Tsjechië Jáchym Topol, icoon van de revolutie

‘Ik ben een moralist, maar dat is een geheim’

De Tsjech Jáchym Topol smokkelde als jongeman Charta 77- documenten over de grens. Als dwarse dichter werd hij een boegbeeld van de Fluwelen Revolutie. Getemd is de Europese topauteur geenszins. ‘Maar sinds De werkplaats van de duivel af is, met al die massagraven, voel ik even de behoefte om “goed” te doen.’

PRAAG, 17 november - Op de dag dat Tsjechië het begin van de Fluwelen Revolutie van 1989 viert, zit de Charta 77-generatie in de Sint Ignatiuskerk te rouwen om haar net overleden undergroundgrootheid Ivan Jirous. Beide gebeurtenissen hebben alles met het leven van Jáchym Topol te maken. Maar het hoofd van de auteur staat naar feesten noch naar treuren. Hij heeft wel wat anders te doen. ‘Alle winkels zijn dicht. Hoe kom ik in vredesnaam aan twaalf flessen wijn voor vanavond?’
Topol is zojuist café Montmartre komen binnenzeilen, direct van het vliegveld. Hij was in New York City te gast op een groot samizdat-symposium, georganiseerd naar aanleiding van de Tsjechoslowaakse revolutie van 22 jaar geleden. Topols oren zitten dicht, hij heeft een jetlag en zijn bagage is zoekgeraakt, 'met de hippe gympen voor mijn oudste dochter - zo kan ik niet thuiskomen!’
Dan draait hij speels rond. 'Mijn nieuwe Amerikaanse houthakkershemd had ik gelukkig al aangetrokken. Goed hè?’ De auteur zal vandaag en morgen voortdurend van register veranderen, van spontane flapuit tot verantwoord 'historicus’ en van stoere lefgozer tot voorkomend gastheer. Hij heeft de reputatie niet te interviewen te zijn.
Straks moet Jáchym Topol (Praag, 1962) spelers en publiek ontvangen in de Václav Havel-bibliotheek annex galerie boven café Montmartre. Vrijwillig bestiert hij daar een intieme, permanente tentoonstelling over de Charta-voorman en ex-president, alsmede het theatertje ernaast. 'Vanavond voeren we Havels vroegste toneelteksten op, die onlangs zijn teruggevonden. Daarna moet er echt wijn zijn.’ Hij belt. 'Die lieve studentes boven regelen het wel.’
Wat heeft Ivan Jirous voor u betekend?
Jáchym Topol: 'Magor oftewel Mafkees, zijn bijnaam, was de voorman van de Plastic People of the Universe. De mensen van die undergroundband waren rond 1977 legenden voor mij. Ik liep op straat, bijna zo langharig als zij, en dacht: misschien ontmoet ik nu iemand van de Plastic People. Maar dat was onmogelijk. Want ze zaten in de gevangenis.’
De vervolging van de Plastic People of the Universe door het communistische regime vormde de directe aanleiding voor de oprichting van Charta 77. 'Een vriend van Ivan Jirous, de dichter en filosoof Egon Bondy, behoorde ook tot die legendarische groep mensen. Bondy’s echte naam was Zbynek Fiser, maar hij had er in 1947 voor gekozen een joodse naam aan te nemen. Toen woedde het stalinistische antisemitisme. Dat was een ongelooflijk moedige daad. Toen ik zeventien was, werd hij mijn eerste leraar in de letteren, mijn inspiratiebron.’
Egon Bondy was de tekstschrijver van de Plastic People of the Universe. Hun samizdat-tape Egon Bondy’s Happy Hearts Club Banned kwam in 1978 in Frankrijk bovengronds als elpee uit en maakte furore. Jáchym Topol dichtte in die tijd zijn eerste subversieve songteksten voor de undergroundband van zijn broertje.
'Bondy en Jirous leerden elkaar in de jaren zeventig in een psychiatrische inrichting kennen’, licht Topol toe. 'We zaten allemaal wel een keer in de psychiatrie. Ik later ook, want zo kwam je onder je militaire dienst uit. Ik leerde van hen om sterk te zijn, om niet bang te zijn. Het is ongelooflijk dat de Plastic People nog steeds, of eigenlijk wéér spelen. Dat ze nog leven. Jirous was al tijden op leven na dood. Zijn begrafenis is overmorgen, op het platteland. Met mijn vriend en collega-schrijver Petr Placák onderneem ik dan een wandelmars van Jirous’ buitenhuis naar de begraafplaats, zo'n twintig kilometer.’
Daar zal de hele oude Charta-club weer bijeen zijn, inclusief - zo stond in de krant aangekondigd - de ministers Karel Schwarzenberg en Alexandr Vondra.
'Maar die mars gaan Petr en ik samen doen. Die is namelijk traditie bij ons. We hebben er een gehouden toen Jirous voor de laatste van acht of negen keer in de gevangenis zat. En een paar jaar geleden hebben we samen in Groenland gewandeld. Wij zijn specialisten. Die bende bejaarde, langharige intellectuelen en alcoholisten rond Jirous willen we er niet bij hebben. We willen het zuiver houden. Wij zijn een soort oppositie binnen de oude Charta-oppositie, snap je? Die oudjes kunnen zo'n mars bovendien echt niet aan. Ik heb wel vast voor onderweg duty-free een fles whisky gekocht.’

HEEFT U zelf in de gevangenis gezeten?
'Ja, maar nooit voor lang. De eerste keer was ik zeventien en kwam ik binnen een paar dagen weer vrij. Zelfs volgens het communistische recht was ik te jong. Ik had het er even moeilijk, maar wat was het tegelijk romantisch, wat was ik trots! Nu hoorde ik erbij. Vriendjes die nooit in de gevangenis hadden gezeten, hadden geen schijn van kans bij de meisjes.’
De sfeer was anders grimmig genoeg. De permanente controle, de politie die jongeren bijeendreef en afroste, alleen omdat ze een apolitiek undergroundconcert wilden bezoeken…
'Ik was zestien toen de politie me voor het eerst sloeg. Dat deed pijn. Maar mijn lotgenoten en ik voelden ons tegelijk gelukkig. Want er heerste eind jaren tachtig een zachte versie van het totalitarisme. De generatie van mijn vader, die in de tijd van Hitler op school zat en in de tijd van Stalin volwassen werd, kon rond 1950 zomaar voor vijftien jaar in de gevangenis belanden. Toen ik hetzelfde deed als hij, samizdat-tijdschriften maken en zo, stonden daar nog slechts enige maanden op.’
Uw vader Josef was, als collega-dramaschrijver en goede vriend van Václav Havel, een van de eerste ondertekenaars van Charta 77. Maar ondertekende u zelf werkelijk al in 1977, zoals overal te lezen is? Toen was u vijftien of zestien.
'Nee, dat is zo'n typische fout die iemand, in dit geval een Amerikaanse journalist, ooit heeft gemaakt en die de Europese uitgevers en media dan overnemen. Lekker hijgerig, hè: “Hij was de jongste Charta-ondertekenaar.” Onzin, je kon pas tekenen als je volwassen was. Ik deed dat rond 1985, toen vele Poolse vrienden lang na de opheffing van de staat van beleg aldaar nog steeds in de gevangenis zaten.’
U toog in die tijd naar het Reuzengebergte, de grens met Polen, om spullen met de Poolse dissidenten uit te wisselen.
'Ja, ik was lid van de Tsjechoslowaakse Solidarnosc-contactgroep. Een machtige tijd! Waarom denk je dat ik later wilde wandelen in Groenland? Om dat eindeloze lopen in het besneeuwde grensgebergte weer te voelen. We waren stoere jongens met rugzakken die zestig kilo aan documenten, tijdschriften, folders bevatten. De Poolse vrienden kwamen met net zo'n rugzak van de andere kant. En naar aloude Poolse smokkelaarsprincipes lieten we onze bagage in het bos onder een boom achter, en zij ook, en zo ruilden we.’
Wat was het doel van die ruilhandel precies?
'Wij smokkelden Tsjechoslowaakse samizdat-documenten om ze in Polen bekend te maken, en ook omdat die publicaties dan zouden voortbestaan als er bij ons iets zou gebeuren. Bovendien werden er kopieën van teruggesmokkeld naar Tsjechoslowaakse oppositiegroepen. Vanuit Polen gebeurde hetzelfde, maar er werden ook reproductiemachines naar ons land gesmokkeld. Want die snobistische Polen van Solidarnosc kregen van de Scandinaviërs prachtige moderne dupliceerapparaten. Hun oude stencilmachines gaven ze dan aan ons, die arme lui van Charta 77.’
Ook Václav Havel had ontmoetingen met Poolse collega’s in dat grensgebergte.
'Ja, maar Havel en de zijnen deden andere dingen. Zij droegen geen zware rugzakken. Zij gingen ergens zitten praten. Daarmee wilden ze de wereld laten zien dat de Tsjechoslowaakse en de Poolse illegale oppositie samenwerkten. Wij sterke, jonge jongens waren hun werkpaarden. Kijk, er was een soort kloof tussen de generatie van Havel en de mijne. Zij waren dissidenten en maakten hun samizdat-uitgaven in eerste instantie voor zichzelf. Wij wilden op de Poolse manier werken: professioneel verspreiden die boel, bij duizenden! En ondergrondse verblijven opzetten, een hele beweging creëren! Want studeren konden we toch niet. Wilden we ook niet, want studenten waren conformisten. Hun protestdemonstratie op 17 november 1989 begon als een officiële demo namens de staat. Hoe hadden wij nu kunnen geloven dat die zou eindigen in een revolutie tégen het systeem? Wij zagen die studentjes op de televisie en bleven lekker thuis, in onze geheime verschansingen. En zie eens wat er van ons jongens uit het Poolse grensgebergte is geworden? Een van hen was Alexandr Vondra, de huidige minister van Defensie. En een ander was Ivan Lamper, de latere hoofdredacteur van Respekt, ons beste weekblad. En ik werd dus schrijver.’
De herdenkingsdienst voor Jirous vanochtend ademde een verrassend klassiek-katholieke geest, geleid door de bisschop. In plaats van anarchie en undergroundmuziek waren er knielende, prevelende oude rockers en chartisten.
'Ik ben in diezelfde Ignatiuskerk getrouwd, twintig jaar geleden. Jazeker. Mijn vrouw gaat elke zondag met onze beide dochters naar de kerk. Ook de Plastic People-band en de mensen om hen heen zijn echte katholieken. Een simpele verklaring is natuurlijk dat onze communistische onderdrukkers atheïsten waren en de kerk in de oppositierol zat. De mensen waren bang, en de meest hulpvaardige lui waren toen priesters. Ivan Jirous, de grote dwarse dichter, was zo religieus dat hij na een nacht alcoholisch doorhalen prompt naar de Heilige Maagd Maria ging. Dat gold voor al die langharigen - en dus nog steeds.’
Mensen hebben in het woelige leven een autoriteit nodig, heet het. Maar als er één ding uit uw boeken blijkt, is het een permanent wantrouwen tegen elke autoriteit, of dat nu dorpsnotabelen zijn en aanvoerders van jongensbendes of sovjetcommando’s en Wit-Russische oppositieleiders. Welke autoriteit heeft het geloof, heeft een god dan nog?
Topol grijnst. 'Ik zou best wel een gelovige met een rein hartje willen zijn. Maar het zit er niet meer in, nee. Ik heb natuurlijk ook te veel gelezen en gezien, vooral toen ik reportages in Oost-Europa maakte voor Respekt. Maar religie heeft wel iets moois, iets mystieks. Ik weet zeker dat het geloof Ivan Jirous en de anderen hielp de gevangenis te doorstaan. Václav Havel zat een jaar of vijf in de cel, en onder de medegevangen dissidenten circuleerde het gerucht dat hij nu wel een echte katholiek zou worden.’
Maar dat werd hij niet, toch?
'Nee, hij is net als ik. Hij heeft wel een prachtig essay geschreven op het thema geloven: “Ik heb nog één stap nodig, een mystieke aanraking.” Maar die kwam niet.’
Die mystiek zit wel volop in uw werk: magische momenten, legenden, doden die de levenden op de huid zitten.
'Ja, in mijn werk zit dat magische volop. Het is de geest van het Boheemse platteland, waar ik als kind veel tijd heb doorgebracht.’
'Als je in een oud graf graaft, breek je de botten van de overlevenden.’
'Hé, die zin komt uit mijn laatste boek, Chladnou zemí! (letterlijk 'Koud land’, de Nederlandse titel is De werkplaats van de duivel - ah). Dat is een Wit-Russisch gezegde. Ik was in dat land op tournee met een eerder boek van me, en iemand sprak die zin uit. Je kunt het als een politiek statement van me zien. Het gaat over een taboe, en ik doorbreek dat in mijn laatste boek juist. Ze willen het in Wit-Rusland dan ook niet uitgeven. Ik vond het een shock om te ervaren hoe de Tweede Wereldoorlog in dat land politiek wordt gebruikt. De legende heerst dat het alleen de fascistische Germanen waren die de Slaven hebben afgeslacht. Maar Slaven hebben de Slaven er net zo hard afgeslacht.’

DE WERKPLAATS van de duivel is één groot statement tegen het verdringen en mystificeren van het verleden, maar net zo goed tegen de politieke en toeristische uitbuiting ervan. In het boek, dat eerder dit jaar op de (Nederlandse) shortlist voor de Europese Literatuurprijs stond, rakelt Jáchym Topol het massale moorden onder Hitler en Stalin op. Het speelt zich af in twee 'steden van de dood’: het voormalige nazi-concentratiekamp Theresienstadt/Terezin in Tsjechië en het Wit-Russische stadje Chatyn. De hoofdpersoon voert met een alternatieve commune van toegereisde jonge troostzoekers actie om het vervallen garnizoensstadje Terezin met het kamp te behouden. Wanneer dat mislukt, zet hij zijn expertise in voor geheime 'museumbouwers’ in Wit-Rusland. Daar vormen de opeenvolgende slagvelden een ondergrondse duivelswerkplaats. Topol laat zowel de autoriteiten als hun tegenkrachten in beide gedenkoorden op surrealistische wijze sollen met de doden. In de macabere uitsmijter van het boek zijn genocideslachtoffers geprepareerde tentoonstellingsstukken geworden.
Hoe staan de verhalen over beide plekken in verhouding tot de werkelijkheid?
'Het werkelijkheidsgehalte is groter dan je op basis van mijn “zwarte humor” zou denken. Ik ken Terezin met het kamp Theresienstadt van kindsbeen af. Niemand bij ons wil betalen voor het behoud van een Duits concentratiekamp. Het lijkt erop dat een deel van het terrein inderdaad zal worden vernietigd. Ik was er kortgeleden nog met de Amerikaanse vertaler van De werkplaats van de duivel. En wat had ik een geluk! Want hij zei me vooraf: “Jij bent een leugenaar, Jáchym, met al jouw geiten van Terezin en je actievoerende geitenhoeder.” Enfin, we kwamen in het vestingstadje, en daar liepen dus die geiten! Ze worden ingezet om het gras op de oude wallen weg te eten.’
Maar u had de geiten toch best mogen verzinnen? U schrijft fictie, u mag de waarheid liegen.
'Ik wil niet dat men denkt dat ik de spot drijf met de doden. Ik ben nog met Ivan Klima in Theresienstadt geweest, onze grote schrijver die als joods kind in dat kamp heeft gezeten. Hij vond mijn boek compleet maf, maar wel in orde. Dat was heel belangrijk voor me. En niet alleen de geiten waren er echt, ook die verlepte oude bewoners en die alternatieve commune. Zelfs zo'n Grote Lea uit Holland heb ik er meegemaakt, op zoek naar haar vermoorde familie. Nadat mijn boek in 2009 was uitgekomen, kreeg ik brieven en foto’s van zulke “britsenzoekers”, joodse jongeren die in Terezin hebben gebivakkeerd.’
Je zou u bijna tegen uw boek, uw kunst, in bescherming nemen: verraadt u dat nou niet allemaal!
'Maar ik vind het belángrijk dat men weet wat ervan waar is. Zowel van het heden als van het verleden. Ik schreef De werkplaats van de duivel nota bene in Berlijn, in de wijk waar de nazi’s hun Generalplan Ost hebben uitgebroed. Ik liep het gevaar gek te worden van al die massagraven. Maar ik word niet gek, want ik heb mijn dochters en mijn boek is af. Ik heb even schoon genoeg van het thema, dat wel.’
Los van al die gruwelen komt Topol evenwel niet. Onlangs was hij nog te gast op een holocaustconferentie in München - naar eigen zeggen alleen omdat ze hem een paar honderd euro hadden geboden. 'Maar tot mijn verrassing waren er zo veel jonge mensen op af gekomen, met zo veel goede vragen! Ze vroegen mij bijvoorbeeld over die geprepareerde hoofdjes, die tsantsa’s uit De werkplaats van de duivel. Wat was ik blij met die vraag! Nu kon ik vertellen dat ik die ook al niet heb gefantaseerd. Ik heb zulke verschrompelde mensenhoofden gezien op beroemde foto’s die een rol hebben gespeeld bij de de processen van Neurenberg.’
In het boek komt een Zuid-Amerikaanse kampoverlevende voor die door de nazi’s was gedwongen de tradtionele tsantsa-kunst uit te voeren: het maken van ingedroogde 'sinaasappeltjes’ van de hoofden van de slachtoffers. Topol laat de hoogbejaarde in het heden tsantsa’s maken in de Wit-Russische bloodlands.
U bent een amorele, postmoderne cultauteur genoemd. Maar bent u niet eigenlijk een moralist, een goede erfgenaam van Václav Havel?
'Ja, dat denk ik wel. Maar dat is een groot geheim, vertel het niet aan mijn vrienden.’

OVER VRIENDEN gesproken: daar komt de surrealistische-dichtersclub café Montmartre binnenzetten. 'Hé, daar heb je warempel Max, mijn Wit-Russische vriend in Praagse ballingschap. Is dat een leuk toeval!’ Topol roept hem. 'Max heeft namelijk een vernietigende recensie van De werkplaats van de duivel geschreven.’
Jáchym overdrijft weer eens, grapt de jonge Wit-Rus. Maar diens boek vindt hij in één opzicht pijnlijk: is er eindelijk een functionerende Wit-Russische oppositie, wordt deze als een stel nationalistische griezels en gewinzoekers neergezet. Topol geniet van de situatie. 'O, wat houd ik toch van Praag, met zijn spontane confrontaties!’
Václav Havel sprak in zijn legendarische nieuwsjaarstoespraak van 1990 van Tsjechoslowakije als een 'besmette morele omgeving’. Iedereen die in de dictatuur leefde, had daar ook een zekere verantwoordelijkheid voor: 'Wij allen zijn haar medescheppers, en niet enkel slachtoffers.’ Hoe is het nu met dat besef gesteld?
'Ik had het geluk voor De werkplaats van de duivel de Seifertprijs te krijgen, dus de aandacht voor dit thema was verzekerd.’ Het is de grootste literaire onderscheiding in het land, genoemd naar de enige Tsjechische Nobelprijswinnaar in de letteren. Ook Václav Havel en Ivan Jirous ontvingen de prijs de afgelopen jaren. 'Dus ik ben vervuld van trots. Maar uw vraag… Alle feiten over mijn land in de twintigste eeuw zijn inmiddels ruimschoots bekend. Nee, niet alleen die over ons als slachtoffers, maar ook bijvoorbeeld alle meeloperij hier en de misdaden tegen de Duitse burgers van het land direct na de oorlog. De jongere generatie intellectuelen haalt voordurend lijken uit de kast.’
Maar u heeft zelf een keer beweerd dat het communisme in uw land niet is verwerkt. En daarin staat u bepaald niet alleen.
'Laat me dit met een anekdote proberen te beantwoorden. Nu ik even genoeg heb van het geschrijf, probeer ik “goed” te doen - al doe ik dat, denk ik, vooral voor mezelf. Morgenmiddag ontvang ik de zoveelste groep holocaustoverlevenden boven in de Havel-bibliotheek. Niet weinige van deze mensen werden ook onder het stalinisme weer vervolgd. En sommige hadden al eind jaren dertig in de Goelag gezeten. Zulke mensen gaan wij dan over Václav Havel vertellen, over de dissidenten van de jaren zeventig en tachtig. Dan krijg je geheid sarcastische opmerkingen, zoals: “In júllie gevangenis had je het probleem dat je vet werd.”
Václav Havel klaagde daar namelijk over. Bij wijze van spreken dan. Hij was 45, had een buikje en vreselijke kiespijn. Samen met hem in de gevangenis zaten van die twintigjarige, getatoeëerde misdadigers die hem, de zielige bourgeoiszoon, vernederden en uitlachten. Maar als ik zo'n getourmenteerde groep bezoekers vervolgens vertel dat een stoere bink uit Havels cel, ik meen een zigeunerjongen, een vuurtje maakte, een brandend strootje pakte en dat plotsklaps in de ontstoken plek in Havels mond stiet, heb ik groot succes. Meteen liep daar wel een halve liter etter uit, zeg ik erbij. Ja, roepen de toehoorders dan, dat is goed! Dat is de kampmethode, die kennen we!’
Er heerst, kortom, enige concurrentiestrijd tussen de slachtoffers van de afgelopen eeuw.
'Precies. En het leed van de Charta-generatie is slechts aan een klein publiek besteed. Dat was pal na de Fluwelen Revolutie wel anders. Toen gingen de legaal geworden boeken van Václav Havel en andere dissidenten bij honderdduizenden over de toonbank. Kijk, de meeste mensen interesseert de geschiedenis sowieso geen moer. Ze hebben wel wat anders aan het hoofd dan boeken vol monsters: alle bezuinigingen, alle corruptie…’
De Fluwelen Revolutie werd eerder deze dag in Praag ook herdacht met een protestdemonstratie. De Sloveense filosoof Slavoj Zizek had zich op het Wenceslausplein tot boegbeeld opgeworpen. 'Is dit nu waar jullie het allemaal voor deden?’ schreeuwde hij uit. 'In 1989 gingen jullie de straat op voor solidariteit en vrijheid. En wat hebben jullie gekregen? Vrijheid zonder solidariteit, de vrijheid van het gecorrumpeerde kapitalisme!’
De grootste verdediger van de nieuwe Tsjechische vrijheid is uw staatspresident Václav Klaus. Hij grossiert in rechtspopulisme, met harde uitspraken tegen homoseksuelen, Roma, Duitsers, noem maar op. Hij vergeleek Europa zelfs met de Sovjet-Unie. De Europese Unie zou uit zijn op de vernietiging van de Tsjechische cultuur.
'Hou op, ik schaam me dood. Eergisteren In New York werd ik, als Tsjechische burger, nog voor het gebral van Klaus ter verantwoording geroepen. Het is goed klote zo'n karikatuur als staatspresident te hebben.’
Maar dat is alleen mogelijk omdat genoeg Tsjechen het met hem eens zijn.
'Het grootste gevaar voor dit arme land is dat men dergelijke visies als de normaliteit gaat zien. Onder president Havel was niets “normaal” en alles in beweging. Zo kon Havel een tijdlang, met zijn uitstraling van tolerantie, het morele geweten van allen worden. Hé, maar we moeten nu echt naar boven!’
In het zaaltje naast de Havel-bibliotheek gaat de première plaatsvinden van Václav Havels allereerste toneelsteksten, die hij rond 1960 schreef voor de revue Liften. 'Ik hoop maar dat er mensen komen’, mompelt Jáchym Topol. 'Het is tenslotte de nationale feestdag.’
Maar het zaaltje stroomt vol. Topol introduceert met passie het bijbehorende boek met deze absurdistische vroege eenakters. Hij krijgt de lachers op zijn hand. En Havel ook, met zijn sketches, gelezen door topacteurs. Dan is er wijn, volop rode wijn.

DE VOLGENDE middag ontvangt de auteur, inmiddels met zwartomrande ogen, in hetzelfde zaaltje boven café Montmartre zeker vijftig hoogbejaarde holocaustoverlevenden, die zich in de geheimen van Charta 77 laten inwijden. Tijdens de voordracht van zijn collega komt Topol de bieb ernaast instormen. 'Dit is wat ik bedoelde! Geweldig! Zij vertelt die mensen over de enorme hoeveelheden scherpe paprika’s die de Charta-gevangenen met tranende ogen moesten snijden. En daar staat zo'n kampoverlevende op en roept: “Die hadden tenminste nog paprika’s!”’