‘ik ben die palmen niet’

‘HET’ NOEMT ZE het, of ‘er’. Het woord zelf spreekt ze niet uit. Althans, ze gebruikt het niet als het op haarzelf van toepassing is. Ze kan praten over de roem van Elvis Presley of over het sterrendom van Marilyn Monroe. Als ze over zichzelf praat, spreekt ze zinnetjes uit als: ‘Voor ik “het” werd’ en: ‘Ik was “het” nog niet’ en: ‘Ik vond “er” niets onaangenaams aan.’ Connie Palmen zegt nooit expliciet: ‘mijn roem’. In één adem ‘ik’ en ‘beroemdheid’ noemen - je hoort het haar niet doen.

Toch is ze zo beroemd dat iedereen haar verhaal kent. Bijna acht jaar geleden verscheen De wetten; het boek vormde de cesuur in haar leven. Acht jaar geleden werd ze van ‘niemand’ in één klap 'iemand’. De wetten was nog niet verschenen of ze stond al groot in de krant. Ze was op radio en televisie. Haar debuut was binnen de kortste keren the talk of the town, zijzelf een hype. Het was alsof iedereen opeens verliefd op haar was. De recensies over haar boek tintelden van verliefdheid. De interviews met haar vonden bij voorkeur plaats in restaurants met tafellinnen en kaarslicht, ze waren ronduit flirterig.
Maar als je Connie Palmen vraagt, en het is haar natuurlijk heel erg vaak gevraagd, hoe ze de cesuur heeft ervaren, of haar roem haar niet heeft overvallen, dan antwoordt ze iets in de trant van: het verbaasde me eigenlijk niet. Ik heb me er eigenlijk nooit over verwonderd. Eigenlijk vond ik het wel vanzelfsprekend. Ik heb er eigenlijk niet zo veel van gemerkt.
Dat kan toch niet, zeg ik, dat je er niets van hebt gemerkt.
'Het is ook een beetje gechargeerd’, zegt ze. 'Het is niet zo dat ik er niets van heb gemerkt. Al die interviews, het feit dat je foto in de krant staat en dat je op de televisie komt. Ik heb er in zekere zin altijd van genoten en tegelijk ook niet. Het is ook een bron van lichte zelfverachting, omdat ik zeker weet dat het óók ijdelheid is. En je levert geen prestatie. Een interview kun je aardig doen of niet aardig doen, maar je hebt er geen talent voor nodig, er ligt geen vorm aan ten grondslag. Het is meer een bereidheid om het spel mee te spelen.
En je speelt op dat moment een beetje met jezelf. Althans, ik doe dat. Hang óf de clown uit, óf stel mezelf verschrikkelijk aan, óf flirt. Alle dingen waar ik mezelf behoorlijk om kan verachten, zie ik mezelf drievoudig doen voor een groter publiek. Ik heb dat natuurlijk altijd al gedaan, van kinds af aan. Ik veranderde in de nabijheid van een grotere groep, en zelfs mijn eigen familie is al een grotere groep. Ik ben erg gewend om anderen te amuseren, het zonnetje in huis te zijn, de grappenmaker, degene die het luchtiger wil maken.
Kijk, ik heb natuurlijk wel iets van een actrice. Ben goed in toneelspelen. Op de lagere school had ik altijd de hoofdrollen. Als ik de hoofdrol niet had, was ik behoorlijk pissig. De gedoodverfde actrice, de grootste aansteller van de klas - daar komt het op neer. Ik heb nooit, nooit maar enig verlangen gehad om actrice te worden, alhoewel ik wist dat ik dat zou kunnen. Ik heb altijd gedacht: het lijkt me afschuwelijk om Anna Boleyn te moeten spelen, of Julia. Het lijkt me vreselijk om teksten van een ander te moeten uitspreken. In het mediacircus, als je toch moet spelen, speel ik het liefst mezelf. Met teksten van mezelf. Ik breng graag wat verandering aan in het beeld dat mensen van me hebben. Dan zorg ik tenminste voor wat opschudding.’
Het was voor haar niet alleen vanzelfsprekend om het spel mee te spelen. Er was nog iets waardoor ze niet door haar roem werd overvallen: Ischa Meijer.
'Ischa was een goede bliksemafleider’, zegt ze. 'Hij was veel beroemder, ik kon er onder zijn vleugels langzamerhand aan wennen. Ik merkte pas dat ik het zelf was toen ik voor het eerst alleen over straat liep na zijn dood. Daarvóór konden mensen omkijken - het deed me niks. Ze kijken allemaal naar Ischa, dacht ik. En toen ze voor het eerst omkeken toen ik zonder Ischa liep, dacht ik: o, mijn God, dit wordt wennen. Tegelijk denk ik dat het heimelijk een wens van je is om gezien te willen worden. Het is Kees de Jongen. Kijk daar loopt Kees de Jongen, hij is geen gewone jongen. Dat vind ik smerig en vies en voos en ijdel en erg, maar ik geniet er ook van. Het bezorgt je een heel raar soort kennis. Jij loopt gezien en anderen lopen ongezien en je weet wat andere mensen zien: ze zien jou lopen.’
TOEN DE OPWINDING over De wetten voorbij was, bleef Palmen zelf over. Ze was een naam geworden. Een fenomeen. En ook dat verbaasde haar eigenlijk niet.
'Het is vrij moeilijk te verklaren’, zegt ze, 'dat je het ook een beetje gewoon vindt. Dat je misschien ook stiekem hiervan had gedroomd, van een fenomeen worden. Het klinkt zo snel vreselijk ijdel. Als je een fenomeen wordt, is het alsof je nog iets buiten jezelf hebt waar je mee moet omgaan. Je leidt een dubbel papieren leven. Je hebt de boeken die de deur uitgaan en waar ik altijd van gezegd heb: schrijven is een ander lichaam geven aan de geest. En de media leveren er nog een persoon bij. Het is alsof je opeens met z'n drieën bent. Ik ben Palmen van de media, Palmen van de boeken, en mezelf. Misschien omring je je met een aantal afsplitsingen van jezelf omdat je jezelf niet zo bevalt of omdat je minder eenzaam wilt zijn.’
Het is ook een veiligheidsmechanisme. Die Palmen van de media, dat ben jij niet.
'Ja, het voelt inderdaad wel fijn. Hoe openbaarder, hoe verhulder, dat is een beetje een cryptische uitspraak van Ischa. Het openbare is eigenlijk een manier om je te verhullen. In m'n boeken ben ik het meest beschermd en het meest onthuld tegelijk. Ik beschouw het als het beste deel van mezelf. Als m'n huwelijk met de maatschappij, dat wat ik weg te geven heb. Anderen kunnen heel mooi olie uit de grond halen, ik kan dit weggeven.’
Heb je helemaal geen tol voor je roem hoeven betalen?
'Jawel, er wordt een tol betaald. Dat is het vervreemdende effect, die ander naast je. Eigenlijk heb ik dat het meest programmatisch gezegd in Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates. Je geeft op een bepaalde manier zin aan je leven doordat je je naam opvult met zin. Als je naam voor grote groeperingen een naam is die ze kennen, die ze gaan invullen, dan heeft dat te maken met de manier waarop je als individu zin geeft aan je leven. Dat heb je blijkbaar zo gewild. De tol is dat die naam ook opgevuld raakt met dingen waar je geen macht over hebt. Dat die naam het bezit van anderen wordt.
Op een kleine schaal gebeurt dat met iedereen. Mensen in deze straat hebben ook een naam die is ingevuld. Misschien heeft de buurvrouw de pest aan me omdat mijn vuilniszakken te dun zijn of omdat ik er wel eens een fles in keil. Dat is de kleine schaal waarop je naam gevuld raakt met zin. Hoe groter de schaal is, hoe meer je naam gevuld raakt met shit. Hoe meer iemand van zijn naam wordt beroofd. Daarom staat in Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates al de zin: “Die Palmen waar u het over heeft, daar kan ik niets aan doen.” Ik val niet volledig daarmee samen. Voor een deel wel, maar niet volledig.’
HOE BEROEMDER je bent, hoe meer je naam wordt ingevuld door een anoniem publiek. Sta je wel eens stil bij dat publiek?
'Ik denk er nooit over na. Ik ben vrij onthecht van de persoon waar ze over praten. Ik weet dat het gebeurt. Je wordt door sommigen bewonderd en door anderen gehaat en het kan me eigenlijk allemaal - ik zal niet zeggen dat het me worst zal wezen, maar het is niet iets wat me bezighoudt. Ik krijg het soms wel teruggespeeld. Ik heb een fan die helemaal haar fandom beschrijft. Hoe ze dagelijks met me bezig is. Daar ben ik van onder de indruk en tegelijk ook huiverig voor. Vooral om haar geluk. Ik denk: wat moet je een gat hebben in je bestaan dat je het met mij vult. En tegelijk gun ik haar mij, want ik hoef er niets voor te doen. Ik hoef er niet bij te zijn, ik hoef niet op bezoek. Ik ben ook wel blij dat ik dat voor haar ben.’
Dat is toch precies roem: dat je een gat vult in het leven van mensen.
'Ja, dat is zo. Je kunt er heel heroïsch over doen, maar je kunt ook zeggen: dat vind ik eigenlijk wel prettig. Ik geef mezelf een beetje weg op die manier. Ik heb het bewerkstelligd door het schrijven van die boeken. Ik vind het goed dat daar gebruik van wordt gemaakt en ik neem het maar voor lief dat er misbruik van wordt gemaakt. Gebruik me maar, misbruik me dan ook maar. Waar het goede geschiedt, daar geschiedt ook het kwade. Ik heb van tevoren bedacht dat het zou gebeuren en het gebeurt ook. Ik probeer me daar niet door te laten verwoesten. En ik probeer het te blijven beschouwen, die boeken en die roem die ze tot gevolg hebben gehad, als iets goeds. Ook als iets wat goed bedoeld is van mezelf. Ik heb niet het kwade beoogd. En dat die roem zó groot is geworden - ik heb niet om de omvang gevraagd.’
DIRECT AL BIJ het verschijnen van De wetten werd het verhaal van het boek met het leven van Connie Palmen zelf in verband gebracht. In de kritieken en interviews werd de grens tussen fictie en werkelijkheid uitgevaagd. Dat maakte haar des te aantrekkelijker. De media zijn, zoals ze het zelf noemt, een monster. Een lief en soms ook slim monster dat altijd honger heeft. En waar wil het monster het liefst mee worden gevoed? Niet met literatuur, maar met levensverhalen.
'Ik heb het zelf veroorzaakt met De wetten’, zegt ze. 'Ik beoefen een genre in de literatuur dat je met recht autobiofictie kunt noemen. Van mij mag altijd het woord autobiografisch worden gebruikt, tenminste dat ben ik steeds meer gaan toegeven. In het begin was ik daar bang voor. Het zit ook in de stijl in mijn boeken. Zolang ik van de hoofdpersoon geen hoogbenige, donkerharige, domme Groningse maak, wordt het autobiografisch. En dus denk ik: het heeft geen zin om te verhullen dat die stijl heel autobiografisch is. Dat er een werkelijkheid, míjn werkelijkheid, is omgebouwd tot zoiets abstracts als een boek.’
Het gevolg is wel dat er een merkwaardig soort verdubbeling optreedt. De Palmen van de boeken lijkt op de Palmen van de media. Ze is in zekere zin een ongrijpbaar personage geworden: een personage in haar eigen werk en een personage dat door haar roem een rol speelt in het leven van het publiek. Ze werd helemaal de Palmen van de media toen ze een relatie kreeg met Ischa Meijer, meneer de openbaarheid zelve. Twee personages waren ze, in innige verstrengeling. En toen ging Ischa dood en verscheen drie jaar daarop I.M., haar meest autobiografische boek. Het monster dat haar altijd zo had liefgehad, lustte haar opeens rauw.
'I.M. IS NATUURLIJK ook m'n meest provocerende boek’, geeft ze toe. 'Misschien wou ik wel provoceren. Ook om Ischa. I.M. kon bijna niet anders dan provocerend zijn gezien zijn aard en zijn karakter. En door wat hij mij geleerd heeft. Het is natuurlijk provocerend om een onverhuld autobiografisch boek aan te leveren en te zeggen: ik maak uit dat het een roman is. Dan mogen anderen weer uitzoeken wat er romanesk aan is, of waarom het wél voldoet aan de eisen die ik stel aan de roman. Ik definieer de roman in I.M. niet meer als een verzonnen werkelijkheid, maar als een waargebeurde werkelijkheid. Ik schop daarmee tegen het genre.’
En het provocerende is dat je wat heel privé is, een grote liefde, naar buiten brengt.
'Waarom zijn grote liefdes privé? Wat anderen privé vinden, vind ik niet privé. Ik heb een opvatting van privacy die blijkbaar strikt afwijkend is van de gangbare. Maar mijn opvatting zal niet meer afwijkend zijn als in het jaar 2010 tachtig procent van de Nederlanders in All You Need Is Love is geweest. Ik moet er altijd weer vreselijk om lachen dat er strepen staan bij de loketten van het Centraal Station. En dat erbij staat: waarborg andermans privacy. Wat is er nu privé aan een enkeltje Volendam? Wat is in godsnaam de moeite waard om privé te hebben?
Andy Warhol was echt profetisch met zijn uitspraak over vijftien minuten roem voor iedereen. Dat het daarbij allemaal over privédingen gaat, is een van de meest interessante fenomenen van het eind van de twintigste eeuw. Het openbaar maken van wat als privé wordt beschouwd, het is zó anti-negentiende-eeuws. Levens zijn zó veranderd, we zijn zó zichtbaar geworden. De hele wereld is zichtbaar geworden en je kunt er maar beter geen geheimen meer op nahouden. We zullen een era krijgen waar niks meer geheim gehouden kan worden, en ik juich dat toe.’
Ook als het over jezelf gaat?
'Ik sta daar niet om te trappelen, maar ik vind het goed.’
NA HET VERSCHIJNEN van I.M. buitelden de critici over haar heen, iedere zichzelf respecterende columnist haalde naar haar uit. Het voornaamste verwijt: haar roem was roem met voorbedachte rade. Ze studeerde af op de roem van Socrates en in haar scriptie kon je het al lezen: haar keuze voor de openbaarheid die het schrijven met zich meebrengt, het gevaar van de roem, het publieke personage dat je wordt als je eenmaal beroemd bent. Ze had bewust voor de openbaarheid gekozen, in Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates had ze alles al doordacht. De regie van haar roem lag in haar eigen handen.
'Het is ongelogen waar’, zegt ze. 'Ik ben iemand die dingen doet en daar ook over nadenkt. Ik ben niet een bootje dat dobbert op het water en afwacht tot het water woelig wordt of kalm is. Ik dobber niet graag, ik wil het in de hand hebben. Ik wil graag een beetje onnatuurlijk grote controle hebben. Niet zozeer over m'n leven, als wel over m'n gedachten over het leven dat ik leid. En daarmee creëer ik voor mezelf waarschijnlijk de illusie dat ik het ook in de hand kan houden, dat leven. Dat ik niet ontspoor, dat ik niet aan de zelfkant beland en dat het meer de moeite waard wordt. Succes en roem fascineren me, maar het is een grote vergissing om te denken dat het me fascineert omdat het mezelf overkomt of omdat ik het zelf, zeg dan maar, gewild heb. Het fascineert me heel sterk op grond van gedachten die ik heb en die ik wil hebben over deze eeuw.
En dat ik irritant ben, realiseer ik me ook. Ik vind mezelf heel vaak irritant. Irritant stellig, dwingelanderig, grootsprakerig en aanstellerig. Het zijn wel dingen die het gevolg zijn van mijn zelfreflectie. Je kunt me er niet gauw op betrappen dat er iets is wat ik zelf doe en waar ik niet ook nog eens een mening over heb. Blijkbaar wil ik graag advocaat spelen van m'n eigen leven.’
ZE HEEFT NIET alleen over roem gereflecteerd in haar essay over Socrates. Ook in I.M. staat veel behartenswaardigs over roem. Over de gevolgen van film en televisie. De filmcamera levert naast de blik in de spiegel nog een extra blik op jezelf. De blik waarmee je door anderen wordt gezien en die buiten je hoort te blijven, wordt erdoor naar binnen gehaald. Je verliest er je onschuld door. En ze schrijft in I.M. over het verschil tussen roem in Europa en Amerika. Het oude Europa heeft zijn heiligencultus, de Amerikanen creëren hun eigen heiligen: de sterren.
'Ik denk’, legt ze uit, 'dat er aan sterrendom net als aan heiligheid iets van martelaarschap ten grondslag ligt. Ik noem het zelfdestructie, wat een iets moderner woord ervoor is. Sebastiaan en Damiaan, de hele heilige misjpoge bestaat uit heel zelfdestructieve mensen. Ze wilden zich offeren aan iets wat groter was dan zijzelf. Je kunt een heel groot conflict voelen tussen de beperktheid van je bestaan en het verlangen je leven te wijden aan iets groters. Je wilt ontsnappen aan de begrensdheid van je lichaam en je verbijstering over wat het leven is. Dat doe je door toewijding, door opoffering, door dat lichaam naar de knoppen te helpen.’
De heiligen offerden zichzelf op voor een groter religieus ideaal dat ze buiten zichzelf plaatsten. Dat kun je toch moeilijk zeggen van de sterren?
'Ik denk dat de sterren, de heiligen van nu zich opofferen voor dat heel veel grotere publiek. De Ander met een hoofdletter - laat ik het publiek een wat abstractere benaming geven. De Ander is God niet meer. De Grote Liefde, waar je je ook aan zou kunnen wijden, is ook al heel lang bespottelijk gemaakt. De Ander wordt de wereld, het publiek, een anonieme grootheid. Dat is God ook. De Ander wordt datgene wat je overhebt voor andere mensen. Ik wil er niet al te heilig over doen dat een boek geschreven moet, maar je geeft werkelijk het diepst van je wezen voor een deel weg. Je fantasie, je bedenkseltjes, je gedachten - je wilt dat schenken. Dat is jouw manier van ontgrenzing, van het opheffen van de beperking van het lichaam. Je maakt er een lichaam bij. Dat geef je weg, dat offer je voor een deel op.’
Dat klinkt heel katholiek.
'Ik ben ook katholiek tot in mijn vezels. Op het moment dat je dat zegt, haat ik me erom. En toch meen ik het. Ik begrijp ook waarom iemand de paus wil aanraken. Ik heb hem ooit gezien en wilde hem ook aanraken, maar naast mij viel toevallig een non flauw. Stond ik daar godverdomme een flauwgevallen non te ondersteunen, net op het moment dat Johannes Paulus de Tweede langskwam. Stel je voor dat hij z'n hand op m'n hoofd gelegd had. Dan was me al die ellende bespaard die me de afgelopen jaren is overkomen. Ik heb altijd de neiging een pleidooi te houden voor het katholicisme. Het is zo'n grappig geloof, zo'n realistische mixed up sugar world van hoog en laag, theater en ernst.
MAAR IS ER niet een groot verschil tussen God en dat naamloze publiek?
'Ik vrees dat het niet al te veel verschil is, nee. De martelaren wilden de liefde van God winnen voor hun beperkte bestaan en dat doe je als roemzoeker ook altijd. Je wilt bemind worden om wat je gedaan hebt. Het is wederzijdse afhankelijkheid, want ik vind in het publiek het goddelijke en zij vinden het in mij. Dan hebben we er allebei wat aan. Alleen, zij moeten ervoor betalen en ik krijg het gratis.
Het klinkt ongelooflijk, maar ik vind mezelf niet zo belangrijk. Ik weet dat het bij schrijven ook nodig is dat je jezelf niet als uniek ervaart. Er zijn zo veel gedachten waar je van denkt: die hebben anderen ook. Rouw en grote liefde ziet er altijd hetzelfde uit. Maar op het moment dat het je gelukt is een boek de wereld in te sturen, weet je dat dat boek jou ook bijzonder maakt. Ondanks het feit dat je je volkomen gelijk hebt gesteld aan anderen om het boek te kunnen schrijven en het goed te laten zijn, ontsnap je weer aan die beperking. Carry van Bruggen heeft het scherp gezien dat je én distinctiedrift hebt én eenheidsdrift. Je wilt gelijk zijn aan anderen én je onderscheiden.’
Als er geen verschil is tussen God en Het Publiek, is er dan ook geen verschil tussen de middeleeuwse heiligen en Monroe en Presley?
'Zij zijn de martelaren van de roem, ik zou ze onmiddellijk heiligheid gunnen. Als je over de levens van de middeleeuwse heiligen leest, vind je ook een gedoe met seks, drugs, rock 'n’ roll. De Heilige Augustinus was gewoon een vies, geil, goor rock 'n’ roll-ventje. Nog heilig geworden ook. Dan gun ik het Presley evengoed. Het lijkt me prachtig: de hele litanie met heiligen. De Heilige Antonius, we bidden voor hem, de Heilige Sebastiaan, we bidden voor hem, en dan opeens: de Heilige Samuel Beckett, we bidden voor hem, de Heilige Elvis Presley, we bidden voor hem. Zij zijn ons voorgegaan in het goede.’