Een draai maken is als partij niet makkelijk, maar wat helpt is een visie. Neem Derk Boswijk, de cda-landbouwwoordvoerder die deze zomer met een klap zijn ideeën op tafel legde: de natuur moet beschermd worden, stikstof teruggedrongen en die veestapel moet kleiner. Boswijk had er goed over nagedacht. Hij had in de eerste honderd dagen van zijn Kamerlidmaatschap talloze boeren in heel het land gesproken en hij was naar het Malieveld gegaan. En in de luwte van al dat politieke werk dacht het Wetenschappelijke Instituut (WI) van het cda driftig mee.

Pieter Jan Dijkman, directeur van het WI, schreef conceptversies en samen met Boswijk en klimaatwoordvoerder Henri Bontenbal trok hij zich terug op de boerderij van voormalig landbouwminister Cees Veerman. ‘Wij zeiden steeds: Derk, het moet jouw stuk worden’, zegt Dijkman. ‘Ik bewaakte dat de christen-democratische principes erin zouden zitten.’ Samen smeedden de cda’ers de visie die Boswijk zou gaan uitdragen. De partij is geen kritiekloze boerenpartij, maar een brede volkspartij waarin óók plek is voor boeren.

Het tekent het belang van Wetenschappelijke Instituten. ‘Hier kunnen wij aan ideeën werken waarmee Kamerleden op de zeepkist klimmen’, aldus Dijkman. ‘Iemand als Derk doet dat zeer goed, dit is zijn verhaal geworden en hij laat zich ervoor uitfluiten én toejuichen.’ Na het succes van Boswijk klopten ook andere Kamerleden aan bij het WI: of zij ook zo’n visiestuk konden krijgen? ‘Onze eigen partij denkt soms dat hier twintig mensen rondlopen’, zegt Dijkman lachend. Met een armgebaar wijst hij door de ruimte. Een wat chaotische zolderkamer op de bovenste verdieping van het partijkantoor, volgepakt met stapels boeken, hier en daar een fles korenwijn en een portret van Abraham Kuyper. ‘Ik heb hier nog niet eens vier fte zitten.’

Dat is weinig, maar het is een van de beter bedeelde wetenschappelijke bureaus. Alleen de Hans van Mierlo Stichting van d66 heeft iets meer medewerkers en is daarmee meteen de grootste aan een partij gelieerde denktank. Intellectuele concurrenten als de Wiardi Beckman Stichting (pvda), het Wetenschappelijk Bureau (GroenLinks) en de Teldersstichting (vvd) zijn kleiner. De Groen van Prinsterer Stichting (CU) heeft met eveneens vier fte dezelfde omvang als het bureau van het cda. ‘Voor een relatief kleine partij ben ik behoorlijk groot’, zegt directeur Wouter Beekers. ‘Ik ben een heel grote mier.’

Hoe groot hun ideologische verschillen ook zijn, de directeuren maken zich zorgen om hetzelfde: de moeilijke positie die ‘de inhoud’ heeft in het politieke debat en daarmee binnen hun partijen. Iets dat niet alleen zij constateren maar dat in een steeds hogere stapel rapporten wordt vastgesteld. In oktober tikte de Venetië Commissie (Raad van Europa) de Tweede Kamer op de vingers vanwege de eigen rol in het toeslagenschandaal – hun viel meer te verwijten dan het kabinet of de Belastingdienst. Dat was deels te wijten aan de summiere ondersteuning en tijd die Kamerleden zelf vrijmaken voor wetgevingskwaliteit. Kort daarna bracht de Raad Openbaar Bestuur ook een ongevraagd advies uit waarin ze schrijft dat verdubbeling van de ambtelijke ondersteuning in de Tweede Kamer ‘hoognodig’ is.

‘Er zijn heel veel reflecties in de afgelopen jaren geweest die dit zeggen, maar wij doen daar vrij weinig mee’, beaamt Kamervoorzitter Vera Bergkamp. ‘Bij al die rapporten zeggen wij als ze uitkomen dat ze belangrijk zijn, maar wat doen wij concreet met de aanbevelingen?’ Zij heeft om die reden een werkgroep aangewezen onder leiding van Kees van der Staaij (sgp); voor het kerstreces presenteert hij zijn bevindingen. ‘Hun opdracht is niet om het wiel opnieuw uit te vinden, maar juist om te bekijken hoe wij de positie van de Kamer kunnen versterken.’

De Haagse klacht dat inhoud ondersneeuwt is een decennialange echo. Meest recentelijk wordt die vooral door Pieter Omtzigt verwoord; nadat hij zich afsplitste van het cda zit hij met zeer weinig middelen in een hoek van het gebouw. ‘Eigenlijk kan ik mijn wetgevende taak niet zo uitvoeren zoals ik vind dat ik hem zou moeten uitvoeren’, zegt hij op zijn werkkamer. ‘Ik moet een mening hebben over honderden wetsvoorstellen, maar ik heb anderhalve medewerker. En ik heb alleen al een halve medewerker nodig om journalistieke vragen te beantwoorden.’ In zijn afscheidsinterview in Vrij Nederland wees Alexander Pechtold op de schroom om hier hardop over te spreken. ‘Niemand durft te zeggen dat Kamerleden veel meer ondersteuning nodig hebben. De gemiddelde lobbyist die in de Kamer langskomt, heeft tegenwoordig meer ondersteuning dan Kamerleden zelf. Anderhalve medewerker heb je, en daar moet je het mee doen tegenover ministeries met duizenden ambtenaren. Zo hol je de democratie langzaam uit.’

Lobbyist Oliver van Loo ziet al jaren hetzelfde: ‘Het getuigt toch van ongelijkheid dat Kamerleden soms inhoudelijk afhankelijk van ons zijn?’ Hij ziet hoe door gebrekkige ondersteuning zijn invloed soms onevenredig groot is. ‘Soms moet ik mensen niet alleen bijpraten, ik schrijf voor ze. Dan bellen ze mij en zeggen: doe jij het maar. Dan komt mijn tekst inclusief dt-fouten in een motie terecht.’

In 2019 besloot Van Loo om zijn talloze lobbygesprekjes in en rond de Kamer af te sluiten met de informele vraag of Kamerleden genoeg beleidsondersteuning ervoeren. ‘Zij zeiden vrijwel allemaal hetzelfde, maar wilden het niet aankaarten.’ Ook hij zag dat elk pleidooi voor extra ondersteuning van de democratie in populistische tijden al snel wordt verward met zakkenvullen: ‘Op een gegeven moment heb ik gezegd: zal ik het dan maar voorstellen? Dan mogen jullie je erachter scharen.’

Een lobbyist wierp zich zo op als redder van de inhoud. Samen met nog een lobbyist en de historici Geerten Waling en Berend Sommer lanceerde hij in de zomer van 2019 een petitie die ertoe opriep dat ieder Kamerlid zou moeten beschikken over drie inhoudelijke medewerkers. ‘Kwantitatief deed dat weinig, maar kwalitatief werd het zeer goed ondertekend.’ Vooraanstaande schrijvers, rechtsfilosofen, ambtenaren, politici en journalisten ondertekenden de oproep.

Het hielp om het taboe op ondersteuning te verkleinen, zegt Joost Sneller van d66. De pogingen die in de Kamer al zijn ondernomen, kunnen nu wellicht meer steun krijgen. Vlak na Prinsjesdag laat Sneller zijn fractieleider Rob Jetten een motie indienen die oproept tot extra geld voor fractieondersteuning én extra geld voor politieke partijen. ‘Als je het relatief impopulaire idee van meer geld voor de politiek wil behandelen, doe het dan in één keer, was de gedachte’, zegt iemand die het proces van nabij volgde. De Kamer stemt in met een totaalbedrag van tien miljoen euro voor het ondersteunen van parlementariërs en negen miljoen euro voor politieke partijen. Negentien miljoen euro is een schijntje op de rijksbegroting, maar voor de partijen een zegen. Fracties krijgen er een derde bij, politieke partijen de helft. Tijdens het plenair debat waarin dat wettelijk wordt geregeld, zegt Sneller: ‘Van taboe naar meerderheid: het kan soms, heel soms, snel gaan in Den Haag.’

Al is niet iedereen enthousiast. FvD, pvv en SP stemmen tegen, zij blijven het zien als een on eigenlijk cadeautje aan de politiek. Ook de Kamervoorzitter van dat moment Khadija Arib waarschuwt bij Buitenhof: ‘Als de fractie ervoor kiest om meer voorlichters aan te stellen, dan heb je eigenlijk niks aan die ondersteuning.’ Mooi dat extra geld voor ‘de inhoud’, maar wie zegt dat het niet opgaat aan beeldvorming?

Uit een rondgang van De Groene Amsterdammer en het radioprogramma De Nieuws BV onder fracties met vijf of meer zetels blijkt inderdaad dat partijen het extra geld voor Kamerondersteuning aanzienlijk anders besteden. Opmerkelijk is dat van de tien miljoen bestemd voor fracties er 7,6 miljoen euro onuitgegeven blijft liggen. De angst voor grillige verkiezingsuitslagen maakt dat partijen oppotten; wie na een slechte stemuitslag omlaag kukelt, hoeft minder mensen te ontslaan. De vvd heeft met het geld in de afgelopen twee jaar alleen de reserves iets aangevuld en de rest van het bedrag volledig teruggestort. Zij hebben geen behoefte aan extra inhoudelijke ondersteuning.

Uit de rondgang blijkt ook dat het sterk per partij verschilt hoeveel inhoudelijke ondersteuning er rondloopt. Zo heeft de SP voor een relatief kleine fractie van negen man, met 22 inhoudelijke voltijdsmedewerkers, opvallend veel meer ondersteuning dan bijvoorbeeld het cda of de vvd: zij zijn groter maar hebben relatief minder inhoudelijke medewerkers (zie kader onderaan).

‘Deze jaren spant het erom. Worden wij een sociaal-liberaal clubje? Of zijn wij christen-democraten?’

De aanvankelijke angst van Arib is ten dele uitgekomen: er zijn inderdaad voorlichters aangenomen, ten minste zeven, maar het leeuwendeel van het geld is wel degelijk besteed aan enkele tientallen inhoudelijke medewerkers. Daarnaast hebben de ‘Jetten-gelden’ vooral ledenverlies en electorale klappen opgevangen; een partij die versnippert, ziet het inkomen en daarmee de ondersteuning teruglopen. Het heeft dus hier en daar verschraling van de inhoud voorkomen.

De vrees van Arib dat geld bestemd voor de inhoud opgesoupeerd wordt aan andere zaken is vooral op een andere plek uitgekomen. De geldstroom die in de richting van politieke partijen is gevloeid, kwam lang niet altijd terecht op plaatsen waar het ‘de inhoud’ zou kunnen verstevigen. De directeuren van de Wetenschappelijke Instituten zijn kritisch. ‘Ik vrees dat wij uiteindelijk een zwakke lobby hebben gevoerd’, zegt Wouter Beekers, directeur van de Groen van Prinsterer Stichting (CU). Zij kwamen de afgelopen jaren meermalen bij elkaar om hun penibele situatie te bespreken en zelf een vuist te maken. Na de motie van Sneller en Jetten waren ze aanvankelijk gerustgesteld, ze keken tevreden uit naar ‘hun geld’.

Maar in de herfst van 2019 ziet Beekers iets opmerkelijks gebeuren. In de uiteindelijke kabinetsbrief is het beloofde geld overgenomen maar er is geen ‘oormerking’. Het geldbedrag is er wel, maar de garantie die er doorgaans is dat daarvan een deel naar wetenschappelijke bureaus moet gaan ontbreekt. Beekers besluit een mail te tikken aan zijn collega’s van de ideologisch concurrerende bureaus.

‘Ik ben er niet gelukkig mee dat partijen nu zelf mogen beslissen hoe ze het geld mogen verdelen’, schrijft de partij-ideoloog. ‘Het lijkt mij voor onze positie niet goed. Het lijkt mij niet goed dat Wetenschappelijke Instituten steeds moeten bedelen, ik zeg het maar even scherp.’

Tien minuten later mailt Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting (vvd), terug aan de groep. ‘Als het parlement instemt met de gedachte dat de verhoging van de extra subsidie een zaak van de partijen is, dan maak ik mij in ieder geval geen illusies van wat de wetenschappelijke bureaus daarvan gaan zien.’ Van Schies inschatting klopt. De vvd wil geen cent meer overmaken naar de liberale denktank, de relatie tussen de Teldersstichting en de partij is al jarenlang slecht.

Niet alleen vloeit er geen euro van de vvd-partij-kas naar het WI, de weerzin jegens de eigen denktank lijkt geoormerkt geld voor álle wetenschappelijke bureaus te hebben gedwarsboomd. Uit navraag blijkt dat na de d66-motie die oproept tot extra geld er discussie ontstaat tussen de coalitiepartijen. De vvd wil niet dat er geld geoormerkt wordt, politieke partijen en hun fracties moeten dat maar naar eigen inzicht verdelen, vindt zij.

De gevolgen zijn groot. Een motie die bedoeld was om politieke partijen inhoudelijk flink te ondersteunen, leidt juist tot onrust. ‘Binnen sommige partijen ontstond felle strijd’, zegt Coen Brummer, directeur van de Hans van Mierlo Stichting. Twee weken na de brief van het kabinet komt een klein groepje WI-directeuren bij elkaar bij d66 om met elkaar te bespreken waarom ‘hun geld’ op het laatste moment niet is verzekerd en daardoor kan weglekken.

Zoals voorspeld, is de strijd om de inhoud dan al lang verplaatst van de Tweede Kamer naar binnen de politieke partijen. Terwijl de vvd niets geeft aan haar denktank en d66 en ChristenUnie hun geld makkelijk krijgen, moeten de Wiardi Beckman Stichting (pvda), het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks en het WI van het cda intern knokken. Zij hebben electorale klappen gehad, begrotingen zijn gekrompen en de ‘Jetten-gelden’ uitdelen aan iets als het wetenschappelijke bureau, terwijl het ook naar ledenwerving of campagne voeren kan gaan, is allerminst vanzelfsprekend.

‘Ik vind het aan de ene kant heel positief en aan de andere kant heel jammer dat wij allemaal hangen aan Derk Boswijk’, zegt een cda-politicus uit Zaandam tijdens het laatste partijcongres. ‘Hoe komen wij aan 35.000 Derk Boswijkjes?’

Het succes van Boswijk en zijn nieuwe landbouwvisie is niet alleen buiten maar ook binnen de partij opgevallen en het smaakt naar meer. Al vertaalt het zich op het congres niet tot extra geld voor het Wetenschappelijk Instituut dat zo driftig meeschreef aan die plannen. De leden die daartoe een voorstel hebben ingediend wijzen erop dat het WI het belangrijkste platform voor ideeënontwikkeling is – én dat de 37.500 euro die er per jaar naartoe gaat in schril contrast staat met de 1,2 miljoen euro die opgaat aan communicatie. De leden onderstrepen dat de ‘Jetten-gelden’ specifiek bedoeld waren voor inhoudelijke versterking.

Het helpt niet. Het partijbestuur ontraadt de partijresolutie, die uiteindelijk nét te weinig stemmen haalt om te worden aangenomen. Partijvoorzitter Marnix van Rij verwijst naar lopende gesprekken over het ophogen van het budget.

Een week later vindt zo’n gesprek plaats. WI-directeur Pieter Jan Dijkman, de cda-penningmeester en lid van de Raad van State en kritisch partijlid Richard van Zwol zitten aan tafel. De partij stelt vijfduizend euro extra voor in combinatie met een hoop extra taken, het is een schijntje. Van Zwol wordt kwaad, staat op – ‘Ik wens serieus genomen te worden’ – en verlaat het partijkantoor. Na amper een paar minuten binnen te zijn geweest, fietst hij weg.

Inmiddels is het opgelost. Het WI van het cda krijgt voor volgend jaar 120.000 euro, plus de belofte dat het structureel zal worden. Al zegt dat nog niets over de hoogte van het bedrag daarna.

Het is precies het soort situatie waar de andere directeuren ook angstig voor zijn, of het soort situatie die zij zelf meemaken. ‘Dat ik mijn hand moet ophouden bij mijn partij voor rijkssubsidie is krankzinnig’, zegt een van hen. Een ander noemt het ‘niet ideaal’, weer een ander noemt de gelden ‘een cadeautje waar je steeds over moet onderhandelen’. Hun verzet gaat deels over geld, maar is ook principieel. Want wat doet die opgehouden hand met onafhankelijkheid?

De traditionele instituten hechten al decennia aan distantie. ‘Wij zijn een kritische vriend’, zegt Coen Brummer van de Hans van Mierlo Stichting (d66). Pieter Jan Dijkman van het WI van het cda zegt ‘niet in dienst te zijn van het cda, maar in dienst te zijn van de christen-democratie. Het is de kern van mijn werk om vanuit die visie antwoorden te geven op de vragen van de komende jaren.’ Bij het waken over abstracties zoals gedachtegoed hoort ook dat je op gezette tijden de moederpartij van repliek moet dienen. ‘Soms zou ik de Wiardi Beckman Stichting weleens willen uitlenen aan de concurrerende partij’, verzuchtte Wim Kok ooit over de zeer scherpe pvda-denktank in de jaren negentig. ‘Maar soms heb ik ook wel het gevoel dat dat zonder mijn medeweten al is gebeurd.’

‘Van taboe naar meerderheid: het kan soms, heel soms, snel gaan in Den Haag’

Die principiële – en bij vlagen dus hinderlijke – onafhankelijkheid bestaat voor veel van de instituten al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar wordt pas in 1972 bestendigd in beleid met eigen subsidie. Tegen de achtergrond van ontzuiling en dalende ledenaantallen besluit het kabinet-De Jong om wetenschappelijke bureaus te voorzien van steun. Rechtstreekse overheidssteun aan partijen wordt in die tijd nog gezien als ongewenste overheidsbemoeienis.

In het rapport Het publieke belang van politieke partijen (2018) van de commissie-Veling, onder leiding van de voormalige directeur van ProDemos Kars Veling, wordt het veranderende denken over partijfinanciering uitvoerig beschreven. Daaruit blijkt ook dat de angst dat rijkssubsidie wordt verjubeld aan beeldvorming al decennia oud is. Zo is er in de jaren negentig nog altijd verzet tegen ‘algemene subsidies’ zonder duidelijke oormerking. ‘Omdat ze vreesden dat partijen die zouden aanwenden om hun op stemmenmaximalisatie gerichte verkiezingscampagnes te financieren’, schrijven Veling en zijn onderzoekers. Al gaan er in die tijd ook succesvol stemmen op die vinden dat partijen in ieder geval over een deel van de rijkssubsidie zelf moeten kunnen beschikken. Het is de eerste keer dat ‘een principiële grens, hoe dan ook, wordt overschreden’.

Opmerkelijk genoeg zijn het vaak politieke partijen die inmiddels hechten aan het oormerken van geld, zo merkte Kars Veling tijdens het schrijven aan zijn commissierapport. ‘Ik snap dat ook wel. Partijen hebben altijd geld tekort en je hebt WI’s en bedachtzame mensen onder wie ook de penningmeesters die zeggen: breng me nou niet in de verleiding om het geld te gaan toevoegen aan de campagne. Bescherm ons tegen onszelf.’

Het beschermen van de inhoud binnen de partijen is in de afgelopen tien jaar steeds lastiger geworden, blijkt uit begrotingen. Alleen de wetenschappelijke bureaus van de ChristenUnie en d66 hebben stabiele financiën, bij veel partijen fluctueert het en bij het cda is de lijn simpelweg zorgwekkend: van de twee ton die het WI van het cda in 2000 nog kreeg van de eigen partij, was vorig jaar slechts 37.500 euro over. Daarmee ontving het dat jaar precies evenveel geld als het vrouwenberaad. Bij GroenLinks hangt op dit moment in de lucht dat er vanaf 2023 helemaal niets meer van het ‘Jetten-geld’ naar het wetenschappelijk bureau gaat.

Voor een deel is grillige financiering te wijten aan keuzes, maar slechte verkiezingsuitslagen spelen ook een belangrijke rol. Zo heeft de Wiardi Beckman Stichting van de pvda al vijf jaar lang een negatieve begroting, het kampt nog altijd met de electorale slachting van 2017. Het instituut, met een eigen prestigieus kantoor vol hoge boekenkasten en een trots imago, moest zeer sterk inkrimpen toen de partij van 38 zetels terugviel naar negen. ‘Mijn achtergrond is arbeidsrecht en ik zeg ironisch, niet sarcastisch, dat op zo’n moment je beter verstand van arbeidsrecht kunt hebben dan van iets anders’, zegt directeur Klara Boonstra. ‘Het was een fikse reorganisatie.’ Haar budget kromp met zestig procent. Het is een van de redenen dat Kars Veling in zijn rapport ervoor pleitte dat partijen die flink verliezen in trapjes hun geld verliezen, en niet in één klap – inmiddels is dat geregeld.

Voor de Wiardi Beckman Stichting komt die wijziging echter te laat. ‘Wij hebben na het verlies bedacht: we moeten nu niet investeren in grote verre visies, in systeembenaderingen. Het is nu zaak om te toetsen wat mensen in de samenleving ondervinden’, zegt Boonstra. ‘Sindsdien zijn wij veel meer aan actieonderzoeken gaan doen.’ Daarnaast springt ze met het WI zo nu en dan bij als opnieuw blijkt dat de gekrompen Kamerfractie nood heeft aan inhoudelijke ondersteuning. ‘Terwijl ons vizier eigenlijk groter afgesteld zou moeten staan.’

‘Hoe moeten wij de toekomst dan tegemoet gaan?’, schreef de Deense filosoof Søren Kierkegaard in een van zijn toespraken. ‘Wanneer een zeeman op volle zee is, wanneer alles om hem heen verandert, wanneer golven geboren worden en weer sterven, dan richt hij zijn blik niet omlaag naar die golven, want die veranderen. Hij kijkt omhoog naar de sterren. En waarom? Omdat die betrouwbaar zijn.’

Het is het citaat waarmee Pieter Omtzigt zijn boek Een nieuw sociaal contract afsluit. Volgens Omtzigt richt Den Haag zich steevast op de woelige golven – mediarelletjes en beeldvorming – maar raakt ‘de bestemming’ uit zicht. Hij verbindt het aan een pleidooi voor meer denktanks, minder voorlichters en betere ondersteuning.

In het onlangs verschenen Jaarboek parlementaire geschiedenis 2021 wordt somber vastgesteld dat het niet best is gesteld met die partij-denktanks. De reden daarvoor? Het versnipperende partijlandschap. De indrukwekkende WI’s van weleer zijn gekoppeld aan grote volkspartijen waarvan de maatschappelijke relevantie met het slinken van zetels mee is gekrompen. ‘Daarmee neemt onvermijdelijk ook de betekenis van hun wetenschappelijke instituten af, niet als centra van onderzoek, ideeënvorming en debat, maar wel als wegwijzer en inspiratiebron voor de politiek.’

De verschillende directeuren van de WI’s benadrukken juist een verband tussen goed verankerde ideologische instituten en de aantrekkingskracht van politieke partijen op burgers. ‘Partijen zijn sinds de jaren zestig stapsgewijs ijsschotsen geworden die ideologisch afdreven van burgers’, zegt Pieter Jan Dijkman van het WI van het cda. ‘Deze jaren spant het erom. Worden wij een sociaal-liberaal clubje? Of zijn wij christen-democraten?’ Zelfs als je het midden wil zijn, dan zul je dat midden volgens Dijkman scherp moeten definiëren: ‘Kijk naar Duitsland, die Mitte is daar geen grijzig midden maar een welbewuste koers.’

Ook bij de Hans van Mierlo Stichting zien ze zichzelf als een noodzakelijk tegenwicht tegen het groeiende leger van woordvoerders en andere communicatiestrategen. ‘Beeldvorming is natuurlijk van alle tijden, hè? Caesar liet zich al in vol ornaat door Rome trekken’, zegt directeur Coen Brummer. ‘Wij concentreren ons op dat waarvan wij denken dat het goed is voor het gedachtegoed, wij dragen eraan bij dat het denken wordt voortgezet. Uiteindelijk hoop ik, en ook de nadere WI-directeuren, op een volwassen debat.’

Ver weg van Den Haag, in Amersfoort, in het lelijke jarennegentigpand waar de ChristenUnie kantoor houdt, heeft WI-directeur Wouter Beekers het systeemplafond uit zijn zolderkamer gesloopt. ‘Daaronder kon ik niet denken’, zegt hij. Op het krijtbord in zijn ruimte staan de restanten van een wilde brainstorm:‘consuminderen’, ‘de druppel’, ‘hoop en vertrouwen’, ‘saamhorigheid’, ‘respect voor de schepping’ en ‘bossen’. ‘Uiteindelijk is de opdracht die wij binnen de partij hebben: help ons met het vinden van de stip waar we heen moeten’, zegt hij. Beekers belt dagelijks met fractieleden en trekt soms samen op. ‘Het is mijn taak om de juiste vragen te stellen, zij in de Kamer mogen het finale antwoord geven. Zij zijn gekozen. Ik denk alleen maar mee.’

Hoeveel fractieondersteuning hebben Kamerleden?

Beleids/inhoudelijke medewerkers Kamerzetels Medewerker per zetel
VVD 43 34 1,3
D66 32,9 24 1,4
PVV geen antwoord 17 ?
CDA 15,2 14 1,1
SP 22,3 9 2,5
PvdA 17 9 1,9
GL 14 8 1,8
PvdD 11,7 6 2,0
CU 8,7 5 1,7
FvD geen antwoord 5 ?

Op basis van antwoorden van de politieke fracties zelf op de vraag hoeveel voltijdsmedewerkers (‘fte’) zich volledig – of bijna volledig – bezighouden met beleid en politieke inhoud. Politiek strategen, stagiair(e)s, voorlichters en communicatiemedewerkers mochten niet worden meegerekend. Alleen fracties met vijf of meer zetels zijn geënquêteerd.


In samenwerking met Joost Bekendam en Anna Pleijsier van De Nieuws BV (BNNVara)