‘ik ben een integralist’

‘IN 1976 WAS ik erg in de war, in 1986 was ik heel erg in de war en in 1996 ben ik weer in de war geweest - ik heb een cyclus van tien jaar. Vorig jaar was ik dus weer depressief. Je denkt: ik ben voorbij, mijn beste tijd is geweest. Ik zal nooit meer iets nieuws verzinnen. Alles is travestie van iets dat ik al heb gedaan of gedacht. De zintuigen zijn dicht. Ik ben dood. Alles wat binnenkomt, kan alleen nog maar betekenis krijgen op een manier die ik al ken. Ik zal die manier na een tijdje ontmaskeren. Zo zal alles wat ik meemaak altijd opnieuw een diepe teleurstelling blijken. Ik wil juist níet de orde herkennen die bestaat. Ik wil nieuwe orde voelen. Ik wil dat er om mij heen voortdurend dingen gebeuren waar ik niet op ben voorbereid. Gewoon: be here now’, zegt Dirk van Weelden (39). ‘Dat is het moeilijkste wat er is.’

Het autobiografische aan zijn nieuwe roman Orville noemt hij de crisis van de gelijknamige hoofdpersoon. Van Weelden: ‘Orville heeft het gevoel volledig gesloopt te zijn. Hij weet werkelijk niet meer of er van voor of achter nog clou in zijn denken aanwezig is. Of het sowieso nog enige zin heeft om te proberen iets te snappen van wat je aan het doen bent in je leven.’
ORVILLE, EEN praatgrage dertiger - voor Van Weelden een karikatuur van zichzelf - is continu op zoek naar de ware verbanden achter de dingen die hij meemaakt. Hij nodigt zijn beste vrienden en hun gezinnen uit de zomervakantie met zijn vrouw Vera en hun kinderen op een landgoed in Frankrijk door te brengen. Het verblijf zal in het teken staan van de strijd tegen 'het Chagrijn’. Gelachen moet er worden, gedronken en gegeten. Uit de uitnodiging blijkt dat hij nóg een plan heeft: hij wil ontdekken wat het verband is tussen al de dingen die hij leest, ziet en meemaakt. Tussen 'de oogopslag van de eenzame buurvrouw, de aantrekkingskracht van bewegende plooirokken, de pracht van Anatolische sas-muziek, Vera’s verdriet, de reizen van Herodotus, de raadselachtige ontroering door een schaatstocht in de winterzon’.
Orville nodigt zijn vrienden uit om ’s avonds verhalen, theorieën en muziek ten gehore te brengen. Hij schrijft hun: 'Ik ben een tussenwezen. Onder vrienden en als ik met rust gelaten word kan ik vrijuit vertellen en hardop denken. En alleen dan, als de woorden zich vormen, de zinnen zich schakelen in een grillig, maar kloppend patroon heb ik iets te bieden. Dan is er een verband tussen de maaltijd die ik maak, de droom van mijn zoon over een leeuw met een open bek vol parels, de nacht dat Vera breekt en overloopt van ongeluk, de beelden van gelaten vluchtelingen op de televisie, de melodielijnen van Ornette, de foto’s van Robert Frank, de geluiden die de achterdochtige, eenzame bovenbuurvrouw maakt. Ik kan dat verband niet uitleggen, ik ben het, het is mijn leven.’
SAMEN MET ZIJN vrienden hoopt Orville het onuitlegbare, onzegbare verband tussen de dingen die hem boeien te herkennen. Daarmee zullen zij allen ook het onderlinge verband waaruit hun vriendschap is ontsproten, beter begrijpen.
Van Weelden: 'In je lichaam, je cellen, je ingewanden en je hersens zijn constant processen bezig die je kunt begrijpen, maar die niet betekenisvol zijn. Je kunt ze niet voelen. Ze hebben nut, maar geen betekenis. Ze lijken geen zin te hebben. Je kunt ze niet menselijk maken, want het zijn onmenselijke processen. Het menselijke is maar een heel klein stukje van de natuur. Orville verlangt naar een menselijke betekenis. Een zinvolle, bewuste en uitgesproken manier om van méér deel uit te maken dan van een toevallige vriendenclub. Hij wil hun verbondenheid los van persoonlijke anekdotes zien en daardoor een extra waarde, een extra bindende kracht laten zijn.
Hij wil zin geven. Orville wil toegeven aan het feit dat je niet weet waar je ophoudt en waar je begint. Jouw lichaam houdt niet op bij een bepaalde grens. Er is geen binnen én buiten. Wat je eet, komt van buiten maar is binnen en wordt binnen. Binnen en buiten raken in de war. Iets dergelijks gebeurt ook bij Orville en zijn vrienden.’
DE EERSTE AVOND opent Orville met een meeslepend verhaal over de inhoud en betekenis van het werk van Herodotus. Hij vertelt waarom hij diens Historiën of Onderzoekingen beschouwt als het gelukkigste boek dat hij kent. Zijn vrienden luisteren aandachtig. Zij hebben copieus getafeld op het terras van het Franse landgoed. Ze kijken uit over beboste heuvels en ze hangen bij een milde avondlucht achterover in hun stoelen. Na afloop is iedereen het erover eens dat Orville een mooie voordracht heeft gehouden. Daarmee zijn ze nog lang niet bij zijn doel.
Van Weelden: 'Dan blijkt dat die mensen alleen maar luisteren omdat hun vriend zo leuk over Herodotus vertelt. Omdat ze hem wel aardig vinden. Orville wil dat ze zich richten op de zaak zelf. Hij vraagt: “Jongens, kijken jullie? Nee, niet naar mij, naar dat boek zelf.” Hij denkt dat zijn plan mislukt omdat zijn vrienden niet gevangen raken door wát hij mooi vindt maar doordát hij iets mooi vindt.
Dat is het hem juist! Het gaat nog steeds niet om hemzelf! Jouw vriend Pietje is niet alleen maar aardig omdat hij Pietje is. Er is meer. Alleen: je kunt het niet benoemen of op afspraak oproepen.’
Orvilles pogingen lijken te mislukken. Onder de vrienden breken ruzies uit. Een kind verdrinkt bijna. Zijn vrouw moet om haar zieke moeder plotseling terug. Orville blijft alleen met zijn zoontje op het landgoed achter. Mistroostig concludeert hij aan het eind van het eerste deel dat hij heeft gefaald. Hij weet zelf niet, maar de lezer weet intussen wél, dat een geheimzinnige figuur, Legba geheten, er alles aan heeft gedaan om het samenzijn te saboteren. Deze Noord-Afrikaanse zwerver neemt in het boek achtereenvolgens de gedaante aan van mens, wolf, hond, roerdomp, groen slijk, parkwachter en grof vuil.
Van Weelden: 'Legba is eigenlijk Hermes, de Griekse god die gaat over waar jouw erf ophoudt en de grote wereld begint. De Haïtiaanse voodoo-cultus kent Legba als een van de mythische figuren die vanuit West-Afrika het eiland bereikt heeft. In de voodoo-rituelen heeft Legba dezelfde functie als Hermes had bij de Grieken. Hij is een modem. Je kunt contact krijgen met de geestenwereld, maar dan moet je eerst bellen. Dat doe je via Legba, hem roep je ritueel op. Vervolgens kan hij bezit nemen van een van de hulppriesters. Zo open je een lijn, je bent ingelogd op het systeem en vervolgens transporteert Legba je naar de site waar je wilt wezen.
Legba wil die mensen uit Nederland terug hebben naar de stad. Hij vindt ze te psychologisch. Ze zitten te veel op elkaars lip en vergelijken alles met alles. Hij weet dat je niet zomaar een band kunt formuleren tussen mensen.’
VAN WEELDEN IS er zeker van dat de technowetenschappen zo'n magisch-realistisch beeld, waarin de schrijver veel vrijer met zijn materiaal kan omgaan, in de hand werken. Van Weelden: 'De natuurkunde ontdekt steeds meer hoe boeiend, bewegend en hoe weinig rechtlijnig de wereld in elkaar steekt. Er blijken heel weinig vaste eeuwige regeltjes en structuren te bestaan. Wij ervaren de materie als heel kneedbaar. En dat heeft zijn invloed op de beelden en verhalen. Wij zijn er aan gewend dat die minder vast, ja vloeibaarder zijn geworden.’
Een magisch-realistisch motief in zijn roman. Voor Van Weelden is het een van de tekenen des tijds die zijn werk onvermijdelijk infiltreren.
Van Weelden: 'Je produceert aan de lopende band de dromen van de wereld waarin je leeft. Mijn verbeelding zegt, mijn verhaaltjes zeggen iets over wie ik ben en over hoe wij zijn. Neem nou Elvis. Het is niet voor niets dat uitgerekend Elvis voor de arme blanken in Amerika een heilige wordt! Dat is een politieke analyse van hun lot. Ze kunnen niet omgaan met de overgang, met de eisen van een consumptie- en een welvaartsmaatschappij. Wat is Elvis anders? Die belichaamt de hunkering naar een gelukkig en zorgeloos leven los van materiële angsten en zorgen en de vernedering die daarmee gepaard gaat. Hij kan niet omgaan met de welvaart. Hij gaat er aan kapot, hij raakt stuurloos. Hij belichaamt het ook nog letterlijk door almaar dikker te worden en zichzelf eigenlijk dood te eten en te slikken. Ze aanbidden hem niet voor niks. Ga naar Graceland, de souvenirwinkels, en kijk naar de mensen. Ze worden niet alleen bij de neus genomen door de commercie en door een soort marketingverhaal. Het wordt geprobeerd bij duizenden sterren. Het lukt er maar bij eentje. Niet voor niks.’
HET DEDAIN WAARMEE in van Weeldens ogen vaak over het vertellen van verhalen wordt gesproken, maakt hem zichtbaar boos. De verhalen van Herodotus, waar Orville zo van houdt, hoeven zijns inziens niet per se allemaal woord voor woord naar de ware gebeurtenissen geschreven te zijn.
Van Weelden: 'Mensen spreken altijd over de fantasie en de verbeelding alsof het minder serieuze zaken betreft. Walgelijk. Ik wil geen geschiedenis die zegt: dit zijn de ideale begrippen en daarop baseren wij de maatschappelijke ordes en wetten. De geschiedenis is een raar soort kolkende, overdadige brij van volkomen heterogene dingen die in bepaalde situaties bepaalde vormen aannemen. Het idee dat er niet slechts één of twee dominante beschavingsidealen bestaan maar dat de geschiedenis ontstaat uit verhalen, is geen softe kijk. Dat idee maakt de geschiedenis juist extreem concreet en zakelijk.
Herodotus vertelt hoe mensen feitelijk leefden aan de zeeën en rivieren en over hoe gevaarlijk het was en hoe groot hun prestatie was om naast een gevaarlijke en onberekenbare rivier een stad te bouwen en de hele regio te beheersen. De manier waarop ze dat deden en de mogelijkheden waar ze op gokten en waarmee ze succes hadden, komen in hun verhalen aan de oppervlakte. Die verhalen komen ook terug in hun politieke debatten en conflicten, daar worden ze argumenten. Dat zijn geen fantasieverhalen. Ze gaan over hoe de Grieken daar feitelijk zaten. Niet in een letterlijke vorm, maar als je de geschiedschrijving bij wijze van spreken zou samenvatten, dan zou je op iets uitkomen dat verdomd veel lijkt op het verhaal dat zij aan zichzelf vertellen. De figuur Herakles is een kolonisator, iemand die naar vreemde gebieden gaat, woeste stammen kapotstampt, monsters verslaat en een soort Griekse orde maakt. Dan kun je zeggen: “Herakles, heeft die ooit bestaan? Allemaal fantasie, meneertje. De mensen hebben behoefte aan fantasie. Anders past de wereld niet meer in elkaar, meneertje.” Aan de andere kant: dit is in verhaalvorm wat die Grieken feitelijk hebben gedaan. Dat is hun imperialistische trots over hun eigen cultuur. Niet een soort softmaken dus, maar juist heel concreet en bijna hardvochtig duidelijk en feitelijk maken. Wat betekent het precies wanneer men in politieke toespraken in Athene zo'n mythische figuur opvoert? Dan refereren ze niet alleen aan een fantasiefiguur. Ze refereren aan feitelijke historische gebeurtenissen, kort samengevat en een gezicht gegeven met een mythische figuur. Het gaat er dus niet om of het nou aantoonbaar zus of zo gebeurde, of het nou honderd of tweehonderd mensen waren, of je kunt bewijzen of ze nou wel of niet met brandende pek hebben geschoten. Dat is prachtig om uit te zoeken en dat moet ook gebeuren. Waar het om gaat is dat die zeg maar postmodernistische waardering van Herodotus juist een superconcrete manier van kijken naar de geschiedenis kan zijn.’
'DIT BOEK ONTSTOND grotendeels per ongeluk. Ik was helemaal niet van plan om een roman te schrijven. Ik was van plan om mijn hele archief van dingen waar ik nooit wat mee gedaan heb, van heel degelijke essays tot en met columns, in handen te geven van een romanpersonage en te zeggen: maak daar maar eens een essaybundel van. In hetzelfde najaar schrijf ik een stuk in de krant over de expositie van een fotograaf en een stuk in het jubileumboek van de fotografenvakbond. Dat leest geen hond. Die dingen hebben met elkaar te maken. Nergens kan iemand die dingen naast elkaar zien. Er zit iets tussen dat ik nooit heb opgeschreven.
Ik dacht niet dat het me zou lukken om de verbanden tussen alles wat ik schrijf te leggen. Dat zou zoiets zijn als tegen jezelf zeggen: “Goed, dus jij bent een proces - in welke formule valt dit proces dan samen te vatten?” Ik bedacht opeens dat het wel zou kunnen door een personage te verzinnen dat het verband is, die het verband doet.
Zelf ben ik een integralist. Mijn werkwijze is het integralisme. Ik probeer met ieder boek alles wat er voor mij toe doet in één keer te vertellen. Daarvoor moet ik eerst mijzelf ervan overtuigen dat wanneer ik maar gewoon wat aan improviseer, daar precies de orde in zit die ik bedoel. Dat chaos niet bestaat omdat ik een heel beperkt mens ben, net als iedereen. Iedereen klampt zich vast aan de patroontjes die hij ziet. Dat is een biologisch gegeven. Mensen stonden voor het eerst rechtop in de savanne. Van alle kanten loerde het gevaar. Maar op den duur leerden ze dat ze zelfs leeuwen konden overwinnen, gewoon omdat ze sneller patronen konden omzetten in informatie. Zo overleef je: door de kwaliteit om patronen te herkennen. Ook al weten wij inmiddels dat patronen, hoe ontwikkeld ze ook zijn, nooit echt helemaal kloppen. Niet dat we met dat inzicht ook veranderen. Tóch zien we steeds weer samenhang tussen van alles en nog wat.’
Aan het eind van het tweede deel van Van Weeldens roman legt Orville in een nieuwe brief aan zijn vrienden uit wat volgens hem is gebeurd. Zijn laatste regels zijn exact dezelfde als die van het einde van het eerste deel. Daar was Orville nog wanhopig over het falen van zijn missie. In het tweede deel legt hij geestdriftig uit dat er heus wel iets waardevols is gebeurd. Alleen niet wat hij van tevoren in gedachten had.
Van Weelden: 'Het probleem is niet dat de wereld zoals hij is je nou zo vreselijk tegenwerkt. Eerder lijkt het erop dat er geen echte vijand bestaat. Dat is eigenlijk het grote punt. Je moet zelf zowel de afbraak als de herformulering leveren. Dit verhaal eindigt happy, maar de regels zijn hetzelfde als het somberder einde van het eerste deel. Het is maar de vraag of dat wel een echt happy end betekent.’