‘ik ben een oud circuspaard’

‘IK BEROEMD? Hahaha!’ Willem Nijholt lacht hartelijk en zonder koketterie. Hij speelde vele hoofdrollen in succesvolle musicals, zoals Foxtrot en Cabaret. Hetgeen hem het hardnekkige odium van ‘musical-ster’ gaf. Hij kan veel méér, speelde mooie rollen in Romeo en Julia, in Amadeus, Hamlet, en in de speelfilm Havinck. In 1989 ontving hij de Steenbergenpenning voor de meest getalenteerde theaterman. En tot voor kort stond hij avond aan avond in de mega-musical Miss Saigon.

Maar beroemd, hij? Och, in de jaren zeventig misschien - eventjes. Hij was uitgeroepen tot mooiste man van Nederland, werd overal herkend, stond in alle roddelbladen. ‘Dat vond ik toen wel mooi’, zegt Nijholt met een grijns. 'Maar ik heb vrij snel ingezien dat het allemaal gebakken lucht is en dat het alleen maar rotzooi geeft: mijn verleden zwerft in dertig plastic zakken door het huis. Ik voelde me ook wel eenzaam, toen; als je anoniem bent, kun je nog eens lekker flirten. Maar als ik uitging, kwam toch altijd Willem Nijholt binnen.
Beroemd - dat klinkt zo onaanraakbaar. En dat zijn die zogenaamde “bekende Nederlanders”, tot wie ik schijn te behoren, helemaal niet. Je hebt een soort bekendheid ja, omdat je bij de mensen over de vloer komt via de televisie. Ze zijn met je bekend, dus krijg je een joviale groet op straat en een klap op je schouder: “Hee, Willempie!”
Ik heb zelf die neiging ook. Ik sla een keer de hoek om, sta ik oog in oog met Johan Cruijff! Ik wilde hem meteen omhelzen: “Johan! Hói, hoe is het met je?”’
Hij grinnikt beschaamd en cirkelt dan met zijn gedachten nog eens rond ons onderwerp van gesprek. 'Roem, roem - dat is vaak ook macht. Daarom vind ik “bekend zijn” ook prettiger klinken dan “beroemd zijn”. Macht kan iets heel negatiefs zijn. Ik stond eens in een productie met iemand die ik niet zo mocht, en ik betrapte mezelf op de gedachte: als ik wil kan ik hem er zo uit laten gooien. Dat zijn heel nare, negatieve gevoelens. Veel mensen die een sterk ontwikkelde hang naar macht hebben, streven ook naar roem. Want als je beroemd bent, krijg je meer macht, en omgekeerd word je al gauw beroemd als je veel macht hebt.
Maar in Nederland is toch niemand echt beroemd, joh! Dit landje heb je in drieëneenhalf uur van noord naar zuid door gereden.
Als je veel met je hoofd op televisie komt, willen de Belgen je ook nog wel eens kennen, maar daar houdt het echt mee op.’
Bovendien is dit het land van de nivellering.
'Ook dat, ja. Al kun je jezelf ook hier enorm opblazen. Roem heeft veel met zelfvergroting te maken. Harry Mulisch is “beroemd” geworden in de jaren vijftig. Ik zat met andere toneelschoolleerlingen vaak in Hotel Americain, en daar zat hij altijd aan zo'n tafeltje. Onberispelijk gekleed. Dan ging de telefoon, wel tien keer per dag: Telefoon voor meneer Mulisch! Wij dachten: wie is die man toch? Maar de naam kenden we, en toen zijn boek uitkwam stortte iedereen zich erop. Hij deed zijn eigen pr als de beste. Ik zou niet dúrven.
Wij zaten daar in Americain om Ko van Dijk en Ank van der Moer en Han Bentz van den Berg te bespieden en af te luisteren, onze grote voorbeelden in die tijd. Dat afluisteren was niet moeilijk, want acteurs hebben nogal een toon, die laten graag horen dat ze er zijn. Ton van Duijnhoven stond vaak op een tafel anekdotes te vertellen. Dat vónden wij wat - dan ben je ver gekomen als acteur, dachten we, als je in Hotel Americain op een tafel durft te gaan staan om je verhaal kracht bij te zetten. Toch dacht ik toen ook: dat moet ik later maar niet doen.’
WAT IS ROEM in het licht der eeuwigheid?
'Niets! Wie praat er nu nog over Guido de Moor? Die is nog geen negen jaar dood. Hij had een geweldige acteerstijl, maakte dan ook een schitterende carrière, kreeg drie Louis d'Ors voor zijn spel. Maar niemand weet nog wie hij is. Niets dooiers dan een dooie acteur.’
Hij ziet soms al een glimp van de vergankelijkheid van zijn eigen 'roem’. Hij speelde met Anthony Kamerling in Hamlet. Opeens hadden vele meisjes van twaalf belangstelling voor Shakespeare. Drie uur zaten ze in de zaal te wachten voordat hun Anthony opkwam. 'Toen gingen ze tot onze grote schrik joelen en flitsen en Peter roepen, want zo heette Anthony in de soapserie waar ze hem allemaal van kenden. Ja, dagelijks in een soap - dán ben je een ster in Nederland. Na afloop stonden ze in drommen op hem te wachten voor een handtekening. Ik sta naast Anthony, zo'n kind kijkt mij aan en vraagt: “Ben jij ook beroemd?”’
Hij proest het uit. 'Ik heb dat zelf vroeger ook gehad, toen ik speelde in Oebele, een heel populaire kinderserie. Ik liep met Ton Lutz over straat, er kwamen kinderen op mij af om een handtekening te vragen, ik wees op Ton en zei: “Déze meneer is pas een beroemd acteur!” Maar dat zei ze niets, en op dat moment dacht ik al: ooit, later, gebeurt mij hetzelfde. Dan loop ik naast een jong mens en dan weten ze niet meer wie ik ben. Als je je dat nou maar realiseert, hanteer je het veel makkelijker.’
Van Ton Lutz leerde hij veel over het vak. 'Hij heeft mij’, zegt Nijholt, 'onder zijn vleugels genomen toen ik te elegant was bevonden.’ Of zeg maar gewoon: te nichterig. Dat vond men de jonge Willem Nijholt op de toneelschool. 'Geen burgerlijker en behoudender kringetje dan acteurs’, zegt hij nu. 'Maar ik gedroeg me inderdaad nichterig, droeg het erg uit: okee, ik ben het, dan zal ik het laten zien ook.’
Hij leerde het af. En keek de toneelkunst af van de Groten uit die tijd. 'Zoals Ank van der Moer. Zij was echt zo'n ster in die tijd, zo'n toneelbeest. Minder bekend is dat zij erg op jonge mensen gericht was, dat zij het eigenlijk het leukste vond om jonge acteurs het vak te leren.’
Tot de tomaten haar om de oren vlogen. In 1969 kwamen toneelschoolleerlingen en jonge intellectuelen in opstand tegen het traditionele, voor verouderd gehouden repertoire. Zij eisten meer 'sociaal engagement’ van toneelspelers, met name die van de Nederlandse Comedie. 'De Actie Tomaat’, zegt Nijholt bewogen, 'heeft een paar van de groten uit de jaren zestig kapotgemaakt. Han Bentz van den Berg is er echt dood aan gegaan. In mijn hele carrière ben ik nooit meer iemand tegengekomen die zo integer was, en in het geheel niet bezig was met persoonlijke triomfen en roem. Die man werd elke avond door een handjevol schorem met rookbommen gedwongen te stoppen met spelen. Wanneer wist je nooit - het kon na vijf minuten of na 45 minuten zijn. Daar stond hij met aangeplakte baard en een pruik op, een oude orthodoxe jood te vertolken in Toller. Dan ging het licht aan en was het: “En Bentz, zeg eens even, wat weet jij eigenlijk van het radencommunisme dat je deze rol durft te spelen?” Ik stond ook in dat stuk, en ik zag die man elke avond doodgaan.’
HIJ ZWIJGT EVEN. Nog altijd kwaad en verbijsterd bij de herinnering. 'Ank van der Moer zat de week daarop bij de WW. Ze zat daar maar, te wachten op een uitkering, totdat iemand langskwam en zei: Maar mevrouw van der Moer, wat doet u hier? Ik moet me melden, zei zij kleintjes. Maar u zit bij het verkeerde loket, u moet bij de artiesten zijn. O, dat had ze niet begrepen, en daar ging ze - naar het artiestenloket.
Het is schofterig wat die mensen is aangedaan. En waarom? Om zelf jarenlang van de subsidie te kunnen vreten en macht uit te oefenen - het was gewoon een greep naar de macht. Dit had niets met idealisme te maken; het was een fascistische actie. Ik vind dat er een plaquette aan de muur van de Schouwburg moet komen met daarop de namen van degenen die kapot zijn gegaan aan de Actie Tomaat.’
Had de actie ook met jaloezie te maken, op de roem en het succes van de mensen op de planken?
'Ja, inderdaad. De subsidie ging naar een paar grote gezelschappen, naar een paar grote namen. Guus Oster had met zijn Nederlandse Comedie in negentien jaar nog geen lege zaal gehad. Die schouwburg zat vol, niet alleen bij de luchtige stukken maar ook bij Wie is bang voor Virginia Woolf. Dat stuk hakte erin, dat heeft niet voor niets drie jaar gedraaid. Het was een hele schok voor de burgerij om Ank van der Moer en Han Bentz van den Berg te zien als Martha en George die elkaar het leven zuur maakten. De Nederlandse Comedie functioneerde heel goed, er was geen enkele reden om die weg te jagen.
Toen de Actie Tomaat op het hoogtepunt was, ben ik midden in het seizoen eruitgestapt. Ik zei tegen Guus Oster: Ik wil niet langer op het toneel staan en met tomaten worden bekogeld. Het is onmenselijk om zo aan de schandpaal genageld te worden. En waarvoor? Omdat je je werk staat te doen. We hadden geen van allen het gevoel dat wij maar wat liepen te lanterfanten. Wij, de jonge acteurs, probeerden ook een ander, nieuw soort toneel te brengen.’
Een paar maanden later. Hij zat thuis, weinig werk, weinig geld. De telefoon ging: 'Met Sonneveld. Ik zou graag een gesprek met je hebben.’ Nijholt, stralend: 'Ik dacht even dat ik voor de gek werd gehouden. Wim Sonneveld! Het fenomeen! De grote artiest met die warme stem en die prachtige blauwe ogen en dat olijke hoofd. Het was hem echt. Hij wilde een programma maken met twee jonge mensen. “Ik heb Corrie van Gorp al geëngageerd”, zei hij, “en ik heb gehoord dat jij aardig kunt zingen. Ik ben zo bij je.” En daar kwam hij twintig minuten later binnenstappen, terwijl ik ziek in bed lag. Hij riep: “Wat een troep is het hier zeg, geen wonder dat je ziek wordt. Heb je sinaasappels in huis? Nee? Ik ben zo terug.” Kwam terug met een zak sinaasappels, ging die staan uitpersen en riep onderwijl wat ik zou gaan verdienen en wanneer ik moest beginnen. Ik had niks meer te vertellen. Dat is twee jaar lang zo gegaan. “Kom kindjes”, zei hij tegen Corrie en mij, “kom kom, hier gaan we eten, dit is een lekker restaurant, daar gaan we zitten, aan dat tafeltje, en dan moet je dat bestellen.” Een vadertje.’
Met Sonneveld begon zijn carrière pas echt. De carrière die Willem zich had gedroomd. Net bevrijd uit het kamp in Indië ging hij als twaalfjarige een bioscoopfilm zien. Met Deanna Durbin in de hoofdrol. 'Toen wist ik dat dat het leven was.’
Wat trok jou zo aan in de showbusiness?
'Verkleden! Ja! Daarom werd ik ook heel snel misdienaar. Dat heb ik echt gedaan omdat die katholieke riten alles met theater te maken hebben. Ik was ook meer bezig mijn superplie, dat witte overkleedje, netjes in de plooi te hangen, dan de mis te dienen, eerlijk gezegd.
Ik heb als kind altijd gespeeld. Ook in het Jappenkamp. Ik speelde dat ik een betoverd prinsje was dat iets stouts had gedaan en daarvoor gestraft werd. Maar op een dag zou ik wakker worden uit die kwade droom.’
Toen Willem Nijholt eenmaal echt ging spelen, op het toneel, had hij een grote honger naar erkenning. 'Hou van me, hou van me - dat verlangen. Ik denk dat dat veel met vroeger te maken heeft, met die gigantische hakbijl die door de Japanner in een gelukkige jeugd is gezet. Op mijn achtste merkte ik dat ik er helemaal alleen voor stond. Ik had een dertien maanden ouder broertje dat altijd voor mij zorgde. Hij moest op zijn elfde naar het mannenkamp, omdat je volgens de Japanse zeden dan volwassen was. Ik ging een jaar later, en kwam toevallig in hetzelfde kamp als mijn broertje. We sprongen een gat in de lucht. Maar nadat hij mij had rondgeleid en een goed slaapplaatsje voor mij had gevonden, moest ik me weer alleen zien te redden.’
Pas op zijn zestigste verjaardag, vier jaar geleden, drong tot Nijholt door: 'Ze houden van me.’ Hij kreeg een groot feest in de Amsterdamse Schouwburg, waar in de gang zijn geschilderd portret kwam te hangen. Hij kreeg een lintje, een minutenlange ovatie, en hij kreeg een huilbui. 'Ik was verbijsterd.’
SINDSDIEN HOORT men jou af en toe over jezelf zeggen: 'Ik ben uniek.’
Hij lacht wat geschrokken en licht haastig toe hoe hij dat bedoelt: 'In het toneelwereldje ben ik uniek omdat ik altijd gependeld heb van de vrije sector naar het gesubsidieerde toneel en weer terug. Ik maak geen onderscheid, want dat vind ik elitair. In de vrije sector kun je net zo goed een hoge kwaliteit halen. Ik zie het Nationale Toneel of Toneelgroep Amsterdam soms komedies brengen waarvan ik denk: hier zou Piet Bambergen zich voor geschaamd hebben.
Door dat pendelen, door steeds bewust te kiezen voor musical of cabaret, of een toneelstuk of een blijspel, kon ik me ook blijven vernieuwen. Telkens weer met andere mensen werken is verfrissender dan 25 jaar bij een gezelschap zitten en je pensioentje opbouwen. Dan kun je wel vernieuwing zoeken in naakt op het toneel of andere experimenten, maar daarmee word je van binnen nog niet nieuw.
Ik ging met Sonneveld op het toneel staan zonder ooit een cabaretprogramma gedaan te hebben. Reken maar dat ik wakker heb gelegen in die tijd. Zo'n grote man, om daarnaast te gaan staan - ik had wel platgewalst kunnen worden of afgegaan kunnen zijn. Maar ik hield mezelf voor: ik moet me toch op z'n minst staande kunnen houden.
Hamlet. Viereneenhalf uur Claudius spelen. Lag ik ook wakker van: kan ik me wel invoegen in de stijl van Ivo van Hove? Bij ieder nieuw stuk heb ik het weer moeilijk gehad. Altijd getwijfeld, altijd gedacht: het is niks wat ik doe.’ Ja, die faalangst, verzucht hij - het is iets vreselijks. En het wordt alleen maar erger. Hoe ouder, hoe onzekerder. Want als je al zo veel hebt laten zien, krijgen de mensen daar op een dag genoeg van. Groot is de vrees voor de dag waarop ze zeggen: 'Dat trucje van hem, dat ken ik nou wel.’
Nijholt: 'Het publiek is niet erg trouw, dat richt zich al gauw op een nieuwe trend, een nieuwe naam. Je kunt dus maar beter niet te veel roem of bekendheid willen verwerven; daarmee werk je de verzadiging in de hand. Mij zul je dan ook nooit in spelletjesprogramma’s of paneltjes zien. Daar ligt mijn kwaliteit ook niet; ik ben een acteur, en een goed acteur! Wil ik serieus genomen worden, dan moet ik niet twee keer per week op de buis een knopje indrukken of een antwoord raden.’
Miss Saigon. Daarvoor moest hij auditeren. 'Op mijn 61ste stond ik weer auditie te doen! Het is een mooie musical, een mooi verhaal, en ik moest de voortrekkersrol spelen. Ik had nog nooit een pooier gespeeld, een man die zo rücksichtslos mensen gebruikt maar die toch zo tragisch is. Daarvoor moet je weer helemaal opnieuw aan het werk.
Ik ben nu 38 jaar bezig, maar pas bij Miss Saigon heb ik voor het eerst ervaren dat ik na zo'n driehonderd voorstellingen de angst voorbij was. De angst voorbij. Dat ik niet meer het gevoel had: Huuh, ik moet op en ik moet presteren, maar dacht: Ik ben een vakman, dat is gebleken. Ik heb het driehonderd keer geweldig gedaan en nu ga ik eens lekker kijken wat ik er vanavond weer mee kan. Ik merkte dat ik dat ook overbracht op de artiesten om me heen, en dat het stuk daar levendig door bleef.’
TOCH ZIT HET jou nog steeds dwars dat jij altijd in dat frivole hokje 'zang-en-dans’ wordt ingedeeld.
'Ja. Dat vind ik zo kortzichtig. Er wordt toch neergekeken op het werk dat ik doe in de vrije sector, in musicals. Terwijl dat hartstikke leuk, en ook hartstikke moeilijk is. Het is zo makkelijk om te zeggen: “Ik houd niet van musical”, als je nooit gaat kijken; het is zo makkelijk om Joop van den Ende ongezien “Joop van de Ellende” te noemen.
Ik hoorde Arjan Peters, literatuurcriticus van de Volkskrant, op de radio praten over mijn brievenboek met Gerard Reve. Peters noemde mij een “enge, hijgerige, kleffe, geile nicht die wel leuk kan zingen en springen”. Ik was verbijsterd. Als de studio niet te ver weg was geweest, was ik er naartoe gegaan om die man een enorme schop te verkopen.
Er is iets populairs aan mij dat kennelijk afgestraft moet worden. Behalve dat ik mijn vak bloedserieus neem heb ik een grote bekendheid. En ik kán ook alles!’ Hij lacht even verontschuldigend, en herhaalt dan met ernst: 'Het spijt me, maar ik kan het gewoon allemaal. Maar dat mag niet in Nederland, en je mag het zeker niet van jezelf zeggen. Nivellering, hè? Jammer. Fien de la Mar had een groot talent. Dat was een mens met internationale allure. Ramses Shaffy ook. Dat soort mensen verpietert hier.
Je telt in dit land niet echt mee als je niet aan Kúnst doet. Tachtig miljoen voor een Boogie Woogie van een demente idioot! Sorry hoor, ik vind zijn vroege werk prachtig, maar op een gegeven moment is die man streepjes gaan trekken met blauw en rood en geel. En daar zíjn me toch een theorieën omheen gebreid! Dan denk ik: maak je niet druk, daar is een seniele oude man bezig geweest. Tja, de nieuwe kleren van de keizer. Maar ik wil weten waar het over gáát. Ik heb ook wel eens aan Kúnst gedaan, maar dan dacht ik steeds: Wat sta ik toch te doen?’
JE SCHREEF AL in 1986 aan Gerard Reve: 'Het gevoel van afgedankt en weggeduwd te zijn beheerst mijn hele denken.’
'Ja’, zegt hij bedachtzaam. 'Ja. Toen zat ik in zo'n fase dat ik dacht: ik word ouder, oud. Dat fluctueert, dat gevoel komt en gaat.’
Na enig zwijgen onthult hij dan dat hij erover denkt om te stoppen. Volgend jaar wordt hij 65; in 2000 zit hij veertig jaar in het vak. 'Ik heb die kar zo lang getrokken, ik ben er een beetje moe van. Ik wil ook eens wat meer privé-leven hebben.’
Maar in één adem komt daar achteraan dat Willem Nijholt 'nog één grote productie’ wil doen. Ondertussen trekt hij nu nog avond aan avond met Gerry van der Klei door het land, en komend voorjaar staat hij weer in Miss Saigon.
Het vuur in zijn ogen laait weer op als hij zegt: 'Weet je wat zo heerlijk, zo verslavend is aan toneelspelen: dat je spéélt! Altijd mag je spelen - als een kind; je fantasie wordt elke avond geprikkeld. Ik heb ook helemaal geen moeite om een voorstelling twee-, driehonderd keer te spelen. Jonge mensen roepen al gauw: ik weet na dertig keer niet meer waar ik het vandaan moet halen. Maar dan ben je geen goed vakman. Horowitz was 92 toen hij nog Beethoven en Mozart speelde. En altijd even mooi, terwijl hij die sonatinetjes al duizenden keren gespeeld had. Elke dag kun je in je gevoel weer iets vinden waardoor je spel net even anders kan zijn.
Ach ja, ik ben een oud circuspaard, maar ik krijg die benen nog best soepeltjes omhoog. Dus in maart hangt het oude paard zijn toeters en bellen weer om en draaft het weer op.’