Françoise Hardy over Françoise Hardy

‘Ik ben een kluizenaar. Dat is mijn natuur’

Chansonnière en stijlicoon Françoise Hardy heeft haar leven opgeschreven. In de jaren zestig stond ze midden in de Franse popwereld; inmiddels leeft ze teruggetrokken. ‘Ik ben gestopt met optreden omdat ik geen maat kan houden.’

‘ALS AANDENKEN AAN een lang en pijnlijk interview’, schrijft ze na ons gesprek in de autobiografie die ik heb meegenomen. Als Françoise Hardy (Parijs, 1944) me ontvangt in haar appartement vlak bij de Arc de Triomphe, geeft ze me geen hand en zegt ook geen ‘bonjour’. Ze is kleiner dan ik had verwacht. Dunner ook. Op witte slofjes loopt ze de huiskamer in. Er zijn geen ramen. Wel een goudkleurige boeddha en twee lampjes die rood licht verspreiden. Ze neemt plaats op een bank. Als ze praat kijkt ze vermoeid, maar wanneer ze lacht oogt ze twintig jaar jonger. Al zijn we haar in Nederland al veertig jaar vergeten, ze is met 26 albums nog steeds dezelfde gedreven muzikant als in de jaren zestig. En met hetzelfde ambivalente karakter.
Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van haar autobiografie, Een roemrijk vrouwenleven. Ze staat stil bij haar albums, haar moeilijke liefdesleven en de interesse voor astrologie. Haar taalgebruik is even helder als haar liedteksten. Opvallend is dat ze aan de jaren zestig niet meer aandacht schenkt dan aan alle decennia die erna kwamen. Het levert een compleet en intiem portret op van haar hele leven. Ze beschrijft hoe haar kindertijd geenszins aansloot op haar onverwachte roem, toen ze net na haar eindexamen in 1962 doorbrak met de single Tous les garçons et les filles. Hardy: ‘Geen enkele jeugd bereidt je op zoiets voor. Dat is maar goed ook. Ik ben opgevoed door een vrouw die maar voor korte tijd een relatie had met mijn vader. In die tijd was het een schande om kinderen te hebben zonder getrouwd te zijn. Ze moest hard werken voor de kost dus zag ze nooit iemand. De enige mensen die ik kende waren mijn moeder, zus en grootouders. Er was geen opening naar de buitenwereld.’
In 1962 werd u op achttienjarige leeftijd op slag beroemd met Tous les garçons et les filles. Voelt u zich nog verbonden met dat meisje van toen?
Françoise Hardy zucht diep.
Veel artiesten zeggen: ik heb mijn eerste werk te vroeg de wereld in gestuurd. Ook u bent kritisch over uw vroege platen. Waarom?
‘Ik ben kritisch over wat ik toen deed en ik ben kritisch over de muziek die ik nu maak. Ik kreeg voor mijn eerste albums slechte muzikanten en producenten. Tous les garçons et les filles was een viersporenopname en in een paar uur stond het erop. (lacht) Pas toen ik een paar jaar later naar Londen vertrok en samenwerkte met Charles Blackwell werden mijn albums goed. Alle opnamen daarvoor zijn vreselijk. Ik was jong en had nog nooit voor iemand gezongen.’
Ik deel uw kritiek op uzelf niet. Uw eerste platen bezitten juist een jeugdig, zomers en melancholiek gevoel.
‘Ik spreek nu vanuit een muzikaal oogpunt. Eigenlijk ben ik blij dat ik ben begonnen met naïeve en simpele liedjes, want als je met heel goede nummers begint kun je daarna alleen maar vallen.’

UIT HET BOEK blijkt geen enkele interesse voor mode. Hoe bent u dan toch zo’n groot stijlicoon van de jaren zestig geworden? In 1968 droeg u de duurste jurk ter wereld en in Nederland verschenen er luciferdoosjes van het merk Vlinder met uw afbeelding erop.
‘Zoveel invloed heb ik niet gehad. Ik had het geluk om twintig jaar te zijn in de jaren zestig. Er was toen een grote revolutie in de mode gaande en voor die kleding had ik toevallig het juiste lichaam. Ik had en heb geen interesse voor mode. Het enige wat me interesseerde waren mijn liedjes en de problemen in mijn privé-leven. Ik was blind en doof voor mijn omgeving. Het heeft ook nadelen om zo introvert te zijn. Toen ik eens een hele dag buiten moest zijn, had ik een gekookt ei met een papiertje eromheen in mijn tas gestopt voor als ik honger zou krijgen. Toen ik het papiertje met schaal in de prullenbak gooide, zat mijn sleutelbos er ook tussen. Ik kon mijn huis niet meer in. Dat soort dingen zijn me vaak overkomen.’
U staat erom bekend dat u niet van tv-optredens, fotosessies en interviews houdt.
‘Ik ben een kluizenaar. Dat is mijn natuur. Mijn uitgever vroeg al jaren of ik een autobiografie wilde schrijven, maar ik zei hem dat het heel saai zou zijn, want ik heb het grootste gedeelte van mijn leven binnen de vier muren van mijn huis doorgebracht, zonder iemand te zien. Aan lezen, tekstschrijven en naar muziek luisteren geef ik de voorkeur. Toen ik eens naar Brazilië ging, heb ik bijna niets van het land gezien. Ik bleef liever in mijn hotelkamer en las Anne Perry’ (detectiveschrijfster en veroordeeld moordenares – rw).
U hield vanaf 1968 op met optreden, maar bent altijd albums blijven maken. Het liefst bent u een studioartiest?
(laat zich achterover in de bank vallen) ‘Ik ben gestopt met optreden omdat ik geen ritme kan houden. Ik moest in mijn hoofd met de maat meetellen. En ik ben vocaal heel gelimiteerd. Bovendien, in de jaren zestig was toeren niet zo comfortabel als nu. Het was een mannenwereld. (gaat rechtop zitten, haar toon wordt enthousiast) Ik ben nu een album aan het opnemen dat in 2010 zal verschijnen, met de titel La pluie sans parapluie. Dat beeld past bij me. Als ik de studio inga voel ik me iedere keer weer opgewonden. Het is een magische plek. Daar worden de liedjes geboren. Tegelijk voel ik me na het afronden van een album iedere keer gefrustreerd. Omdat ik een wonder verwacht zoals ik dat in de jaren zestig in Londen heb meegemaakt. Over Le danger (1996) ben ik tevreden. Frustratie is bovendien een motivatie om door te gaan en nog een album te maken, in de hoop dat ik ooit perfectie zal bereiken.’
Uw terughoudendheid heeft gezorgd voor mysterie rond uw persoon. Was dat uw insteek bij het schrijven van de autobiografie, om een kijkje in uw leven te geven en misverstanden recht te zetten?
‘Er zijn in Frankrijk biografieën over mij verschenen die vol staan met leugens. In dit document vertel ik de waarheid, mijn waarheid. Een andere motivatie was om de problemen in mijn gevoelsleven te analyseren. Ik kwam er achter dat de reden van het gedrag van mijn geliefde, wat mij zo lang heeft doen lijden, het gevolg is geweest van mijn eigen houding. Zo voedde ik mijn eigen pijn. Misschien kan dit inzicht ook andere vrouwen helderheid verschaffen.’
Een gerucht was dat u een verhouding had met de Britse singer-songwriter Nick Drake. In uw boek schrijft u over de twee keer dat u hem ontmoet heeft. In Parijs stond hij onverwacht bij u op de stoep, niet lang voor zijn zelfmoord.
‘Hij belde me op omdat ik in de Britse pers positief over hem sprak. Hij was zo’n verlegen type dus ik wist wat voor grote stap het was om mij te bellen. Ik besefte dat hij iemand nodig had. Maar ik had voor die avond al een afspraak om boven in de Eiffeltoren te gaan eten met vrienden en Véronique Sanson te zien optreden. Ik stelde aan Nick voor om mee te gaan. Het was druk en mensen waren dronken. Het was echt geen plek voor hem. Ik heb nooit geweten wat hij ervan vond. Hij sprak niet veel en daarom zei ik ook niets.’

NA JAREN EEN lat-relatie met hem te hebben gehad, trouwde Hardy in 1981 met zanger/acteur Jacques Dutronc. In haar autobiografie komt hij naar voren als een man die schuilgaat achter een eeuwige zonnebril en de rook van zijn sigaar. Hij was zelden thuis, meestal op tournee of een film aan het opnemen. Ze zijn nog steeds getrouwd, al leeft hij nu op Corsica samen met de jonge actrice Sylvie D.
Over uw huwelijk bent u openhartig. U en uw man lijken sterk op uw eigen ouders. U typeert ze als een ‘bezitterige’ vrouw en een ‘afwezige’ man. Denkt u dat een mens vrij is of zit hij vast aan zijn geschiedenis?
‘In mijn leven moest ik tegen mezelf vechten om niet te eindigen als mijn moeder. Zij was eenzaam en bezitterig van aard. Nu moet ik toegeven dat ik in veel opzichten op haar lijk. Al waren mijn man en ik volwassen, we waren grote kinderen. Mijn man omdat zijn ouders alles toelieten en ik omdat mijn moeder me altijd als een klein meisje bleef behandelen. Zowel mijn ouders als de zijne hebben weinig affectie ontvangen in hun jeugd. Als je zelf geen affectie krijgt, kun je dat ook niet doorgeven aan je kinderen.’
Hoe reageerde uw man op de openhartige stukken over hem?
‘Ik heb geen idee. Hij heeft het wel gelezen, weet ik. Hij is iemand die weinig praat. Tegen andere mensen zei hij: ‘‘Ze is erg slim, want als ze iets onaardigs over me zegt, noemt ze daarna weer iets positiefs.’’’
Leonard Cohen zei ooit: ‘Ik heb nooit een abstract liefdesliedje geschreven. Ik schreef altijd voor iemand.’
‘Veel van mijn liefdesliedjes zijn geïnspireerd op de relatie met Jacques. Ik schreef hem ook veel brieven. Wat hij daarmee heeft gedaan, weet ik niet. Mijn liefde voor hem is voorbij, maar als hij in Parijs is verblijft hij in dit huis. Ik ben me er nu pas van bewust dat Jacques altijd een dubbelleven nodig had: de vrouw van wie hij hield plaatste hij op een voetstuk en zijn andere leven was under the belt. (lacht) Avontuurtjes met anderen. Goddank dat ik dat nu pas ten volle besef. Als ik dat had geweten toen ik jonger was, zou ik eraan onderdoor gegaan zijn. Nu kan ik hem zijn hang naar avontuur niet kwalijk nemen. Hij is zoals hij is.’
Maar u kunt zich toch niet zo opofferen?
‘Ik ben lang ongelukkig geweest. Daarom schreef ik liedjes. Het had ook iets masochistisch. Tot een lieve en brave man die er altijd voor me is kan ik me niet aangetrokken voelen.’
Later in uw leven lijkt de adoratie voor uw man zich naar de liefde voor uw zoon (muzikant Thomas Dutronc) te verplaatsen. Daarmee komt u in rustiger vaarwater. Bent u in dat opzicht liever jong of wat ouder?
‘Ik voel me nu beter. Maar als je ouder bent krijg je gezondheidsproblemen. Dat is vreselijk. Mijn privé-leven beperkt zich nu tot vrienden en mijn zoon. Maar als volwassene heeft hij het niet meer nodig. Ik ben gelukkig voor hem.’
Waar bent u zelf gelukkig mee?
(lacht) ‘Eten, drinken, wandelen in het Bois de Boulogne, naar de zonsondergang en de bomen kijken. Ik heb meer oog voor de natuur gekregen. Het is meditatief. Ik voel me er afgesloten op een vredige manier.’

ER ONTSTAAT IN de autobiografie een kroniek van de artistieke wereld van Parijs in de jaren zestig en zeventig. Er gebeurde toen veel op het gebied van muziek, film, literatuur en mode. Serge Gainsbourg, Jane Birkin, Mireille, Emmanuel Berl, André Malraux, Brigitte Bardot: ze komen allemaal voorbij. Hardy idealiseert die tijd niet, toch roept het een weemoedig gevoel op. Hardy: ‘In de jaren zestig had je het gevoel dat alles mogelijk was. Ik heb het idee dat jonge mensen zich nu niet zo voelen. Serge Gainsbourg, Michel Berger en Julien Clerc schreven tijdloze liedjes. In die periode is zoveel gedaan dat het sindsdien moeilijk is om nog iets nieuws en persoonlijks te brengen.’
Hoe is het schrijven van het boek u vergaan? Heeft u een goed geheugen?
‘Wel wat betreft mijn gevoelsleven, maar veel data en plaatsen ben ik vergeten. Het is zelfs zo sterk dat ik onlangs een opname zag van een tv-optreden dat ik deed met Johnny Halliday. Ik kan me dat duet niet meer herinneren. Zelfs niet nadat ik de opname heb gezien. Dat is verontrustend.’

TEGEN HET EINDE van ons gesprek gaat de bel. De conciërge bezorgt een pakketje. Een flacon parfum van Nicolas Ghesquière, met een handgeschreven kaartje van de modeontwerper zelf erbij. Ze beklaagt zich over de cadeautjes die men haar blijft sturen, maar laat wel de vleiende woorden op het kaartje zien. Het lijkt haar te kwetsen dat ik er weinig aandacht aan besteed.
Op de eerste pagina schrijft u dat u als baby niet huilde: ‘Ik denk dat ik toen al begreep dat hoe harder je roept, hoe kleiner de kans is dat er iemand komt, dat je je tranen moet inslikken en van niemand iets moet verwachten.’
Ze ruikt aan de flacon: ‘Wanneer je zoiets als kind meemaakt, is dat een belangrijke boodschap. Als ik mijn man nodig had, was hij er ook niet voor me. Wat op de eerste pagina staat is in feite wat ik mijn hele leven heb gedaan: mijn verlangens inslikken en ze via liedjes uiten.’

Françoise Hardy, De autobiografie: Een roemrijk vrouwenleven, Nijgh & Van Ditmar, 384 blz., € 24,90