zaken die me is bijgebleven is de zaak van Michel Bagaragaza, de directeur van de Rwandese theeplantages ten tijde van de genocide die ik heb bijgestaan in het Rwanda-tribunaal. De man die toen de kapitein van de Interahamwe, de extremistische Hutu-militie, aan de deur kwam, uiteindelijk geld gaf en brandstof en eten voor de manschappen die op weg waren naar de nabijgelegen heuvel waar elfhonderd Tutsi’s zijn afgeslacht. Hij wist dat dat ging gebeuren. Hij wist ook dat de week tevoren een zakenrelatie van hem op dezelfde wijze was benaderd en was vermoord toen hij weigerde.’

De man koos voor zijn leven. Wat zou u zelf gedaan hebben?

‘Pfoe… ik… Het feit dat ik daar nu lang over moet nadenken betekent dat ik daar nog steeds geen antwoord op heb. Ik vind dat bijna onmogelijk. Ik vertel deze casus vaak aan studenten op de universiteit en onthul dan niet de afloop. Dan zeg ik: dit is de casus, wat beslist u? Daarna vraag ik: wat zou de rechter beslist hebben als u kiest voor uw leven? Daar kun je toch niemand op afrekenen, is meestal het antwoord. De rechter besliste dus anders en heeft gezegd: het is strafverzachtend, maar het is geen verontschuldiging. De meeste studenten die je dit voorlegt begrijpen niet dat het internationaal strafrecht die keuze als een strafwaardig handelen aanmerkt. Want het is een onmogelijke keuze. “Er is geen enkel excuus, ook niet je eigen leven, om een onschuldig iemand te doden of te laten doden”, zegt de rechter. Ik heb daar eigenlijk moreel geen antwoord op.’

Hij heeft Eric O. verdedigd, de Nederlandse sergeant-majoor die ervan verdacht werd in Irak een burger te hebben doodgeschoten. Hij staat Thom Karremans bij, de tragische commandant van Dutchbat in Srebrenica. En natuurlijk de drager van de Militaire Willems-Orde, Marco Kroon – al lag deze laatste zaak minder principieel. Hij verdedigt ze met een gepassioneerde vasthoudendheid. Heeft over Eric O. zelfs een boek geschreven. ‘Ik vind dat die mensen, hoe je verder ook over de zaak denkt, een optimale verdediging verdienen, want ze hebben iets gedaan, of getracht te doen, voor de samenleving, voor de internationale gemeenschap, niet uit eigen gewin. Daar kun je achteraf van zeggen: dat had anders gemoeten, het is misgelopen, whatever, maar als ze dan in het beklaagdenbankje komen denk ik dat juist die mensen met de grootste zorgvuldigheid – en misschien ook wel, ik mag het niet hardop zeggen, nog meer dan een gewone verdachte – moeten worden bijgestaan.’

Karremans zou niet in het beklaagdenbankje zitten als-ie niet naar Srebrenica was gestuurd.

‘Klopt. En nu is-ie potentieel verdachte. Het is een rechtspolitieke keuze die je maakt als je zegt: we geven meer rechtsbescherming aan de militair. Dat betekent dus dat als er onschuldige burgers worden gedood in een missie – en in Afghanistan zijn er natuurlijk veel incidenten geweest met bombardementen – deze burgers minder mogelijkheid hebben om hun recht te halen. Dat is de consequentie. Maar ik vind dat te rechtvaardigen.’

Het is de avond voor de sabbat. Al is hij ‘nog steeds katholiek, maar niet praktiserend’, hij houdt ‘voorzover mogelijk’ de sabbat, vanwege zijn vrouw Carry, uit respect voor zijn schoonfamilie, vanuit een ‘enorme affiniteit met het jodendom’. Het is tevens de enige vrije dag in een hectisch leven.

‘Ik ben niet echt praktiserend joods in de zin dat ik alle 613 geboden en verboden uit het oude testament volg. Als er iemand belt vanaf het politiebureau zeg ik niet: het is sabbat – dan zou ik niet eens de telefoon mogen aannemen. In zo’n geval breekt nood wet. Ik was al geïnteresseerd in het jodendom voordat ik mijn vrouw leerde kennen. Max Moszkowicz senior, een van mijn leermeesters, vertelde me vaak over de talmoed, het deels geschreven, deels ongeschreven joodse recht. Het sprak me enorm aan hoe afgewogen dat was, ook qua bewijsregels: één getuige is geen getuige, dat soort dingen. Het was voor mij niet zozeer het religieuze aspect. Ik zie het jodendom, en ook de islam, als leer­systemen, waarvan de religie een onderdeel is. Het is een levenswijze. Hoe bijvoorbeeld ga je in een huwelijk om met elkaar? Hoe ga je om met zieke mensen, hoe met overledenen?

Toen mijn vader overleed, ik was toen 27, zat ik aan zijn sterfbed. Het heeft op mij een enorme indruk gemaakt, maar de dag daarna, twee dagen voor de begrafenis, zat ik op m’n werk en ik voelde gewoon aan: er was iets in mij waardoor ik niet helemaal meer normaal functioneerde. Toen mijn schoonvader David overleed, nu tien jaar geleden, heb ook ik zeven dagen sjiwwe gezeten. Dan ben je dus met de familie samen. Je vrienden en familie komen bij je op bezoek en komen ’s avonds met eten. Dus je hele omgeving zorgt voor jou en je spreekt zeven dagen met elkaar over de overledene. Er worden anekdotes verteld, over wie hij was. Zeven dagen, zeg je dan: moet ik zeven dagen…? Voor mij was het een openbaring. Het is geënt op wat een mens nodig heeft, qua tijd en ritme en ruimte.

In mijn visie mag religie nooit een doel op zich zijn. Het is een middel om het leven zo respectvol en optimaal mogelijk te kunnen leven. Alleen als je het op die manier beziet, wordt het geen fanatisme, dan kun je ook openstaan voor andere visies. Het is natuurlijk utopisch om te zeggen: die 613 ge- en verboden, die kun je dagelijks handhaven. Want dan ben je alleen nog maar daarmee bezig. We moeten gewoon in de ratio van al dit soort geboden zien te leven en dat probeer ik in het dagelijks leven te doen.

Van het jodendom zijn ook de andere rechtssystemen goeddeels afgeleid. Ook de profeet Mohammed heeft er veel van overgenomen. Het is de integratie van een zuiver rechtsdenken met de diepere waarden van het waarom. In het katholicisme heb ik nooit antwoord gekregen op de vraag waarom je als je niet naar de kerk ging straf zou moeten krijgen; waarom kom je dan in de hel? In het jodendom is voor iedere regel een reden. Waarom eet je geen varkensvlees of waarom eet je geen vlees en melk samen? Daar zijn allerlei onderliggende redenen voor te geven.’

Waarom kook je dan een kalfje niet in de melk van zijn moeder?

‘Weet je waarom? Een moederkoe mag je nooit in haar aangezicht haar eigen kind doden. Haar eigen kroost. Dat is in wezen wat er staat.’

Dat is geen metafysica.

‘Nee. We hebben allemaal dezelfde zwak­heden, we hebben allemaal dezelfde vragen, we worstelen allemaal met dezelfde problemen. In het jodendom en de islam is er een horizontale verhouding tussen burger en leermeester. De imam of de rabbijn is je gelijke. Er staat geen kardinaal of priester tussen jou en God. Je zit gewoon samen aan tafel of samen in die synagoge of moskee. Het jodendom en de islam zijn nauw verwant. En ik vind dat vriendschap nog steeds tot de mogelijkheden moet behoren.’

Dus pakt hij door. Na het strafrecht en het internationale recht van de tribunalen is het misschien wel de uiterste consequentie: het maken van een blauwdruk voor vrede in het Midden-Oosten. Hij heeft het al in gang gezet, vorige maand: ‘Onlangs was ik met Carry voor een zaak in Israël en we raakten in gesprek met Israëlische en Arabische collega’s over Gaza. En we zeiden: wij hebben als juristen misschien ook een taak. Omdat je het politieke probleem niet kunt oplossen zonder dat je ook inzicht hebt in de juridische problematiek. Aldus ontstond het idee om met vooraanstaande advocaten van beide zijden een vredesplan op de zetten. Die politici komen daar kennelijk niet uit en wij gaan samen een oplossing op papier zetten en we gaan dat gewoon aanbieden.’

Aan wie?

‘Aan Abbas en Netanyahu. Ik denk dat je rechtstreeks met zo’n groep advocaten naar de twee hoofdrolspelers moet stappen en die bij mekaar moet zien te brengen.’

Maar met wat voor blauwdruk wilt u dan aankomen?

‘Er moet een evenwichtige twee-staten­oplossing komen die juridisch en politiek ­verantwoord is en die ook recht doet aan de ­historie. En ik weet dat er veel debat over is: wat al dan niet voor 1967 behoorde tot de joodse staat. Er is debat over de uitleg van een aantal ­belangrijke verdragen die er toen gesloten zijn. De verklaring van Balfour, de erkenningen door de Britse en Amerikaanse regering, de beroemde VN-resoluties 181 en 242. Je kunt pas aan een politieke oplossing toekomen als de juridische feiten onweersproken zijn en vaststaan.’

Dat staan ze tot op heden niet?

‘Er is groot verschil van interpretatie. Is het bouwen van drieduizend woningen op de Westoever nu wel of niet strijdig met het ­internationaal recht? Daarover kun je ­politiek niet discussiëren als je de juridische feiten niet kent. We zijn heel dicht bij een akkoord geweest, destijds, met Clinton. Wat was nou net dat ­laatste restje dat het niet mogelijk maakte dat Arafat en Rabin het hebben verzilverd? ­Jeruzalem. We moeten bij elkaar gaan zitten brainstormen: jongens, hoe zit dat nou, waar is nou wat afgesproken? Weet je waarom? Wij als juristen ­hebben geleerd om los van onze eigen politieke of religieuze achtergrond of etniciteit te ­debatteren en boven een bepaalde ­materie te staan. Politici, met alle respect, kunnen dat niet. Dat is geen verwijt, dat is een constatering.

We zijn nu een groep van tien, vijftien gezaghebbende advocaten bij elkaar aan het brengen. Wat wij eigenlijk willen doen is het creëren van een breder speelveld voor de politici. Ik zeg er meteen bij: het is ambitieus en misschien wel te ambitieus. Want je vraagt je ook af: wie ben ik? Ik ben slechts een simpele advocaat. Misschien is het volstrekt onhaalbaar, volkomen onrealistisch, bizar. Maar ik zou er graag de laatste jaren van m’n loopbaan aan wijden.’