Interview Hedy d’Ancona

«Ik ben een creatieve!!»

Hedy d’Ancona kan na een lange politieke carrière van het leven gaan genieten. Ze komt echter nog steeds tijd te kort. Ouder worden vindt ze niet erg. «Het is een godsgeschenk om als bejaarde theezak zo verliefd te worden.»

Ze dacht zeeën van tijd te krijgen toen ze het Europees Parlement anderhalf jaar geleden verliet, maar komt nog steeds tijd te kort. Haar televisietoestel is zo opgesteld dat ze kan kijken terwijl ze zit te werken aan de grote glazen tafel. Zoon en dochter zijn alweer enige jaren het huis uit, maar dochter heeft haar hond min of meer achtergelaten. Die is vanochtend meegegaan met de Doggie Dogs. «Weet je hoe duur dat is?» vraagt ze verontwaardigd, haastig eraan toevoegend dat «die vrouwen» het wel verdienen.

Hedy d’Ancona (63) woont écht op de mooiste plek van Nederland. Haar woonkamer vangt alle licht van de wereld en kijkt uit op, tikkeltje links, de Magere Brug, en majestueus aan de overkant, Carré. Spectaculaire kunst aan de muur, amaryllissen op tafel, een sierlijke boekenkast in de rug, ontworpen door Herzberger junior. Deze vrouw viert het leven op grootse wijze. En het is haar gelukt in het laatste stuk van haar beroepscarrière daar te zijn waar ze ooit begon. «Ik ben terug bij mijn wortels. Ik schrijf. Ik zit in een heleboel besturen. Ik kan zeggen wat ik wil.»

Ze is net terug van een bezoek aan Duitsland, waar ze opperrechter Jutta Limbach interviewde in het kader van een documentaireserie die ze samen met Ireen van Ditshuyzen maakt voor de televisie. «Zij is voorzitter van het Bundesverfassungs Gericht. Ze is de machtigste vrouw in Duitsland. Een progressieve dame, links in de SPD. Heeft haar hele werkende leven een weekendhuwelijk, haar man verzorgde de kinderen. Ze is 67 en wordt aangesproken op haar moederlijkheid. Terwijl ik denk: nou, supermoeder, dat valt wel mee. Heel koket. Feministisch. Aardig ook. Leuk!»

Vergeleken met «keien» als Limbach voelt D’Ancona zich «tutje min». Ze is geïntrigeerd door vrouwen die het ver geschopt hebben, niet ondanks hun vrouwzijn maar dankzij hun vrouwzijn. Zelf is ze hier het prototypische voorbeeld van: zowel in verschijning, stemgeluid als temperament bespeelt Hedy d’Ancona nog steeds met verve het vrouwelijke register. Als ik haar vraag, geschriften van roergangers als Simone de Beauvoir en Anja Meulenbelt indachtig, of het voor vrouwen niet een drama is om ouder, lees onaantrekkelijker, te worden, is het heel even stil voor ze zegt: «Laat ik dan maar in hovaardij zeggen dat ik mezelf helemaal niet zoveel minder aantrekkelijk vind geworden. Ik hou het proces wel bij, en zie alle rimpels en lellen, maar ik vind het uiterlijk verval niet zo dramatisch. Natuurlijk zijn vrouwen die dertig jaar jonger zijn mooier en vacuüm getrokken. Maar ik hoef niet met hen in competitie.»

Hedy wordt geliefhebd. Haar huis is een warm Aat Veldhoen-bad. Ze hoeft niet met hem samen te wonen om zijn hartenkreten alom aanwezig te doen zijn: «Voor lieve Hedy, van Aatje» staat in zwierige letters op de etsjes in de keuken en de grote schilderijen aan de muur boven, op de kleine snuisterijen in de vensterbank en de vaas op tafel, tot in de fruitschaal aan toe. Maar ook vóór ze deze grote liefde tegen het lijf liep, nu vier jaar geleden («een buitenkansje, een absolute bof»), en ze zeven jaar alleen was, voelde ze zich in de verste verte niet gemankeerd of uitgerangeerd. «Ik stoorde me aan die hunkerende 55 plus-vrouwen. Stel je niet zo aan, dacht ik. Ik vond die vrijheid wel comfortabel, na zo’n leven van altijd maar mannen. Het is lekker dat je niet meer de hele tijd alles in die groep van twee hoefde te gooien, altijd maar voorstellen: zullen we… Als je er niet voortdurend op uit bent om met z’n tweeën te zijn, kun je gewoon een gezellig bestaan leiden, met prettige vrienden en vriendinnen.»

Omdat zij er niet op uit was, kon ze er des te meer van genieten. «Het is een godsgeschenk om als bejaarde theezak zo verliefd te worden. Iemand zo fantastisch te vinden, terwijl je toch enigszins aan het verlebberen bent. En zo fantastisch te worden gevonden. Dat iemand je nog zo liefdevol ter hand neemt.»

Het brengt ons op Salman Rushdie en de verschijning aan zijn zijde op het Boekenbal. Zonder het minste greintje venijn of ironie dicht D’Ancona de vrouw in kwestie alle schoonheid én intelligentie toe. Ze blijkt vooral getriggerd door «die heel dikke hand» van Rushdie, «zo bezitterig op de schoft van die vrouw». Om tot de conclusie te komen dat «zo’n roem van iedere kale kikker een beeldschone prins maakt».

Deze week wordt ze op voorspraak van de Franse minister voor Europese Zaken onderscheiden voor hetgeen ze als politicus heeft bewerkstelligd voor vrouwen, migranten en minderheden. In het Europees Parlement was ze aanvankelijk voorzitter van de Commissie Rechten voor de vrouw, en zette in die hoedanigheid geweld tegen vrouwen en meisjes op de politieke agenda. Ook beijverde ze zich voor de individualisering van het vrouwenrecht op het gebied van sociale zekerheid. Daarvóór, begin jaren tachtig, was ze staatssecretaris Emancipatiezaken onder minister van Sociale Zaken Joop den Uyl. Over de huidige stand van de emancipatie van vrouwen en mannen is D’Ancona ronduit opgewekt.

«Het is allemaal behoorlijk goed gelukt. Er is heel veel veranderd. Op het gebied van onderwijs en arbeidsmarktparticipatie zijn achterstanden ingehaald. Ik vind die meiden nu superbekwaam. Ze kunnen alles: organiseren, koken… Jongens hebben er lang niet zoveel bij gekregen, maar die kunnen toch ook wel eh… Bloemen in een vaas doen, heel goed eten koken. Nou, dat was in mijn tijd echt uitzonderlijk. Maar nog steeds zijn er weinig vrouwen op topposities. Ze zitten niet daar waar de beslissingen worden genomen. Dat is niet gelukt. Terwijl, als je ziet hoeveel vrouwen er studeren, en wat ze niet allemaal kúnnen!»

Misschien was jouw generatie wat monomaner, kijken vrouwen nu wel drie keer uit voor ze zich veroordelen tot een negentigurige werkweek.

«Maar ik heb ook altijd heel veel dingen tegelijk gedaan! Terwijl ik studeerde, deed ik aan cabaret. Nadat ik was afgestudeerd, ben ik bij de televisie gaan werken. Ik werkte bij de vakgroep sociale geografie en later planologie, en was actief in allerlei buitenparlementaire actiegroepen. Toen ik het geknuffel in achterkamertjes zat was, ben ik lid geworden van de PvdA. In 1974 had ik een bijbaantje als lid van de Eerste Kamer. Ik heb altijd zoveel gecombineerd. Maar misschien kon dat in de jaren zeventig, tachtig, ook beter. Er heerst nu zo’n ongehoord hoog arbeidsethos. Toen kwam je ’s ochtends binnen met je krantje en praatte je wat. Nu heeft iedereen al meteen het schuim op de lippen staan.»

Volgens D’Ancona zijn de tijdgeest van veel geld verdienen en de grote mobiliteit op de arbeidsmarkt, «voor jou tien anderen», debet aan de fuik waarin veel mensen zich tegenwoordig bevinden. «Om acht uur zijn ze klaar met hun werkdag en dan kunnen ze langs de schappen in die monstersupers omdat die tot tien uur ’s avonds open blijven. Of ze eten in de stad hun verdiende geld op. Iedere zondag al die winkels in de stad open! Dat is toch ongehoord! Iedereen zit in een molen van misselijkmakende consumptiedwang. Op zondag spoeden al die provincialen zich naar die geile Bijenkorf. Ze nemen niet de moeite om langs de gracht te lopen, maar veroorzaken van de Weesperstraat tot aan de Bijenkorfgarage een diarree van auto’s. En dan je de hele week maar weer te pletter werken.»

Iemand als Dorien Pessers vindt dan ook dat vrouwen niet mee moeten gaan in die gekte, maar het lef moeten hebben om thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen.

«Ja, maar daar ben ik het natuurlijk ook niet mee eens. Alsof het thuis zo leuk is! Je moet blijven duwen en trappen. Je moet je niet volstrekt uitleveren aan het systeem, maar van binnenuit veranderen. Vrouwen maken het zichzelf zwaar door zo perfectionistisch te zijn, door overal in te willen uitblinken. Mijn dochter en haar vriendinnen zijn zo kritisch op zichzelf, terwijl ze zoveel kunnen. Je moet niet op alle onderdelen willen scoren. Het bedrijfsleven en de politiek zouden juist blij moeten zijn met generalisten, met mensen die de andere kant van het leven zien. Die vergadertijgers zou je niet moeten willen hebben. Die moeten stage lopen om het gewone-mensen-leven te leren kennen. Je hebt de andere blik gewoon nódig.»

Zonder spijt constateert ze dat de vrouwenbeweging verleden tijd is. «Ja, je hebt de rooie dozen en de grrls. Zij vinden het niet nodig om zich nog te organiseren. Ze zien dat de vrouwen emancipatie nog niet voltooid is, maar vinden het een individuele kwestie om door te dringen op de plek die je wil. Als zij dat vinden, dan kan ik wel roepen: ‹Dat vind ik niet›, maar je moet natuurlijk realistisch zijn. De uitspraak van Cisca Dresselhuys, ‹Het feminisme is nog springlevend in Overijssel›, vind ik treurigmakend. Ik vind dat je het leuk moet vinden wat er veranderd is, en er ís gewoon veel veranderd, en blijven analyseren wat onbeweeglijk is gebleven. Ik zou het buitengewoon down vinden om een vrouwenbeweging te hebben die alleen uit grootmoeders bestond. Dat vind ik echt armoedig.»

Wat is onbeweeglijk gebleven?

«Ik denk dat vrouwen nog steeds beter zijn in het creëren van faciliteiten voor mannen, opdat mannen hun gang kunnen gaan, dan dat ze dat zelf doen. Zolang er geen kinderen zijn, gaat alles nog wel een beetje fifty-fifty, maar zogauw er een kind is, gaat alles mis. Maar ik kan me dat ook wel weer voorstellen. Een echte topbaan is niet te combineren met het hebben van kinderen.»

Zoals ze zelf ondervond toen ze minister van WVC werd, in 1989. D’Ancona: «Het ministerschap trekt een onmenselijke wissel op je persoonlijke bestaan. Ik was de onbetrouwbaarste die er maar te bedenken was. Afspraken, beloftes, ik kon me nergens aan houden, op het thuisfront dan. Dat je dat meer dan één periode zou doen, zou voor mij onbegrijpelijk zijn.»

Waarom ben je geen lid van de Tweede Kamer geworden, maar koos je voor Europa?

«Ik vond Europa interessanter dan het gekrakeel en gemier op het Binnenhof. Ik pas als persoonlijkheid ook niet in de Kamer. Ik ben een creatieve. In Europa kreeg ik meer ruimte, en hoefde ik mijn plek niet te bevechten. In de Tweede Kamer heerst een ontzettende onderlinge competitie. Er zijn veel mensen hoor, in zo’n grote fractie. Er wordt gevochten om woordvoerderschappen. Wie zit er vanavond bij Den Haag Vandaag? In Europa kon ik me bezighouden met wezenlijker zaken.»

Als ik suggereer dat zij toch wel zal gedijen in zo’n competitieve sfeer, reageert ze verontwaardigd. «Helemáál niet! Ik ben absoluut niet competitief. Ik zeg dit niet omdat ik het zo fantastisch vind van mezelf, maar ik ben altijd gevraagd voor de dingen die ik heb gedaan. Ik heb mijn hele leven niet dit (duwt haar ellebogen naar achteren) hoeven doen. Ik heb nooit anderen voorbij hoeven streven. Nogmaals, dat vind ik niet bewonderenswaardig, want er zit ook wel iets eerlijks in strijd. Het is meer zo dat ik dan niet op m’n best ben. Ik zie het als mensen het doen. Vóóraan op de foto terecht willen komen, op de goeie plek gaan zitten. Het is ordinair en gênant. En nog naarder om zelf te doen. Het gaat ten koste van je creativiteit.»

Na haar ministerschap keerde D’Ancona terug naar het Europees Parlement en werd voorzitter van de Commissie Openbare Vrijheden, waaronder drugs- en asielbeleid vallen.

In Europa zat je wel weer heel erg in de luwte, of niet?

«Het Europees Parlement lijkt wat dat betreft wel een beetje op de Eerste Kamer, ja. Het nadeel is dat mensen niet weten wat je doet, behalve te hoge declaraties indienen. Maar uiteindelijk gaat het er toch om dat je de instrumenten en de mogelijkheden die je hebt om invloed uit te oefenen, hanteert. Dat geldt ook nu bij mijn voorzitterschap van allerlei culturele instanties en van de Novib. Dat is ook invloed uitoefenen, al is het op een behoorlijk bescheiden manier. Maar je hoort bij zo’n plek.»

Zoals ze ook altijd bij de partij zal horen. Gevraagd of er een Kok-moeheid heerst, antwoordt ze met de zucht van de routinier. «Hoe goed mensen het ook doen, er ontstaat altijd een zeker gevoel van ‹nu weten we het wel›. Dat zag je bij Lubbers, bij Den Uyl. Je moet ook de moed hebben om weg te gaan. Ik vind Melkert goed. Spiritueel. Geestig. Intelligent. Toen Kok kwam vond men hem ook te kil. Waarom moeten mensen eigenlijk warm zijn? Een grote linkse partij moet vooral zijn best doen iets uit te stralen van artisticiteit. Den Uyl was geen burgertut, maar een kunstzinnige, creatieve man. Dat vond ik ook leuk aan zo iemand als Felix Rottenberg: hij is iemand met fantasie. En die twee jongens, Booij en Van Bruggen, die toen de race om het partijvoorzitterschap van Marijke van Hees verloren. Leuke jongens!»

De tafel ligt bezaaid met boeken, tijdschriften, papieren. De tijd die ze over zou houden nu ze niet meer in de politiek zit, heeft ze overschat. «Er is te veel. Maar ik ben ook bijzonder gretig. Misschien heb ik deze periode ook wel even nodig.» Uiteindelijk zou D’Ancona de rust en de concentratie willen kunnen opbrengen om iets van langere adem dan een lezing of een column te schrijven: een boek over het leven van haar ouders.

«Ik vind dat zij zo’n dramatisch leven hebben gehad. Mijn vader was jood en heeft de oorlog niet overleefd. Ik heb mijn vader en moeder nooit bewust bij elkaar gezien. Tot mijn negende was ik enig kind. Mijn moeder is hertrouwd. Toen ik veertien was, overleed mijn stiefvader en was ik de oudste van vijf. Ze was nog verliefd op die man toen hij alweer doodging. Mijn moeder overleed in 1980. Ik denk nog zeker wel vier keer per week aan haar en droom elke week minstens één keer over haar. Heel gek, maar altijd dat ik haar verwaarloos en ben vergeten dat ze ziek is. Gelukkig heb ik me in werkelijkheid beter gedragen. Mijn moeder was een enorm krachtige persoonlijkheid, waardoor dat leven zonder vader heel leefbaar was. Ik denk dat ik zo begerig ben en optimistisch omdat ik vind dat als mijn eigen leven zoveel makkelijker is, ik het bijna aan haar verplicht ben me dat ook te realiseren. Haar zorg zou anders wel ontzettend slecht aan mij zijn besteed, als ik onder deze makkelijke omstandigheden niet een dosis optimisme en vrolijkheid hanteerde.»

Maar zadel je jezelf dan niet op met de last altijd maar positief te zijn?

«Vind ik helemáál niet, écht niet. Ik heb echt niet het gevoel dat dat een last is. Mijn persoonlijke en politieke opstelling zijn sterk gerelateerd aan mijn achtergrond, dat wel. Ik weet aan den lijve wat mensen elkaar kunnen aandoen als gevolg van politieke gekte, dictatuur, discriminatie, achterstelling, oorlog. Ik vind het een behoorlijk onverdraaglijke gedachte om zo’n interessante man als mijn vader nooit gekend te hebben. En onverdraaglijk dat mijn moeder daardoor zo’n hard leven heeft geleid. Het confronteert mij met hoe dingen uit de hand kunnen lopen. Maar op een positieve manier. Ik heb een diepgeworteld optimisme dat het anders kan. Daarom ben ik actievoerster geworden en later politicus. Ik ben totaal geen cynicus. De enige reden om je met de wereld te bemoeien, is geloof dat het anders kan.»