Sylvain Ephimenco

Ik ben een immigrant

Ik ben een immigrant. Een allochtoon die een succesvolle integratie heeft doorgemaakt en toch zijn eigen identiteit heeft behouden. Op eigen kracht en zonder tussenkomst van de overheid. In de openbare ruimte — in winkels, met buren of vrienden, bij overheidsinstanties of in de media — praat en schrijf ik Nederlands. Het kost me allang geen moeite meer omdat ik een zwak heb ontwikkeld voor de taal van dit land. In de privé-ruimte (thuis met ge liefde, deels ook kinderen) spreek ik Frans, mijn moedertaal. Ik kijk niet alleen naar Nederlandse zenders maar ook naar TV5 en eet stokbrood met camembert. Het ene is leerzaam, het andere lekker en niemand die hier last van heeft.

Toen ik op mijn twintigste naar Nederland besloot te emigreren om me bij mijn autochtone vriendinnetje te voegen, heb ik eerst in het land van oorsprong mijn eigen inburgeringcursus samengesteld en zelf bekostigd: een taalmethode van Assimil (300 francs) en wat grammofoonplaten van B. de Groot die ik in schoolvakanties in Nederland had gekocht.

In april 1977 verliet ik definitief Frankrijk en vestigde me in Rotterdam aan de Feijenoordkade 13A. Mijn taalkennis was lang nog niet toereikend voor een leuke baan en daarom klopte ik bij een uitzendbureau aan. Een jaar lang heb ik zwaar werk verricht. Meelzakken van vijftig kilo sjouwen in de Maashaven, nachtdiensten in de Botlek, lopende band in Schiedam, klei snijden in Gouda. Ik at Nederlandse boterhammenen leerde Nederlands vloeken en kankeren tijdens het werk.

In 1978 was mijn Nederlands al stukken beter en kreeg ik een administratieve baan bij het GEB Rotterdam. Pas in 1981 begon ik weer te schrijven. Als correspondent voor het Franse dagblad Libération. Mijn eerste tekst in het Ne derlands schreef ik zes jaar later voor de opiniepagina van NRC Handelsblad. In 1991 werd ik de eerste Fransman ooit die een roman in het Nederlands had neergepend.

Al die jaren heb ik me op grote afstand gehouden van mijn geëmigreerde landgenoten. Fransen onder elkaar, was me opgevallen, waren doordrenkt van nostalgie naar het moederland en verre van geïntegreerd. Ik koos ervoor om me met Nederlanders te omringen en daalde steeds dieper af in de afgrond van de cultuurrelativerende identiteit van dit volk. In 1998 zei ik adieu aan de Franse taal en besloot ik voortaan alleen nog maar in het Nederlands te schrijven. Als ik een achterwaartse blik op die 25 jaar werp, lijkt het allemaal zo snel te zijn gegaan. Met weliswaar depressieve perioden vol snijdend heimwee, maar die werden allemaal overwonnen.

En nu? Nu moet ik vreselijk lachen en vreselijk huilen. Ik lach me rot als ik Geert Mak hoor zeggen dat Nederlanders begrip moeten hebben voor de gebrekkige integratie van nieuwkomers omdat dit land met zijn verscholen normen en waarden en zijn ingewikkelde structuur moeilijk te doorgronden is. Mak ideologiseert zich suf in lauw en week multiculturalisme en heeft geen benul van de werkelijkheid. Ik, als geïntegreerde buitenlander, wel.

Ik heb jarenlang kritiek gehad op die verscholen identiteit en schijnheilige façade van het gidsland, wat me niet altijd in dank werd afgenomen. Harde kritiek en zachte liefde gaan overigens goed samen. Maar nooit, never, jamais heeft de «complexe» Nederlandse samenleving een barrière opgeworpen die mijn integratie heeft bemoeilijkt. Ik ben met open armen ontvangen. En als ik mijn best deed, gingen die armen wijder open. Nu moet ik huilen als ik gesubsidieerde allochtonen moord en brand hoor schreeuwen als hardere condities worden opgelegd aan immigranten die met de rug naar deze samenleving staan. Ik walg van hun slachtofferisme en hun pogingen hun achterban het verant woordelijkheids besef te ontnemen. Ik huil omdat het Ne derlands uit mijn stad razendsnel verdwijnt. Ik huil om die schotel antennes die de integratie ontsieren, om de caissières in de supermarkt die ik niet meer begrijp omdat ze Turks of Berbers praten. Ik huil om die spookachtige pinguïns die onder hun harnas van stof bij dertig graden bijna stikken en me nooit aankijken, laat staan groeten. Ik jank om de verdwenen cohesie en om de zelfgekozen segregatie en apartheid van grote bevolkingsgroepen in mijn geliefde Nederlandse stad.

En ik vertik het. Ja, ik vertik het om mijn bek dicht te houden om dat toevallig een Fortuyn langs is geflitst om diezelfde bek open te doen en de schuld van deze rampzalige desintegratie op het conto van de ontvangende samenleving te schuiven. Zoals ik verantwoordelijk was voor mijn geslaagde integratie is ieder ander verantwoordelijk voor het echec van zijn participatie in deze maatschappij.