Componist Jacob ter Veldhuis overschrijdt de grens van het banale

Ik ben een brave Hendrik

Tot hij de multimedia ontdekte was Jacob ter Veldhuis ‘gewoon componist’. Toen ging Amerika door de knieën voor zijn uit spraaksamples gehouwen soundtracks. Sinds 2000 is hij onder de naam JacobTV booming business.

EEN WAANZINNIGE, perpetuum mobile-achtige gitaarsolo van Jimi Hendrix-achtige intensiteit, perfect gesynchroniseerd met gesamplede stemmen van woest klinkende mannen, schuimbekkend motherfuckend met de blinde razernij van de onderkant. Grab It! is spijkerhard maar ontroerend, scheurend als rock maar te complex en te doortrapt, te digitaal vooral voor zomaar een retro-zuipavond in Paradiso. ‘Avant-pop’, bedacht een slimmerd in Amerika.
De componist die in 1999, oorspronkelijk voor saxofoon, dit minidrama produceerde was dan ook geen twintigjarige gitaarheld maar een toen 47-jarige Nederlandse componist met keurige papieren, die in Groningen bij Willem Frederik Bon en Luctor Ponse compositie en elektronische muziek had gestudeerd. Ondanks zijn technologische kennis en een verleden als rockmuzikant, in zijn Groningse gezellenjaren als talent gepamperd door Herman Broods manager Koos van Dijk, componeerde Jacob ter Veldhuis tot op middelbare leeftijd 'gewoon’ symfonieën, kamermuziek en concerten die 'gewoon’ werden uitgevoerd op niet de minste podia. Zijn Tweede symfonie (1986) schreef hij in opdracht van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Zijn Toccata voor piano (1991) maakte op programmeur Friedrich Hommel van de roemruchte Darmstädter Ferienkurse zo'n indruk dat Ter Veldhuis in 1992 in dat mekka van de progressieve muziek zijn eer mocht verdedigen als composer in residence.
Hoe ironisch dat Toccata nu net een pastiche was op het modernistische idioom dat Darmstadt groot had gemaakt. En dat hij er genoeg van had, zonder zich ervan los te kunnen maken. Terwijl hij volgens de regels van het spel hedendaagse muziek probeerde te schrijven, sprak zijn hart een andere taal die hij onder de pet hield. Weliswaar had hij zichzelf al in de jaren tachtig beterschap beloofd ('Ik dacht: ze bekijken het maar. Ik wil ontroeren en letterlijk mooie muziek schrijven’), het zou nog meer dan tien jaar duren voor hij alle valse schaamte van zich afwierp. Toen voltrok zich tussen de voormalige rockmuzikant en de sluimerende klankhedonist zoiets als een kernfusie. Sindsdien speelt hij op het kruispunt van rock, jazz, techno, nieuwe welluidendheid en videokunst met herboren onbevangenheid alle registers. Begin jaren negentig was Jacob ter Veldhuis een buitenstaander met een kleine aanhang. Een paar jaar later zou alles anders zijn.
De opname van zijn eerste drie strijkkwartet-ten (1995) viel op. Choreograaf Hans van Manen zag het licht, en gebruikte zijn muziek in drie balletten. Ter Veldhuis begon live muziek te combineren met soundtracks, licht- en videobeelden. De eerste boombox-stukken met spraaksamples ontstonden, met de gettoblasters voor de soundtracks op het podium. Voor zijn samples vond hij inspiratie in de Amerikaanse media- en muziekcultuur; fragmenten uit talkshows (Jerry Springer, Oprah), televisiecommercials en documentaires, de stemmen van Chet Baker, Marilyn Monroe en televisiedominees. Vanaf dat moment stond hij midden in het heden. In zijn nieuwe reality opera The News, die volgend jaar in Chicago ten doop wordt gehouden, zal hij samples gebruiken van politici als Berlusconi, Obama en Wilders.
Maatschappijkritiek is niet zijn hoogste doel. Zijn inzet, zegt hij, 'is essenties destilleren uit een ongelooflijk volle wereld. Ik maak Berlusconi niet belachelijk, ik analyseer z'n taalgebruik en z'n manier van spreken. Die zijn fascinerend voor een muzikant. Deze man was ooit zanger. Ik probeer de figuur te sublimeren, zijn aantrekkingskracht te begrijpen.’
Helaas, meldt hij, zien ze dat in Rome toch iets anders. Een voor mei geplande preview van zijn opera in het Maxxi Museum voor hedendaagse kunst dreigt vanwege de Berlusconi-aria te worden gecensureerd. 'Ik kreeg een telefoontje uit Italië. Dat de directeur heel enthousiast was over het stuk, maar helaas nogal afhankelijk is van de minister van Cultuur, die weer een goede vriend is van Berlusconi. Schitterend, zei ik: de minister weet van niets, Berlusconi weet van niets, en iedereen begint uit angst alvast te steigeren. Nou, als het echt zo ver komt, is het vast interessant voor la Repubblica. Terwijl ik het er helemaal niet om doe. Als ik controversieel ben, is het altijd onbedoeld.’
Naast de aardse, rauwe boombox-stukken, die via de Amerikaanse underground langzaam maar zeker tot de bovenwereld doordrongen, schreef Ter Veldhuis hemelse muziek waarin hij zich zonder enige reserve overgaf aan een lang onderdrukte schoonheidsdrang. Het harmoniemodel, noemt hij dat; een zoektocht naar de mooiste klanken van de wereld, perfect afgewerkt als het ei van Brancusi. De bijna ondraaglijke welluidendheid van zijn oratorium Paradiso (2000), met videobeelden van Jaap Drupsteen, is de kitsch voorbij. Die ommezwaai heeft iets opgeleverd; een nieuw en groot publiek, wereldwijd. In de VS is hij hot. In 2007 organiseerde het New Yorkse Whitney Museum een festival rond zijn werk. In januari speelde de wereldberoemde saxofonist Branford Marsalis in de VS zijn Tallahatchie Concerto met de US Navy Band. 'Daar stapt een zwaar gemedailleerde spreker het podium op en het volkslied wordt aangeheven. Duizenden Amerikanen zingen uit volle borst de Stars & Stripes. Ik was geroerd. Ik dacht: dit hebben wij niet, deze grandeur, dat perverse chauvinisme.’
Waarom duurde het zo lang voor je je taal vond, terwijl je het modernisme al lang zat was?
'Ik ben een brave Hendrik, een pragmaticus die had geleerd binnen de ongeschreven wetten van de moderne muziek zijn metier te bedrijven. Maar mijn Derde strijkkwartet (1995) heet niet voor niets There Must Be Some Way out of There, besef ik nu. Ik was daar bezig een eigen geluid te vinden en uit die benarde veste te breken, dat sektarische klimaat van de moderne muziek.
Het is een lang proces geweest. Mijn Tweede symfonie was al een poging. De pers sprak van zigeunerachtige neoromantiek en Chinese filmmuziek. Toen wist ik nog niet dat het not done is om de grens van het banale te overschrijden. Terwijl ik me daar zo inhoud, zie ik nu. In het derde deel val ik toch terug in de Lutoslawski-achtige expressiviteit die toen en vogue was.
Begin jaren negentig kwam ik door een house exchange met een Amerikaanse componist in New York terecht. Daar werd ik pas goed geconfronteerd met het feit dat Amerika voor mij altijd het beloofde land was geweest. Daar ontstond de muziek die me heeft gevormd. Niet alleen pop maar ook jazz, ook Coltrane, ook bebop en natuurlijk blues. Als puber voel je je misdeeld - dan identificeer je je met de zwarte Amerikaanse mannen die hun liefje kwijt-raken en de vrachttrein richting Chicago nemen. Maar Amerika was voor mij ook het land van Charles Ives en Terry Riley, van minimal music en Frank Zappa. Ik voelde toen heel sterk dat ik daar iets mee wilde, ik wist alleen niet hoe.’
Het echte keerpunt kwam in 1992 in Darmstadt. Tragikomisch verliep de confrontatie met de Oost-Europese componisten die voor het eerst in hun leven kennis kwamen nemen van de laatste ontwikkelingen in de westerse hedendaagse muziek. 'Ze schrokken zich het lazarus van wat ze hoorden. Helmut Lachenmann of de complexiteit van Ferneyhough, die daar toen heel populair was, daar begrepen ze niets van - die jongens kwamen regelrecht uit een Sjostakovitsj-cultuur, die wilden mooie muziek horen. Maar Reich vonden ze sensationeel en dat herkende ik. Wat ons verbond was een innige behoefte aan spirituele muziek die toen langzaam begon door te dringen in het Westen.’
De Russen hoorden in Darmstadt niet alleen zijn Toccata, maar ook zijn Postnuclear Winterscenario voor piano. 'Dat is zo minimal als wat. Ik schreef het, in één dag, toen in 1991 de eerste Golfoorlog uitbrak en cnn al een derde wereldoorlog voorspelde, met een postnucleair scenario voor die regio. Het stuk is een stil protest, een uitdrukking van mijn sprakeloosheid, bijna “lege” muziek, maar het was een belangrijke coming out voor me, al wist ik nog niet waarom.’
Toch is het gek dat je zo naar die eenvoud zocht. De popmuziek waar jij affiniteit mee had was ook complex. Dan moet de complexiteit van de nieuwe muziek je hebben aangesproken.
'Daar zit wat in. Koos van Dijk huurde in 1973, 1974 voor onze band een schooltje in Nieuweschans aan de Duitse grens. We repeteerden in een lokaal met een schoolbord waarop ik akkoordschema’s en ritmes noteerde. Dan zag ik bandleden soms wat meewarig kijken. Er was inderdaad een fase waarin we ons verlekkerden aan de complexiteit van de hedendaagse klassieke muziek. Maar op een gegeven moment dacht je: ik mag maar twee maten grooven en dan moet ik weer in de pas.
In mijn studietijd schreef ik aan een vriend: ik wil niet zo worden als m'n leraren. Ik wil communiceren met m'n publiek, ik wil proberen tot een synthese van genres en stijlen te komen waarbij ik precies kan doen wat ik wil. Ik denk dat dat is gelukt. Dat werken met samples en steeds meer video, dat is m'n metier, daar heb ik het gevoel dat ik iets toevoeg. Maar wát je toevoegt, dat is steeds meer de vraag.’

JE HEBT in 1999 het einde van de kunst voorspeld. Kunst, schreef je toen, zou geleidelijk overgaan in design. Wat bedoelde je?
'We zijn dat stadium al gepasseerd, voor muziek als design luister je naar Sky Radio of Classic FM en zelfs onze nationale zenders gaan die kant steeds meer op. Wat ik ook bedoelde, en misschien vind ik dat nog steeds, is dat het publiek niet meer gelooft in één kunstenaar die grote dingen maakt. Ik denk dat we heroïsche types als Wagner of Beethoven na alles wat er in de kunst is gebeurd niet snel meer zullen terugzien. We leven in een tijd waarin we met behulp van computers zulke gelikte vormen kunnen creëren dat de allerindividueelste uiting van allerindividueelste gevoelens verleden tijd zal zijn. De manipulatieve mogelijkheden van technologie zijn onbegrensd. Je kunt je afvragen wat de betekenis van kunst nog is nu we Photoshop en al die waanzinnige muziekprogramma’s hebben. Wat ik hier aan digitale geluidsbibliotheken in huis heb, je gelooft je oren niet. Creativiteit lijkt amper nog vereist, met Garageband op een iPad wordt iedereen een Paul McCartney. Je staat in veel opzichten niet meer boven je publiek. Dat maakt dat je als componist steeds inventiever moet worden, wil je nog boeien.
In zijn boek Empire of Illusion, dat ik heb verslonden, citeert Chris Hedges Philip Roth. Hier: “We live in an age, Philip Roth wrote, in which the imagination of the novelist lies helpless before what will appear in the morning newspaper: 'The actuality is continually outdoing our talents, and the culture tosses up figures daily that are the envy of any novelist.’” Dat gevoel herken ik. Als lezer lees ik ook nauwelijks fictie meer. Voor ik begin moet ik elke keer weer die hobbel nemen: wat is de noodzaak, gaat dit ergens over?’

De eerste week van april speelt JacobTV op verschillende podia in achtereenvolgens Heerlen, Eindhoven, Amsterdam, Middelburg en Zwolle. Info, beeld, geluid et cetera: www.jacobtv.net