Arundhati Roy, spiegel van India

‘Ik ben een onafhankelijke, mobiele republiek’

Arundhati Roy is terug. Haar langverwachte tweede roman is een voortzetting van twintig jaar felle kritiek op het blinkend imago van India.

Medium nieuw effendi arundhati best 018
© Rena Effendi

Vastbinden aan een legertruck en gebruiken als afweer tegen stenengooiers. Dat is wat er volgens Paresh Rawal, Bollywood-acteur en lid van het Indiase parlement, moet gebeuren met schrijver en essayist Arundhati Roy. Rawal twitterde deze oproep onlangs naar zijn 425.000 volgers na berichten in de Pakistaanse media dat Roy bij Srinagar, de zomerhoofdstad van Kasjmir, zich kritisch zou hebben uitgelaten over de aanwezigheid van het Indiase leger dat daar met honderdduizenden manschappen de grootste gemilitariseerde zone ter wereld in stand houdt. Het bleek achteraf een verzonnen bericht te zijn. Roy is al geruime tijd niet meer in de door India en Pakistan betwiste deelstaat geweest. Maar het was niet ongeloofwaardig. Arundhati Roy ís kritisch over de Indiase militaire aanwezigheid in Kasjmir, zeer uitgesproken zelf. ‘Azadi’ (vrijheid) is de leuze van het verzet in de Kasjmirvallei, en een terugkerend motief in de roman waar sinds haar ronkende debuut twintig jaar geleden op is gewacht, The Ministry of Utmost Happiness:

‘[Azadi] was meer dan een politieke eis. Het was een Hymne, een psalm, een gebed. Het wrange van het geheel was – en is – dat als je vier Kasjmiri’s bij elkaar in een kamer zou zetten en hun zou vragen wat Azadi voor hen nu precies inhield, door welke ideologische en geografische grenzen het begrip voor hen werd bepaald, ze tijdens die discussie hoogstwaarschijnlijk elkaar de keel zouden doorsnijden.’

Dit is hoe Arundhati Roy schrijft, vanuit het besef dat achter iedere rechtlijnige interpretatie, iedere met stelligheid gebruikte term, een kluwen van tegenstrijdigheden schuilgaat. Als het gaat om het moderne India, land van duizelingwekkende complexiteit, is zij degene die de stenen omkeert en laat zien wat eronder zit. Het maakt haar tot een van de meest verfijnde – en meest omstreden – denkers van het Indiase subcontinent.

Het ministerie van Opperst Geluk (de vertaling is verschenen bij uitgeverij Prometheus) laat zien wat een tragisch toneel Kasjmir is geworden als gevolg van een patstelling in India. Het Indiase leger martelt, executeert en schiet met scherp op betogers. Wie in wapens handelt profiteert, omdat een gespannen status-quo de vraag naar geweren en munitie overeind houdt. De vrijheidsstrijders zijn vervreemd geraakt van oorspronkelijke idealen. Fictie, uiteraard, maar samengesteld uit duizend werkelijkheden. Een situatie, kortom, waarin niemand onschuldig blijft. En mocht deze gewelddadige episode ooit eindigen, dan wacht een volgende:

‘En na de Azadi? Heeft iemand daarover nagedacht? Wat gaat de meerderheid met de minderheid doen? (…) Alleen wij moslims zijn er nog. Wat zullen we elkaar aandoen? Wat zullen de salafisten met de barelvi doen? En de soennieten met de sjiieten? (…) Wat zal het lot zijn van de Ladakhi boeddhisten? Van de hindoes in Jammu? (…) is er ook maar een separatist die daarover heeft nagedacht? Het antwoord, kan ik je vertellen, is een dikke vette Nee’.

De oproep van Paresh Rawal om Arundhati Roy fysiek te laten kennismaken met het geweld in Kasjmir werd een kleine mediarel die – zoals dat gaat met media-relletjes – ook weer overwaaide. Rawal verwijderde zijn tweet. Hij meende niet echt dat Roy met stenen moest worden bekogeld. Hij wilde ‘discussie uitlokken’. Roy bleef ongedeerd. Dat gold in mindere mate voor Farooq Ahmad Dar, een inwoner van Kasjmir die afgelopen mei daadwerkelijk door Indiase militairen aan een legerjeep werd vastgebonden als menselijke afweer tegen een groep stenengooiers. Op die manier hoefde het leger geen vuurwapens te gebruiken en werden dodelijke slachtoffers voorkomen, verklaarde naderhand de majoor die opdracht had gegeven om Dar vast te binden. Hij won er een hoge militaire onderscheiding mee.

Tijdens een gesprek met Arundhati Roy dat plaatsvindt, in transit, in een hotel op Schiphol, blijkt het incident niet al te zwaar op haar te drukken. ‘Met mij is niets gebeurd’, zegt ze kalm. ‘Maar als het om iemand anders was gegaan had die gedood kunnen worden, zoals is gebeurd met moslims en dalits (de laagst geplaatsten in India’s kastenstelsel – ct) die op basis van geruchten door een meute zijn aangevallen.’ Roy vertelt over recente incidenten waarbij valse berichten over koeiensmokkel en geliefden die religieuze scheidslijnen negeren werden gebruikt als aanleiding voor lynchpartijen. ‘Dat is wat gebeurt als je leeft in een wereld van fake news en ontvlambaar temperament.’

In India borrelt het geweld direct onder het oppervlak, vertelt Roy. Onlangs werd in Haryana, Noord-India, een vijftienjarige moslimjongen vermoord die tijdens de ramadan per trein op weg naar huis was. Dit was het werk van zogenaamde gau rashaks, ‘koeienbeschermers’, die het schenden van hindoeïstische voorschriften wreken. De jongen zou rundvlees bij zich hebben gehad. Het lijken spontane uitbarstingen, maar vergis je niet, zegt Roy: ‘De gewelddadige meute ontstaat nooit zomaar. Ze krijgen ieder politiek signaal dat het hen is toegestaan gewelddadig te zijn.’

Het gesprek vindt plaats tijdens de promotietour voor Roy’s nieuwe boek. ‘Petite, smiling, beautiful, with high, round cheeks, huge brown eyes and a graduated bob of silvery curls that dance over her forehead and into her eyelashes’ – journalisten van Vogue zijn er goed in om woorden te vinden bij een bijzonder voorkomen. Zo goed dat ik ze graag overneem en volsta met te zeggen dat de glossy haar verschijning recht deed in een recent artikel dat verscheen naar aanleiding van haar nieuwe boek. Mijn ontmoeting met Roy is de vervulling van een lang gekoesterde wens. Jaar op jaar bleven interviewverzoeken onbeantwoord – te druk met het nieuwe boek, liever geen afleiding.

Roy is blij even onderweg te zijn en op veilige afstand af te wachten hoe haar boek in haar thuisland wordt ontvangen, vertelt ze. Al achtervolgt de onrust haar. Een lezing die ze gaf in Rotterdam werd verstoord, nadat via Facebook Indiërs in Nederland waren opgeroepen om te gaan demonstreren, omdat Roy ‘anti-India’ zou zijn. Ze krijgt dit regelmatig naar haar hoofd geslingerd, in Indiase talkshows onder meer. Het is een grimmig antwoord op haar kritische lezing van het moderne India en haar directe verleden. Als een van de weinige Indiase intellectuelen is ze bijvoorbeeld louter kritisch op nationale held Mohandas Gandhi in wie Roy vooraleerst een verdediger van het onderdrukkende Indiase kastestelsel ziet.

‘Het is veel gemakkelijker om een bom te maken dan om vierhonderd miljoen mensen onderwijs te verschaffen’

In 2014 schreef Roy The Doctor and the Saint, een lang essay over de Indiase rechtsgeleerde B.R. Ambedkar. Zelf afkomstig uit de dalit-kaste streed Ambedkar voor het afschaffen van de erfelijke ongelijkheidsleer die ieders plaats in de Indiase samenleving bepaalde en, hoewel afgeschaft, nog altijd in de hoofden van veel Indiërs bestaat. Net als Gandhi was Ambedkar een gezicht van de Indiase onafhankelijkheidsbeweging, maar de twee verschilden in hun opvatting over kaste. Gandhi hield uiteindelijk vol dat de vier varna’s, de moederkasten, in stand moesten blijven. Roy kwam tot haar interpretatie op basis van het woord voor woord doorspitten van Gandhi’s verzamelde teksten.

Uiteindelijk doet ze de Indiase vader des vaderlands af als een inconsistent denker. ‘The trouble is that Gandhi actually said everything and its opposite. To cherry pickers, he offers such a bewildering variety of cherries that you have to wonder if there was something the matter with the tree’, concludeert Roy in haar essay, dat verscheen als voorwoord bij een heruitgave van Annihilation of Caste, Ambedkars pleidooi voor grondwettelijke gelijkheid van alle Indiërs. Haar voorkeur voor Ambedkar boven Gandhi als model voor wat India zou moeten zijn kwam haar op felle kritiek te staan.

Medium effendi arundhati alternative 020
Delhi, juni – ‘Iedereen kan comfortabel over India heen zoeven zonder te ervaren welke realiteit eronder schuil gaat’ © Rena Effendi

De roerige bezigheid van het polemiek bedrijven staat in contrast met die andere – fictieve – wereld die Roy bewoont. Daar gaat het om het scheppen van een universum en zijn bewoners. Mannen, vrouwen en mensen die niet in die categorieën passen, plus de rollen die zij spelen als drager van geschiedenis en actueel conflict. In Kasjmir en op veel andere plekken in India waar Roy zich als activist begeeft is er continue confrontatie. In de literaire wereld kun je de confrontatie juist uitstellen, jarenlang zelfs, terwijl je werkt aan een nieuw boek dat haast als vanzelfsprekend op de longlist van de Booker Prize 2017 belandt. Net zoals twintig jaar geleden, de laatste keer dat Roy van zich liet horen als fictieschrijver.

Met Het ministerie van Opperst Geluk keert zij na twee decennia van afwezigheid terug naar de literatuur. Het verlangen waarmee Arundhati Roy-fans naar de verschijning uitzagen (Vogue: ‘lente na een lange winter’) heeft alles te maken met de spectaculaire entree die Roy in 1997 als debutant maakte. Haar boek De god van kleine dingen was een literaire sensatie die het einde van de vorige eeuw markeerde: een onbekende jonge Indiase die zowel de grote thema’s van de mensheid (liefde, religie, politieke ideologie) als specifiek Indiase (kaste, vrouwenonderdrukking, postkoloniaal trauma) wist samen te pakken in een serie verknoopte levensverhalen die zich afspelen tegen het decor van een broeierig Zuid-India.

Bij het verschijnen van De god van kleine dingen vormden de Engelstalige media een unisono lofkoor rondom Roy. Haar boek werd geprezen als magisch en aangrijpend. The God of Small Things kon zo op de plank naast Salman Rushdie’s Midnight’s Children en V.S. Naipauls In a Free State. Meeslepende literatuur over de condition indienne waarin de grote bewegingen voelbaar zijn in het individuele leven. En dan was dit boek ook nog eens geschreven door een jonge vrouw die haar entree maakte als schrijver. De jury van de Booker Prize bezegelde het succes door haar in 1997 de prijs toe te kennen. De politieke elite in haar thuisstaat Kerala was niet zo enthousiast. Vanwege een aantal vrij onomwonden seksscènes noemde de hoogste minister van Kerala het boek destijds ‘obsceen’, een oordeel dat vooral leek ingegeven door het feit dat de liefdeshandelingen plaatsvonden tussen mensen van verschillende kaste en geloof. Het stond een wereldwijde verkoop van acht miljoen exemplaren niet in de weg.

Het stormachtige succes van Roy paste ook in het veranderend imago van het Indiase subcontinent. Het verschijnen van De god van de kleine dingen viel samen met een halve eeuw onafhankelijk India, dat als onderdeel van een opkomend Azië openstond voor buitenlands kapitaal. Succes op het culturele vlak paarde mooi met dit India shining, en Roy was daar een geschikt icoon voor. De tropische pracht Kerala waar ze opgroeide werd langzaam ontdekt door toeristen die zich per house boat door de betoverende wateren van deze deelstaat lieten voeren en Roy verscheen in de glossy’s.

Dat in werkelijkheid een tegendraads denker op het schild werd gehesen bleef enigszins op de achtergrond in die kleurrijke lifestyle-reportages. Want als er één verbindend thema is in haar werk is het dat Arundhati Roy laat zien op welke bittere fundamenten het kleurrijke succesverhaal van India steunt. Zeg daarom ook nooit dat ze bijna twintig jaar niets heeft geschreven. Geen romans, dat klopt, maar tussen eind jaren negentig en nu ligt een omvangrijke verzameling essays die de glimlach waarmee opkomend India zich tot de wereld richt naar beneden trekt in een strakke grimas.

Dat Arundhati Roy geen uithangbord voor een nieuw India was werd duidelijk toen het land in 1998 onverwacht een serie succesvolle proeven met atoombommen uitvoerde. Operatie ‘Shakti’ (Hindi voor macht) moest het imago van India als nieuwe supermacht onderstrepen en het aanpalende Pakistan (dat ook over kernwapens beschikt) duidelijk maken dat het conflict op scherp stond. De kernproef volgde op het winnen van de verkiezingen in 1998 door de hindoe-nationalistische bjp die in twintig jaar tijd van een marginale fractie was uitgegroeid tot de grootste partij in het Indiase parlement.

Terwijl met name het bjp-electoraat de ‘hindoe-bom’ onthaalde als een symbool van nationale trots, waarvan de komst al was voorspeld in de hindoe-mythologie, verbaasde Arundhati Roy zich erover dat de mogelijkheid van totale vernietiging als iets geweldigs werd gevierd. De bom was volgens haar een schrille truc om de aandacht af te leiden van werkelijke problemen: ‘De waarheid is dat het veel gemakkelijker is om een bom te maken dan om vierhonderd miljoen mensen onderwijs te verschaffen’, schreef Roy destijds in haar essay Het einde van de verbeelding.

‘India’s atoombom is het definitieve verraad van een heersende klasse jegens het volk’

Dat essay was tevens haar onafhankelijkheidsverklaring. Ze zou niet meedoen aan het dominante discours dat zich in India aan het vormen was: de overtuiging dat er zoiets heeft bestaan als een hindu-rashtra, een natie die samenvalt met haar hindoe-bevolking en die in ere moet worden hersteld. In dat wereldbeeld vormt iedereen die niet kan worden aangewend ter versterking van de hindoe-ideologie (waaronder de miljoenen christenen, moslims, boeddhisten, jaïnisten, sikhs, baha’is en ga zo maar door) een afwijking zo niet een bedreiging. Dit schreef Roy: ‘Als protesteren tegen de implantatie van een kernbom in mijn hersenen anti-hindoe en antinationaal is, dan scheid ik mij nu af. Bij dezen roep ik mijzelf uit tot een onafhankelijke, mobiele republiek. Ik ben een staatsburger van de aarde. Ik heb geen grondgebied, ik heb geen vlag. (…) ik ben bereid ieder bestaand non-proliferatieverdrag te ondertekenen. Immigranten zijn welkom.’

Medium gettyimages 813417268
Mumbai, 26 oktober 2010, nationalistische activisten van de Congress Party verbranden een beeltenis van Arundhati Roy © Rena Effendi

Ze verloor hiermee veel van haar Engelssprekende aanhang uit de hogere klasse die haar literaire succes had opgeleverd, vertelde ze in 2004 in een interview met The New York Times. Wat ze er voor terugkreeg was een publiek dat haar omarmde als spreekbuis van de groepen die zich vanwege kaste, religie of etniciteit niet thuis voelden bij het aanzwellende hindoe-nationalisme en aan wie de economische opmars van India niet ten goede kwam. ‘India’s atoombom is het definitieve verraad van een heersende klasse jegens het volk’, concludeerde Roy.

Het zou nooit meer goed komen tussen Roy en de rechtse elite. Het streven van de nationalisten naar hun hindu-rashtra is almaar intensiever geworden. De huidige bjp-premier Narendra Modi is afkomstig uit de gelederen van Rashtriya Swayamsevak Sangh (rss), een militante hindoe-organisatie gemodelleerd naar de fascistische beweging in het Europa van de jaren 1930. De rss onderhoudt een uitgebreid netwerk van scholen en vrijwilligersorganisaties en fungeert als voorportaal voor de electorale politiek: aan de ene kant via haar invloed op de bjp-elite en aan de andere kant door de geesten van een deel van de Indiase bevolking te kneden volgens opvattingen van de Hindutva, het rss-ideaal van een homogene hindoestaat die permanent bedreigd wordt door moslimoverheersing.

Roy, op haar beurt, volhardt in het doorprikken van mythes. In het voorwoord bij een recente, verzamelde uitgave van haar essays laat Roy zien dat jezelf identificeren als hindoe een betrekkelijk nieuw fenomeen is. ‘Hindoe’ als politiek-culturele categorie ontstond aan het begin van de twintigste eeuw en diende als instrument om een kiezersgroep te creëren ten tijde van India’s eerste stappen op het pad van democratie. Ze verwijst naar het werk van Ambedkar die beschrijft hoe de term ‘hindu’ werd gemunt door mohammedanen om bewoners ten oosten van de Indus-rivier aan te duiden, en zichzelf daarvan te onderscheiden. Zo plant het ene groepsdenken de zaden voor het volgende.

Roy pleit tegen nationalistische cultuurpolitiek in India, omdat die maar al te vaak leidt tot sektarisch geweld. Ze tekende op hoe bjp-prominent, rss-lid en oud-minister van Binnenlandse Zaken L.K. Advani in de jaren negentig India doorkruiste om een beweging op te zetten die een tempel wilde bouwen in Ayodhya op wat de heilige geboortegrond van de hindoegod Rama zou zijn. Daar stond de Babri Masjid, een moskee die in 1992 onder toekijken van Advani met de grond gelijk werd gemaakt door een opgeruide meute. De verwoesting van de Babri Masjid zette een spiraal van geweld tussen hindoes en moslims in gang waarbij tweeduizend doden vielen (en resulteerde in een tijdelijke ban op de rss). Het bouwen van deze Rama-tempel is inmiddels cause célèbre voor hindoes wereldwijd.

Tien jaar later braken in de deelstaat Gujarat gewelddadige rellen uit. Op 27 januari 2002 eiste een treinbrand het leven van een groep hindoeïstische pelgrims die terugkeerde van bedevaart naar Ayodhya. Opgejut door geruchten dat de brand was aangestoken door moslims trokken hindoemenigten in woede op tegen de islamitische bevolking van Gujarat. Dit schreef Arundhati Roy kort na het voorval: ‘Een vriendin uit Vadodara (in Gujarat – ct) belde me gisterenavond. Ze huilde. Het kostte haar een kwartier om me te vertellen wat er aan de hand was. Het was niet ingewikkeld. Alleen dat een vriendin van haar, Sayeeda, door een woedende menigte was aangevallen. Dat haar buik was opengesneden en met brandende lappen was volgepropt. Dat iemand, nadat ze gestorven was, “OM” in haar voorhoofd had gekerfd.

Welk hindoeïstisch heilig geschrift predikt dit?’

In de nasleep van het bloedbad in Gujarat, waarbij ruim duizend doden vielen en tienduizenden mensen dakloos raakten, kwamen veel van dit soort ooggetuigenverslagen naar boven. Over hoe groepen hindoe-fanatici met benzinebommen, zwaarden en drietanden vrouwen en ongeboren kinderen te lijf gingen. Dokters rapporteerden groepsverkrachtingen en verminkte lichamen. Ziekenhuizen werden aangevallen.

Nog altijd zijn veel vragen rond Gujarat 2002 onopgehelderd. De oorzaak van de treinbrand bijvoorbeeld – al lijkt het inmiddels duidelijk dat brandstichting door moslimterroristen een verzinsel was. Ook onverklaard is hoe de moordende meutes konden beschikken over kadastrale gegevens en kieslijsten die precies aanwezen welke huizen en winkels van moslims waren. Het grootste vraagteken hangt boven het hoofd van Narendra Modi, destijds de hoogste minister van Gujarat, en daarmee verantwoordelijk voor politie en leger die het geweld hadden moeten stoppen. Toch kon deze pogrom weken voortduren zonder ingrijpen en werd naderhand niet meer dan een handjevol daders vervolgd.

‘De wijsheid van iedere verzetsbeweging is dat ze houden van dat waarvoor ze vechten’

Ruim vijftien jaar later is de voorlopige uitslag als volgt: Narendra Modi zit sinds de verkiezingen van 2014 stevig in het zadel als premier van India, na een spectaculaire campagne waarin persoonsverheerlijking de boventoon voerde. Op massabijeenkomsten droegen aanwezigen papieren Modi-maskers en de aankomend premier verscheen als hologram daar waar hij niet in persoon aanwezig kon zijn. Onder Modi heeft de Hindutva-politiek nieuw elan gevonden. Het doorsnijden van de diplomatieke banden met hem door de VS en het Verenigd Koninkrijk wegens nalatig optreden bij de Gujarat-rellen is teruggedraaid. Vorig jaar werd Modi welkom geheten door David Cameron in een stampvol Wembley-stadion. Onlangs nam Modi op een podium Donald Trump in de armen. Daarna deed hij Nederland aan, waar Modi een fiets cadeau kreeg van Mark Rutte.

Roy, ondertussen, voert in Het ministerie van Opperst Geluk een berekenende politicus op, Gujarat ka lalla, Gujarats beminde, die steeds openlijker spreekt over wraak nemen op eeuwenlange moslimoverheersing en een mars op de hoofdstad begint. ‘En het zou niet lang duren of de Beminde trok Delhi binnen. Zijn volk met papieren maskers op naar zijn gelijkenis, zou hem op de schouders dragen, zijn naam scanderen – Lalla! Lalla! Lalla! – en hem op de troon zetten. Overal waar hij keek, zou hij alleen zichzelf zien. De nieuwe Keizer van Hindoestan.’ Fictie, opnieuw, maar hier past het motto, ontleend aan James Baldwin dat Roy halverwege haar boek aanhaalt: ‘En ze wilden me niet geloven, juist omdat ze wisten dat ik de waarheid sprak.’

Haar nieuwe boek leunt sterk op deze methode: een reële, herkenbare werkelijkheid samengebald in strakke zinnen zonder tijd, plaats en persoon. ‘De vliegtuigen die in de hoge gebouwen waren gevlogen, kwamen ook voor velen in India als een geschenk. De dichter-premier van het land en de verschillende ministers uit zijn kabinet waren lid van een oude organisatie die vond dat India in wezen een hindoenatie was en dat het land zich tot een hindoestaat moest uitroepen, net zoals Pakistan zichzelf tot islamitische republiek had uitgeroepen.’ Ze hoeft 9/11, de rss en Modi’s voorganger Vajpayee (die als premier tijdens de Gujarat-rellen pas na maanden de geweldshaard bezocht) niet te noemen. Herkenning is wat deze woorden doel doet raken.

Op het andere moment dringt in Het ministerie van Opperst Geluk de wrange werkelijkheid zich via het kleine leven op. Roy voert Anjum op, geboren als Aftab: een hijra, transgender, die overleeft op plekken die anderen fataal zouden worden. Ze bouwt een onderkomen op een kerkhof in de oude stad van Delhi, tussen de junks en daklozen, dat al gauw een pleisterplaats wordt voor andere wezens – mens en dier – die om uiteenlopende redenen buiten de samenleving vallen (Roy heeft haar boek opgedragen aan deze ‘ongetroosten’). Op zeker moment reist Anjum per trein naar Gujarat voor een bezoek. Je weet direct wat haar te wachten staat.

Anjum – moslim – overleeft de pogrom in Gujarat omdat, nadat ze is neergeslagen en de kleren van het lijf is gescheurd, haar belagers ontdekken dat ze ergens tussen man en vrouw in valt. En een hijra vermoorden brengt ongeluk volgens de bijgelovige hindoemilitanten. Wat volgens haar ouders haar geboorteprobleem was, redt kortom haar leven. Wel draagt ze vanaf dat moment mee wat ze op de straten van Ahmedabad zag gebeuren: het ene deel van de bevolking dat zich tegen het andere keert. En Anjums trauma is India’s trauma. ‘De rellen vinden in onszelf plaats, de oorlog woedt in onszelf. Indo-Pak zit in onszelf. Het zal nooit tot bedaren komen. Dat kán gewoonweg niet’, krijgt Anjum te horen van een mede-hijra die haar inwijdt in de rol die het ‘derde geslacht’ speelt in de Indiase samenleving.

En dan is er Saddam Hussein, niet de Iraakse dictator, maar iemand die zich zo heeft genoemd na het zien van een executievideo van de echte Saddam. Hij is een van de dolende zielen die onderdak vindt bij Anjum en zoals veel arme Indiërs een man van vele ambachten, al kun je je afvragen of dat de juiste term is voor de opeenvolgende klussen die hij bij elkaar scharrelt: een van zijn baantjes is er een als bewaker bij de National Gallery of Modern Art, waar hij een openlucht-kunstwerk moet bewaken gemaakt van glimmend roestvrijstaal. Een zonnebril op doen wordt hem verboden en dus maakt het urenlang kijken naar de weerkaatsende zon Sadam Hussein praktisch blind. Zo toont Roy het India dat draait op de lichamen van het arme deel van haar bevolking: de bestuurders van fietsriksja’s, de dagloners die muren en hekken schilderen met hun vingers omdat kwasten duurder zijn dan mensenhanden, de arbeiders die – hoewel verboden praktijk – rioolafval met handen zuiveren.

Heeft Roy zich hierom weer toegelegd op literatuur? Als de werkelijkheid gekker is dan je haar kunt bedenken, is fictie dan de beste manier van kritiek bedrijven? Roy aarzelt even bij deze vraag. Dan: ‘Ja, als de buitenwereld meer op een verzinsel gaat lijken, dan gaat fictie richting werkelijkheid. De wereld is steeds meer bezeten aan het raken, en dan heb je sjamanen nodig. Alleen statistieken en feiten rapporteren is dan niet genoeg. Dan is ook kunst nodig, om het begrip te vergroten. Schrijvers kunnen die sjamanen zijn.’

Die zelfgekozen rol heeft een prijskaartje. Misprijzen van de Indiase middenklasse, bedreigingen op sociale media en vervolging door de rechtbank staan allemaal op de rekening die Roy voor haar intellectuele onafhankelijkheid betaalt. In 2002 werd ze veroordeeld tot een symbolische gevangenisstraf van drie maanden, in te korten tot één dag als ze een boete zou betalen. De aanleiding was haar ongezouten kritiek op een vonnis van het Hooggerechtshof dat de staat in het recht stond bij het bouwen van een aantal grote dammen waarvoor de woningen van de lokale bevolking moesten wijken. Ze is een van de vele activisten die ‘opruiing’ ten laste is gelegd (in Roy’s geval vanwege haar uitspraken over Kasjmir en reportages over maostische guerrilla’s in Centraal-India) volgens een wet die gesproken en geschreven woorden verbieden als ze aanzetten tot ‘disaffection against India’.

Er loopt momenteel een strafzaak tegen haar wegens vermeende ‘minachting van de rechtbank’. De aanleiding was een artikel in het tijdschrift Outlook waarin ze kritiek uitte op de arrestatie van een onderwijzer aan de Universiteit van Delhi op verdenking van ‘antinationale’ activiteiten. Dr. G.N. Saibaba, vanaf de heup verlamd en aan een rolstoel gebonden, zou lid zijn van een extreem-linkse verzetsgroep. Hij werd gevangen gezet in 2015 en wacht nog steeds op zijn precieze aanklacht en het begin van zijn rechtszitting. Verzoeken om op borgtocht vrij te worden gelaten zijn geweigerd. Roy stelde deze gang van zaken aan de kaak en bevindt zich in dezelfde limbo als Saibaba: in het beklaagdenbankje zonder dat er sprake is van een aantoonbaar vergrijp.

Het past slecht bij een functionele democratie om intellectuelen te vervolgen om wille van hun taak. India past het label ‘functionele democratie’ slecht, luidt Roy’s oordeel. ‘Dat democratisch imago is er vooral ter ondersteuning van India als een aantrekkelijke investeringslocatie. Daarom zegt iedereen erin te geloven. Stel dat de regering morgen zou besluiten om haar natuurlijke hulpbronnen te nationaliseren in plaats van per contract aan bedrijven te verkopen, dan zul je snel berichten horen over de andere kant van India: de bezetting van Kasjmir, de ondervoede kinderen, de boeren die zelfmoord plegen, het geweld, het kastesysteem.’

Dit is het punt waar Roy telkens op terugkomt: waar meet je een democratie aan af? Kiesrecht en stembusgang? Zo bezien is India een mirakel: een voormalige kolonie met een bevolking ruim anderhalf keer zo groot als die van Europa die al zeventig jaar lang iedere vijf jaar in strak georganiseerde verkiezingen de macht van de ene club naar de volgende doorgeeft. Met recht de grootste democratie ter wereld. Maar kijk naar wat er met die macht gebeurt en India schiet te kort, zo maakt Roy duidelijk. ‘De vraag is: wat hebben we met de democratie gedaan?’ schrijft ze in Luisteren naar sprinkhanen: Aantekeningen over democratie (2009). ‘Wat gebeurt er als democratie is opgebruikt? Wanneer ze is uitgehold en geen betekenis meer heeft? Wat gebeurt er wanneer elk van haar instituties veranderd is in iets gevaarlijks? Wat gebeurt er als de democratie en de vrije markt gefuseerd zijn tot één roofzuchtig organisme met een beperkte fantasie dat er alleen op uit is zo veel mogelijk winst te maken?’ Haar antwoorden op deze vragen, zo moge duidelijk zijn, bieden weinig reden tot optimisme.

Een blik op de cijfers en het wordt al snel duidelijk wat Roy bedoelt. India is het land van twee helften met een diepe kloof ertussen: de helft van de kinderen is ondervoed, de helft van de huizen heeft geen toilet, in de helft van de scholen in de zeven grote noordelijke staten wordt geen onderwijs gegeven. ‘Een deel Californië en een deel sub-Sahara Afrika’, zoals de economen Jean Drèze en Amartya Sen concludeerden in hun boek An Uncertain Glory: India and Its Contradictions. ‘Dat is wat me razend maakt. India is als het ware overspannen door viaducten. Iedereen die hier komt kan er comfortabel overheen zoeven en het idee hebben dat je uitgebreid hebt rondgereisd, zonder te ervaren welke realiteit eronder schuil gaat’, zegt Roy.

Het zijn dit type uitspraken dat wordt gebruikt om de menigtes op te hitsen die afbeeldingen van Roy in brand steken of haar publieke optredens verstoren. Haar kritiek is tegen het zere been van het deel van India dat zich juist wentelt in het idee dat hun land met de wind van de mondiale vrijemarkteconomie in de rug op weg is naar een betere toekomst. Zij vertolken het klassieke misnoegen dat Roy een nestbevuiler zou zijn en geen aandacht geeft aan wat wél goed gaat. Maar dit soort ‘glas halfvol halfleeg’-discussies is aan haar niet besteed. ‘Ik suggereer niet dat alles verschrikkelijk is. Ik word als “anti-natie” bestempeld. Maar de wijsheid van iedere verzetsbeweging is dat ze houden van dat waarvoor ze vechten. Dat geldt ook voor mijn relatie met India. Ik zou niet zo woedend zijn als ik er niet van hield.’