‘ik ben een echte woordneuker’

Gesprek met de schrijver van De stem van de meester. Uitgeverij L.J. Veen, 142 blz, f24,90
HOEWEL WE weten dat we er nimmer van mogen uitgaan dat de protagonist in een literair werk samenvalt met zijn schepper, zijn we toch behoorlijk nieuwsgierig als we naar het huis van Gerard van Emmerik fietsen. De personages die hij in zijn tweede verhalenbundel De stem van de meester ten tonele voert maken onveranderlijk een eenzame, wereldvreemde indruk. Ze zappen eindeloos langs de televisiekanalen, bellen uit verveling met een telefonische hulpdienst en luisteren ‘s nachts naar de praatprogramma’s die bij het testbeeld op de televisie te horen zijn.

De enige andere aanwijzing die we hebben over de schrijver Van Emmerik is de foto op de achterflap, waarop hij welwillend in de camera blikt, geflankeerd door Bert- en Ernie-poppen. Een intrigerende combinatie.
Als we zijn huis betreden, zien we dat de poppen op de foto slechts een klein deel van zijn verzameling vormden. Overal in de ruime huiskamer prijken de Sesamstraatfiguren: naast zijn computer hangt een reusachtige Bert, op de vloer naast de boekenkast zit een rij van minstens twintig identieke Ernies, en op de televisie staan de pronkstukken.
Bij een kopje kruidenthee vertelt Van Emmerik (1955) over zijn bestaan als schrijver. Is hij het type auteur dat er op jonge leeftijd al van droomde om boeken te publiceren en in zijn eentje de schoolkrant volschreef?
Van Emmerik: ‘Nee, ik had op school altijd een vijf voor mijn opstellen. Ik ben pas een jaar of zes geleden begonnen met schrijven, toen ik een avondstudie Nederlands volgde.
Ik geef drie avonden per week les, Nederlands als tweede taal, aan buitenlanders zoals au pairs of asielzoekers. En ik geef schrijftraining op de schrijversvakschool ’t Colofon. Je kunt die cursisten de meest wonderlijke opdrachten laten maken. Ze moeten bijvoorbeeld het passen van schoenen beschrijven vanuit verschillende perspectieven, zoals dat van een jongetje van tien, van zijn moeder, van de verkoper, van een videocamera, of vanuit een dooie hond.’
IN ZIJN EIGEN werk maakt Gerard van Emmerik gebruik van vaak wisselende vertelperspectieven. In het verhaal 'Het twaalfde album’ gaat een man op bezoek bij zijn dementerende moeder. Ze heeft haar hele leven albums bijgehouden van de gasten die ’s/zomers het vakantiehuisje achter in hun tuin huurden. Alleen het album van het jaar waarin twee mannen bleken te hebben gereserveerd, is nooit ingevuld. Een groot deel van dat verhaal is gewijd aan hoe de man bedenkt dat het homopaar gereageerd zou kunnen hebben op het gedrag van zijn moeder indertijd. Het perspectief wisselt daarbij soms zo dramatisch dat het geheel een nogal geconstrueerde indruk maakt.
Van Emmerik slikt. 'Vind je?’
Hij denkt even na. 'Wij hadden vroeger ook een zomerhuisje op de Veluwe en daar logeerden een keer twee nichten uit Den Haag. Dat baarde veel opzien. In Het twaalfde album heb ik bewust met die perspectieven gespeeld. Het verhaal gaat over verschillende waarheden: de gebeurtenissen zouden zich op een bepaalde manier hebben kunnen afspelen, maar het had ook heel anders kunnen gaan. De ik-figuur verzint hoe het leven eruitziet van twee mensen die hij eigenlijk helemaal niet kent. Maar misschien moeten mensen het twee keer lezen, of misschien wel 27 keer, voor het helemaal duidelijk wordt.
Toch is het niet zo dat ik van tevoren het thema en de motieven helemaal voor mezelf ga vastleggen. Daar ben ik veel te chaotisch voor. Ik schrijf heel intuitief, maar tegelijkertijd ben ik ook een ontzettende woordneu ker. Per dag produceer ik ongeveer drie zinnen, en die herschrijf ik dan ook nog tachtig keer. Ik probeer met heel weinig woorden iets te beschrijven. Het moet allemaal heel suggestief zijn. De lezer mag van mij zelf verzinnen hoe het verhaal verder in elkaar steekt. Er wordt in boeken vaak veel te veel verklaard. Als iemand blij of geil is, wordt dat er altijd zo vreselijk duidelijk bij gezegd. De lezer kan dat zelf wel concluderen, vind ik.’
OF HIJ ZELF veel leest, willen we weten.
Van Emmerik: 'Heel weinig, eigenlijk. De krant. Ik houd van Nabokov, maar daar houdt iedereen van. En van Bernlef, en van Reve en A. Moonen. Bernlef schrijft ook heel kaal en sec, hij legt ook maar heel weinig uit.’
En jongere Nederlandse auteurs? Zijn verhalen vol verveling en lethargie lijken precies te passen binnen het veelbesproken gevoel-van-Nix.
'In mijn verhalen worden geen Turkse mensen vermoord of bejaarden neergestoken en verkracht. Ik vind die boeken van de Nix-schrijvers vaak van dat stoere machowerk. In mijn boek zit iedereen ook veel tv te kijken, maar ze zijn wat meer op leeftijd. Die schrijvers van de Nix-generatie missen ook de zelfspot die er bij mij wel in zit. Maar ja, toen mijn personages in een krant een keer kneuzen genoemd werden, vond ik dat ook wel weer erg zielig.’
Zijn verhalen hebben vaak homoseksualiteit als thema.
Van Emmerik: 'Ja, een aantal personages is wel van de club. Maar ik voel me niet echt een homoschrijver. Ik lees een boek dat door een homo geschreven is misschien wel met meer aandacht, maar ik wil het verder niet echt uitdragen. Toen de corrector met mijn verhalen bezig was, heeft hij vaak hij in zij veranderd omdat hij gewoon dacht dat ik me vergist had.’
Hoewel de personages soms 'van de club’ zijn, gaan de verhalen inderdaad niet in het bijzonder over het clubleven. Waar gaan ze wel over?
'Over mensen die veranderen of een andere identiteit aannemen, al is het maar voor tijdelijk. Vaak weten ze zelf niet goed wie ze zijn. Zoals die vrouw die na het beluisteren van een radioprogramma een ander mens wordt. Opeens gaat ze fietsen en zwemmen en allerlei andere dingen doen die ze nog nooit gedaan heeft.
Daardoor komt ze plotseling ook heel makkelijk met andere mensen in contact. Sommige personages figureren ook in meerdere verhalen. Meestal ben ik na een bladzijde of twintig echt wel over een bepaalde figuur uitgeluld. Daarom schrijf ik ook geen roman, ik moet er niet aan denken om meer dan driehonderd bladzijden met hetzelfde personage bezig te zijn. Maar er zijn er wel een paar op wie ik erg gesteld ben geraakt, en die komen af en toe terug.’
WE PROBEREN toch nog eens of we achter die wonderlijke fascinatie van de schrijver voor Bert en Ernie kunnen komen.
Van Emmerik: 'Ik fiets veel door de stad en dan let ik er altijd op of ik Bert- en Ernie-poppen zie. Mensen die van Bert en Ernie houden vind ik altijd heel prettige mensen. Ik ken tientallen huizen in Amsterdam met een Bert of Ernie voor het raam. Waarom ik ze zo leuk vind? Misschien omdat ik zelf geen kinderen heb. En ze hebben van die weerloze gezichtjes. In De stem van de meester duiken ze ook een keer op. Een man gaat een urinoir binnen en daar staat op de wand: “Ernie huilt”. Dat is heus geen toeval.’
Uit de meeste verhalen doemt toch een wat somber beeld van de mensheid op. Is dat opzettelijk?
Van Emmerik peinst: 'Iedereen vindt mijn werk altijd negatief en triest. Het is misschien niet vrolijk, maar vrolijkheid vind ik zo saai. Zelf kijk ik ook eigenlijk altijd tv. Het eerste wat ik ’s/ochtends doe is met die afstandsbediening teletekst langsgaan. Het is ontzettend verslavend. Ik volg ook niets, ik zit alleen maar te zappen. Misschien lijken de hoofdpersonen wel op mij…’
'Toch ben ik eigenlijk tegen tv- kijken,’ voegt hij er na een korte stilte aan toe. 'Van mij mag er een wet komen die bepaalt dat er op maandag, vrijdag en misschien ook wel op woensdag geen tv-programma’s meer mogen worden uitgezonden. Misschien zou ik dan ook wat meer gaan lezen.’