Interview George Steiner

«Ik ben een boodschapper»

George Steiner vroeg zich in zijn Nexus-lezing af of er wel een verband is tussen kunst en fatsoenlijk gedrag. «Het wegdrijven op de klanken van Mahler smoort de hulpkreet in de straten.»

In Errata, de autobiografie uit 1997 van de schrijver en filosoof George Steiner, staat een anekdote die opvallend veel overeenkomsten vertoont met een film die een tijdje terug in de bioscopen draaide. The Mighty vertelt het verhaal van twee jongens in hun kwetsbare schooljaren. De een is dik en te zachtaardig, de ander kreupel en te intelligent. Om beter opgewassen te zijn tegen de gruwelen van de jeugdjaren sluiten ze een verbond. De onzekere jongen met het logge lijf en het kleine varkensneusje wordt het weerbare onderlichaam van zijn kreupele, hyperintelligente buurjongen die, bovenop zijn schouders gezeten, als zijn brein fungeert en zijn fantasiewereld openbreekt. Samen kunnen ze de wereld aan en dromen ze over het heldenleven van King Arthur. Samen zijn ze de machtigste ridder aller tijden. Steiner, die op jonge leeftijd in de ban raakte van een boek over wapenschilden vol bloemrijke namen van torens en bastions, sloot in zijn studentenjaren een overeenkomstig verbond. Zijn wapenbroeder ontmoette hij aan het eind van de jaren veertig op de universiteit van Chicago. Daar deelde «het bevoorrechte joodse mandarijntje», zoals Steiner zichzelf placht te noemen in Errata, zijn slaapkamer met Alfie, een ex-paratroeper die elke spier in zijn lichaam kon beheersen. Ik zit met Steiner in zijn hotelkamer in Amsterdam en zijn ogen lichten op als ik de naam noem van zijn oude kamergenoot: «Nooit meer heb ik zoiets gezien. Onze slaapkamer had een stapelbed. Alfie hurkte op de vloer en sprong in een keer op het bovenste bed. Als een kikker. Hij kon de spieren in zijn onderrug tot staal maken. Zelfs Noerejev heb ik dat nooit zien doen.» Het pact dat de erudiete, door boeken omgeven student met deze paratroeper sloot, was als volgt: Steiner hielp Alfie aan zijn diploma en in ruil daarvoor bracht deze hem in contact met jazz, poker en vrouwen. «We gingen samen naar Dizzy Gillespie. Alfie droeg een combatknife bij zich om mij te beschermen. Ik had het goed getroffen.» De avond dat Steiner voor het eerst met voorzichtige schreden het pad der liefde betrad, nam zijn gespierde kameraad hem na afloop op de schouders mee terug naar de universiteit. Niet alleen het onderstel maar ook het brein van de ridder was nu een echte man geworden. Steiner glimlacht en fluistert: «Alfie heeft me geleerd om geen angst voor vrouwen te hebben. Maar weinig mannen hebben dat geleerd.» Onlangs was George Steiner te zien in Wim Kayzers televisieprogramma Van de schoonheid en de troost. Nu was hij op uitnodiging van het Nexus Instituut naar Tilburg gekomen om een lezing te houden over het thema «Het vaarwel van de muzen». Steiner hield een pessimistisch betoog over de afbrokkelende Europese cultuur. «Wat is de treurigste versregel uit de Engelse poëzie?» vroeg hij het erudiete gezelschap met op de voorste rij stoelen een peinzende Tatyana Tolstaya en een somber ogende Roger Scruton. Zijn antwoord luidde: Nymphs and Shepherds dance no more. Met deze zin, afkomstig uit Arcades van Milton, gaf hij aan dat in een Europa waar metafysische wanhoop en ontologisch nihilisme hoogtij vieren, de kans groot is dat de muzen voorgoed zullen zwijgen. George Steiner stond in het Nexus-programma aangekondigd als «een van de laatste echte hommes des lettres, een briljant intellectueel die nagenoeg de hele Europese geschiedenis kent». Als kind van een joods-liberaal gezin uit een Tsjechisch-Oostenrijks milieu groeide hij op onder de dreiging van de oorlog en met de stem van Hitler op de radio. Wonend in Parijs en op Manhattan leerde hij in drie talen denken, spreken en slapen, en las hij met zijn vader al op zeer jonge leeftijd Homerus. Die prille liefde voor de taal heeft zich gemanifesteerd in een scala aan boeken over literatuur, filosofie en dichtkunst die de 71-jarige Steiner op dit moment op zijn naam heeft staan. Het is wellicht daarom niet zo vreemd dat hij maar weinig waardering kan opbrengen voor de huidige generatie die lijdt aan gsm-, internet- en oranjekoorts. En gelijk heeft hij. Maar toch stuit zijn cultuurpessimisme me tegen de borst. Als kind van de huidige generatie voel ik mij verplicht om tegen zijn sombere woorden in te gaan. Wij schrijven toch ook mooie boeken, wij spelen toch ook prachtige muziek? Wij weten toch ook wat schoonheid is? De dag na de Nexus-conferentie kreeg ik een uur de tijd om in Amsterdam met Steiner te spreken. Het werd een gesprek dat bijna de mist in ging omdat ik het in mijn hoofd haalde om «the godfather of funk» James Brown in een zin te noemen met Mozart en Michelangelo. Steiner - die overigens Bond verstond in plaats van Brown - gaf aan dat hij weigerde antwoord te geven omdat ik mij bediende van domme, goedkope retoriek toen ik een vergelijking wilde trekken tussen het belang van Mozart voor de Europese cultuur en de invloed van James Brown op de Amerikaanse cultuur. Ik kon dan ook vertrekken. Maar nadat ik toch nog de kans had gekregen om te verduidelijken dat ik het over een muzikant had en niet over een filmheld, was mijn vergelijking desalniettemin waardeloos in zijn ogen. «Waar jij het over hebt komt uit Amerika, we hadden het over Europa», beet hij me toe. Daar had hij gelijk in. Vervolgens verklaarde hij dat Beethoven en Bach de natuur van de mens hebben veranderd en dat hij het ten zeerste betwijfelt of er in onze tijd nog muziek zal worden gecomponeerd met een overeenkomstige fenomenale uitwerking op de mens. En hetzelfde geldt voor de filosofie, de literatuur en de beeldende kunst. «Begrijp me niet verkeerd. Ik bewonder Philip Roth en Saul Bellow enorm, maar beiden zijn geen Dostojevski. In theorie is het nog altijd mogelijk dat er een nieuwe Hamlet wordt geschreven, maar» - hij zwijgt even - «daar geloof ik niet in. Amerika heeft veel van onze cultuur overgenomen en veranderd maar het heeft geen grootse filosofie of belangrijke muziek voortgebracht.» George Steiner heeft zich nooit verveeld. Hij kan zich moeilijk voorstellen dat anderen zich kunnen vervelen. Maar de crisis van onverschilligheid die nu Europa beheerst, heeft als gevolg dat de peper heter en heter moet worden. «Uiteindelijk zullen we onze mond branden. Ons staat niet direct een oorlog maar waarschijnlijk een economische catastrofe te wachten. En degenen die dit zullen overleven, zijn degenen die begrijpen wat het belang is van de afzondering. Het alleen kunnen zijn, is de beste bescherming voor iemands persoon en integriteit. Alleen de mensen die niet bang zijn voor eenzaamheid, kunnen in alle rust lezen en naar serieuze muziek luisteren. In Amerika is de angst voor het alleen zijn zo groot dat men niet eens meer in een lift kan staan zonder dat er muziek wordt gedraaid. Meer dan tachtig procent van de jongeren in de Verenigde Staten kan geen boek lezen zonder dat er muziek aanstaat. Maar hoe kun je goede literatuur lezen met de helft van je aandacht gericht op iets anders? Een ander probleem waar we mee te maken hebben is de aantasting van de waardigheid van het menselijk lichaam door de pornografie. Het maak ons zeer kwetsbaar. Waarom denk je dat de mensen op het moment dat ze een concentratiekamp werden binnengeleid onmiddellijk al hun kleren moesten uittrekken? Dat had een doel: je kapotmaken. Het bloot in de musea en de pornografie tast onze persoonlijke levenssfeer aan. Ik denk dat hier een reactie op zal komen. In de Sovjet-Unie zag ik een keer, lang voordat jij geboren werd, een toneelstuk van Toergenjev. Het gaat over een jonge leraar die verschrikkelijk verliefd is op de dame des huizes. Het hoogtepunt van het stuk was het moment waarop zij een knoopje van haar handschoen losmaakte. Toen zij dat deed hield het hele theater zijn adem in. Dat is erotiek. En ik benijd een cultuur waarin dat nog steeds mogelijk is.» In zijn lezing voor het Nexus-instituut uitte Steiner niet alleen zijn bezorgdheid over het verlies van de kunst en de cultuur in het moderne Europa, hij legde zijn publiek ook een belangrijke gewetenskwestie voor. Misschien bestond er wel geen juiste manier om traditie en cultuur door te geven. «Zijn de humanitaire wetenschappen wel zo humaan? » vroeg hij zich af. «Treurnis over Cordelia, het wegdrijven op de klanken van het adagio van Mahler smoort de hulpkreet in de straten.» Naarmate we gevoeliger worden voor muziek, kunst of metafysica, zullen we minder acuut reageren op menselijke behoeften of op politieke wreedheden. Het is dus maar de vraag of het lezen van Proust en Kafka, en het luisteren naar Mozart ons ook werkelijk menselijker kan maken. Kan de oppervlakkigheid van onze tijd wel gered worden door grote werken en grote denkers? Steiner zoekt nog altijd naar een antwoord. «Ik bekijk dit probleem vanuit het oogpunt van de leraar. Ik zie mezelf als een soort boodschapper. Als iemand die zijn leven lang getracht heeft om de belangrijke teksten en kunstwerken door te geven. Ik denk dat we nog steeds niet weten hoe we grote kunst en literatuur moeten doceren. Wij moeten de feitelijke situatie onder ogen zien. Het is verschrikkelijk dat de vernietiging van een museum of grote bibliotheek een diepere impact heeft op de intelligentsia dan de dood van een medemens. Dat is extreem storend. Maar hoe kun je mensen minder zelfzuchtig maken? Ik heb er nog steeds geen antwoord op. Ik weet dat er mensen zijn die het verband kunnen leggen tussen grote kunstwerken en fatsoenlijk gedrag. Maar er zijn net zo goed ongeletterden die met moed en psychologisch inzicht handelen. Laten we een oud voorbeeld nemen: het huis staat in de fik, wat neemt de intellectueel mee naar buiten? De geleerde kiest voor zijn favoriete boek of schilderij. Dat is nog altijd een taboe, net als het feit dat sommige mensen meer van hun hond houden dan van hun medemens. Nietzsche, Wagner, Heidegger, Hitler waren allen hondengekken. Het geven om anderen is een gecompliceerde kwestie. Hoe kun je de menselijke ziel op de juiste manier trainen? Het enige antwoord wat ik hierop kan bedenken is afkomstig van Nietzsche. Hij merkte op dat de nieuwsgierigheid sterker is dan de liefde of de haat. Daarmee doel ik op de man die, op zoek naar een zeldzame orchidee, sterft in de binnenlanden van Borneo. Daarmee heb ik het over de man die een ander doodt voor een zeldzame postzegel of die dag en nacht zijn leven geeft om een wiskundig probleem op te lossen. Zo iemand is gek maar weet tegelijkertijd wat geluk is. Mijn impressie is dat de jongeren van nu misschien aardiger en vriendelijker zijn dan vroeger maar vooral ook leeg. Voor velen is voetbal de enige passie. Een passieve bezigheid. Maar goed, laat ze maar brullen, laat ze elkaar maar afmaken. Jullie zijn gek dat je die voetbalteams hier laat komen. En dat alleen uit hebzucht. Om het geld. Ik voorspel nu: er zullen doden vallen. Als je mensen de keus geeft, kiezen de meesten voor voetbal en bingo in plaats van Sophocles.» De tijd is rijp om weer eens voorzichtig tegen te sputteren. Ik ken genoeg jongeren met een passie, vertel ik hem. En volgens mij is het best mogelijk om van voetbal te houden en tegelijkertijd een geweldig boek te schrijven. En is het niet altijd het geval geweest dat alleen een kleine elite zich bezighield met de verheven zaken van het leven? Alleen in die laatste opmerking kan Steiner zich vinden. Volgens hem bestaat er een essentieel verschil met vroeger: «Op dit moment heeft een semi-geletterde meerderheid binnen de consumptiemaatschappij de macht in handen. Dat heeft drastische gevolgen. Er gaat in Engeland geen dag voorbij of een kleine boekhandel, een theater of kleine krant moet worden opgedoekt. Daarnaast heerst er een nieuw soort woede onder degenen die nooit eerder privileges genoten. Vroeger bleven mensen uit de lagere klassen in Engeland thuis. Ze aten kool terwijl het regende. Nu gaan ze naar de Costa Brava en maken alles kapot. Ze menen dat ze recht hebben op de zon. Het toerisme vernietigt de plekken waar vroeger de stilte heerste en waar men rustig kon nadenken. Alleen als we inzien dat we gasten van het leven zijn, zoals we ook andermans gasten zijn, zullen we onze planeet behouden.» Volgens Steiner zijn het met name de joden in diaspora die begrijpen wat het betekent om gast te zijn. «Indringerschap is wellicht onze roeping opdat onze medemensen ervaren hoe zij dienen te leven als elkaars gasten in het leven », schrijft hij in Errata. Het zou een schande zijn als «de duizenden jaren van openbaring, van roeping tot leed, van de berg Moria tot Auschwitz, als laatste consequentie zouden hebben de stichting van een tot de tanden bewapende nationale staat, een land voor de beurs en de maffiosi, zoals alle andere landen». Hoe staat hij op dit moment tegenover Israel? «Ik geloof dat het beter is om zelf dood te gaan of de eigen natie op te heffen dan een ander mens te mishandelen. Ik heb vanaf het begin geweten dat Israel zou moeten martelen om te kunnen overleven. Voor mij is die prijs te hoog. Ik haat nationalisme. Geef me een typemachine, een tafel en ik ben thuis. Israel is een van de meest nationalistische en militante samenlevingen in de wereld. Ik weet dat het dat moet zijn. Misschien gaan mijn kinderen er toch heen als ik dood ben. Dan zullen de Israeliërs mij vervloeken omdat mijn kinderen zullen profiteren van iets waartegen ik heb gevochten.» Voordat ik wegga, vraag ik aan Steiner of hij later in zijn leven nog een keer bij Alfie is langsgegaan. Hij schudt ontkennend zijn hoofd. «Hij heeft ergens een garage. Maar ik heb hem nooit meer opgezocht. Dat is beter zo. Je moet herinneringen laten voor wat ze zijn.»