Interview: Adelheid Roosen

«Ik ben een bak vol»

Adelheid Roosen bedacht, schreef en regisseerde De gesluierde monologen. Al twee jaar is de voorstelling een groot succes. Volgende week vindt een van de laatste uitvoeringen plaats in de Tweede Kamer, voor politici. Een gesprek over moslimmannen
en -vrouwen, seksualiteit, de islam en angst. «Er is óók schoonheid binnen de islam.»

Na alle verhalen van moslimvrouwen dacht theatermaker/regisseur Adelheid Roosen: nú wil ik de moslimman ontmoeten, hoe denkt hij over seksualiteit?: «Als je uitgaat van de verhalen over het geweld, dan ben ik nieuwsgierig hoe de man dat draagt.» Terwijl het seizoen van De gesluierde monologen nog volop in gang was, begon ze zich zomer vorig jaar voor te bereiden op de research voor mannenmonologen.

Adelheid Roosen: «En toen werd het, kaboem, 2 november. Alles raakte bij mij gestold. Ik liep als een gekooide tijger door mijn kamer: wat te doen met het onderzoek voor de mannen monologen? En wat te doen met de media-aandacht die losbrak dwars over De gesluierde monologen heen?»

De impact van de moord op Theo van Gogh was natuurlijk enorm: «De voorstelling speel de op de avond van de moord, opeens werden de actrices bang voor mogelijke negatieve reacties uit de zaal. Met onze voorstelling boren wij dezelfde thematiek aan die onder meer aanleiding was tot de moord. Twee dagen later speelden we in Veghel, waar een islamitische school in brand was gestoken. De theaterdirecteur belde me op om te vragen of ik een inleidend verhaal wilde houden. Dat was goed. De actrices ontwikkelden een enorm weerbare dynamiek. Er is veel veranderd en dat is maar goed ook. Ik zou het erg vinden als deze ge beurtenis zinloos voorbij zou gaan.»

De plannen voor de mannen verdwenen in de ijskast. Het gezelschap ging na intern beraad door met de rest van de geplande voorstellingen van De gesluierde monologen. «Er is soms wel beveiliging nodig», zegt Roosen voorzichtig. «Met de media ben ik nóg terug houdender geworden. Dat deed ik al omdat ik vind dat mensen anders te bevooroordeeld naar het theater gaan. Ik wil het liefst dat een voorstelling is zoals de poppenkast van Jan Klaassen en Katrijn: het gordijntje gaat open, laat je verrassen, gordijntje weer dicht. Kunst moet de kans krijgen om te zijn wat de maker heeft bedoeld. Laat theater toch zélf zijn werk doen.

Maar na de moord op Van Gogh speelde ook iets anders: waar je de focus op legt, dat groeit. Media-aandacht veroorzaakt een eigen dynamiek. Als ik probeer zachtmoedigheid naast de harde kanten te tonen, reageert de media vaak met: ‹Is dat niet naïef?› Het is een wankel evenwicht. Het schip kan net als de Titanic opeens in een paar minuten gaan kantelen. Ik blijf hameren op de schoonheid.»

Met haar benen wijd, haar hoofd zo’n beetje in haar schoot, geeft ze toe dat er bij haar soms angst is voor een vijand die ze niet kent: «Het is ingewikkeld. Het kind in mij heeft de neiging om recht op die vijand af te willen lopen en die te willen ontmoeten. Ik voel dat onze productie voldoet aan een grote behoefte. Er ligt een energetisch potentieel dat in een goede richting gaat. Vrouwen spreken zich met vlammende tongen openlijk uit. In de zaal zitten ook moslimmannen.»

Al twee jaar is iedere uitvoering van De gesluierde monologen een doorslaand succes: uitverkochte zalen en levendige discussies na afloop in de foyer. De pers heeft vanaf het begin unaniem lovend geoordeeld. De vrijmoedige en soms hilarische erotische verhalen zijn vol tedere, subtiele momenten. Poëzie en humor maken de tragiek draaglijk.

De opzet wordt beschouwd als zeer geslaagd, namelijk dat moslimvrouwen met een zachtere blik worden bekeken. Dat was precies Roosens insteek toen ze in navolging van de Vagina Monologen uit 2001 besloot het eenvoudige en penetrerende concept van de Amerikaanse theatermaakster Eva Ensler specifiek te gebruiken voor moslim vrouwen. «We oordelen hard en snel, maar verdiepen we ons nou wel in háár verhaal?»

Ze ging aan de slag voor research door gewoon om de hoek bij de Turkse wasserette te vragen of er een vrouw was die ze kon interviewen. Er trad een sneeuwbaleffect op en wekenlang zat ze in Turkse en Marokkaanse huis kamers te luisteren. Ze sprak met zeventig vrouwen. Hun verhalen vormden de basis voor het script van droog vertelde monologen waarin niets wordt geschuwd: genitale verminking, verkrachting, geweld en de mythe van het maagdenvlies en alle trucjes om dit te suggereren of te omzeilen via anale seks. Het gaat ook over zoete minnaars die volgens de ervaring van moslimvrouwen in tegenstelling tot sommige Nederlandse mannen teder de liefde bedrijven.

Roosens kracht om dit in gesprekken los te maken en te vertalen op een niet-ostentatieve manier heeft te maken met haar persoonlijkheid – hoewel ze de laatste zal zijn om dat hardop te zeggen. Ze leeft zich totaal in. En ze heeft, zegt ze, geen last van schaamte om in gesprekken alles te vragen of zichzelf kwetsbaar op te stellen. Ze merkte dat moslim vrouwen omgekeerd net zo nieuwsgierig zijn naar de seksualiteit en intimiteit van Nederlandse vrouwen. Ze handelt vanuit gelijkwaardigheid en niet vanuit een geïnstitutionaliseerde multiculti-houding.

Adelheid Roosen: «In alle verhalen herkende ik iets van mezelf of vriendinnen. Nooit had ik het idee dat het om vreemde mensen gaat met een vreemde achtergrond. Ik vertel hun dat wij tot voor kort in een vergelijkbare situatie verkeerden: een van calvinisme doortrokken verkrampte seksualiteit en een paternalistische houding naar vrouwen. Bij de eerste try-out vertelden oude Dolle Mina’s over hun strijd.

Wat ik met de monologen probeer is balans in de beeldvorming aanbrengen. Als je vertelt over geweld binnen de islam, of de geloofscultuur, dan moet je óók de bloesem tonen. In de koran staat óók dat zowel de vrouw als de man recht heeft op seks. Uit de verhalen blijkt óók dat Turkse en Marokkaanse mensen zeer erotisch kunnen beminnen. Handen, een blik in de ogen – het is net alsof wij dat zijn kwijt geraakt. Wij leven als consumptie- en pornojunks in een supermaterialistische centrifugemaatschappij. Wij beseffen niet meer wat het gif van het groeikapitalisme met ons doet, namelijk enorme verschraling in emoties en menselijk contact. Nederlandse vrouwen zeiden soms na afloop: ‹O-o-o, doe mij maar een Arabische minnaar›, of, heel Hollands: ‹Is er een cursus waar ik deze intimiteiten kan leren?› Het gaat om wederzijdse bevruchting.

De politiek laat zo veel verpauperen. Vrij ondernemerschap gaat stuk op regels en bureaucratie. Met subsidies is allochtonen hun zelfrespect afgenomen. We hebben asielzoekers jarenlang weggestopt in een wachtkamer. Politici halen het normen-en-waardendebat aan, terwijl ze sinds enkele jaren van de ene quiz naar de andere talkshow dansen. Ze realiseren zich niet hoe beschadigend dat is. Ik bespreek mijn verantwoordelijkheden nooit met iemand. Beschaving is: verantwoordelijk heid nemen, zonder er eindeloos in de publieke ruimte over te lullen.

Ik ben geen cultuurrelativist, ik relativeer ellende helemaal niet en ik weiger ook maar één stap terug te doen van mijn emancipatie. Maar durf eens door de eerste entourage van iemand heen te kijken. Omgekeerd zeg ik tijdens debatten tegen allochtonen vaak: stap eens uit die passieve slachtofferrol. De zwakke kant van de Nederlanders is dat we steeds hulp bieden. De zwakke kant van allochtonen is dat ze niks beters weten dan die hulp aannemen.»

Roosen is op dreef, zoals ze als artiest en theatermaakster bekend staat: gepassioneerd en recht uit het hart. «Ik ben een bak vol», typeert ze zichzelf. Alles doet ze heftig. Ze drinkt haar cappuccino niet maar hapt gretig de vlokken melk uit het kopje. Als ze praat staat ze op om haar woorden fysiek kracht bij te zetten. Legt ze uit hoe haar gesprekken zijn met moslim vrouwen, dan zit er opeens een Turkse of Marokkaanse vrouw aan tafel die met een typische tongval spreekt, met een rollende r, een harde g en met een grappige verwisseling van de lidwoorden.

«Ik heb geen idee waar mijn engagement voor dit onderwerp vandaan komt», zegt ze na een lange stilte. Misschien door haar achtergrond als dochter van een zwijgzame, rechtvaardige vader die als directeur van een metaalfabriek in de Achterhoek te maken had met de eerste generatie gastarbeiders en compassie met ze had? Of het drukkende schuld besef dat ze als kind op de katholieke nonnenschool ervoer? Haar reizen door Afrika? Of – en dat zegt ze en passant – misschien het feit dat ze zelf een incestgeval is? Die ervaring werd pas verwerkt toen ze in gesprekken met lotgenoten zag dat ze niet uniek was en al helemaal niet gek.

Adelheid Roosen: «Herkenning geeft eigenwaarde. Het bespreekbaar maken van intieme kwesties hebben we in Nederland eerder doorgemaakt. Moslimvrouwen beginnen er nu voorzichtig mee. Wij hebben geen idee in wat voor spagaat de generatie jonge moslim vrouwen leeft. Ze voelen pijn omdat ze zuchten onder de knoet van hun broers. Of ze schreeuwen het uit van ellende als hun zusjes opeens kiezen voor een niqaab. Aan de andere kant zitten ze tot in hun vezels vast aan hun achtergrond. Tijdens een repetitie pakte ik een keer de koran. Een Marokkaans meisje, bloedmooi, op hoge hakken en vrijgevochten, zei: ‹Adelheid je bent toch niet ongesteld, want dan mag je het heilige boek niet aanraken.› Ze schrok van zichzelf. Sommige speelsters durven niet hun ouders uit te nodigen voor de voor stelling, waar ze zelf honderd procent achter staan. Hun wereld zit vol met geïnternaliseerde angst.»

Hoewel de reeks voorstellingen na twee succes volle jaren in de Nederlandse theaters stopt, houdt Roosen niet op met het thema: «Het zit bij mij tot in de baarmoeder genesteld als een liefdevol geconstrueerd bouwwerk.» Ze probeert De gesluierde monologen straks te laten opvoeren – weer een combinatie van actrices en amateurs – in zwarte scholen, buurthuizen en blijf-van-mijn-lijfhuizen, zodat ook laag opge leide migranten bereikt worden. Er is belangstelling vanuit het buitenland om het script te importeren.

Alleen, zegt ze mismoedig, ik kan er als kleine zelfstandige ondernemer niet van leven: «Volle zalen betekent nog niet een maandsalaris. Ik moet alles vanaf mijn keukentafel zelf regelen, van de logistiek tot de moeizame rondgang langs subsidiepotjes. Wat ik nodig heb is een maandsalaris en een rechterhand.»

Volgende week wordt het stuk met de huidige bezetting opgevoerd in de Tweede Kamer. Femke Halsema heeft daarin het voortouw genomen. Ayaan Hirsi Ali (die ooit een gastrol speelde in deze voorstelling) heeft het vanuit haar gevangenschap ondersteund.

«En geen camera’s a.u.b.», roept Roosen. «Laat kunst gewoon zíjn waarvoor het is bedoeld en ruk het cadeau niet open met mediageweld. En laat politici vrijuit reageren op wat ze zien.»