Interview Jeanne Wikler

«Ik ben een pionier»

In Nederland kennen we de Amerikaanse Jeanne Wikler als de vrouw die het Maurits Binger Film Instituut opzette en leidde. Nu gaat ze naar New York, waar ze de nieuwe Nederlandse ambassaderaad culturele aangelegenheden wordt. «Ik vind het leuk om zogenaamd hoge en lage cultuur bij elkaar te brengen.»

Ze kwam de subway uit in New York en liep richting Times Square, achter een moeder met dochtertje. Het kind was helemaal opgedoft, met witte panty’s aan en strikjes in het haar. En wat bleek? Ook zij gingen naar The New Victory Theatre, het kleine bonbondoosje waar deze weken familievoorstellingen worden gegeven door het Nederlandse dansgezelschap Introdans. «Op zo’n moment voel ik echt trots!» zegt Jeanne (spreek uit: Djien) Wikler (52), met ingang van april de nieuwe ambassaderaad culturele aangelegenheden voor Amerika, standplaats New York. Haar trots is terecht, blijkens de recensie in The New York Times van 28 maart. Introdans is erin geslaagd onder meer twee stukken van Hans van Maanen ook voor kinderen boeiend te brengen: «Much of the 75-minute program was greeted with giggles and absorbed-sounding murmurs from the children.»

Dat dit Arnhemse gezelschap in New York furore kan maken is mede het werk van Wiklers voorganger Frank Ligtvoet, die vijf jaar lang de functie van cultuurbemiddelaar tussen Amerika, in het bijzonder New York, en Nederland heeft vervuld. «Ik weet niet precies hoe Frank in dit geval te werk is gegaan, maar belangrijk is dat je de Amerikanen weet te interesseren voor een gezelschap. Misschien dat zij in Nederland voor stellingen zijn gaan zien, op zijn advies, en toen enthousiast zijn geraakt voor Introdans.»

Want zo hoort het te gaan: de Amerikanen moeten zin krijgen in de Nederlanders en niet andersom. «Je stimuleert bij hen de interesse voor Nederlandse kunst. Je werkt aan de vraagkant, niet aan de aanbodkant.» Een zangkoor dat in New York wil optreden, hoeft dus niet bij haar aan te kloppen. «Daar zijn weleens misverstanden over, maar daar kun je niet aan beginnen. Want wat ga je doen? Een theater huren en een paar posters ophangen? Dat werkt gewoon niet! Misschien in een ontwikkelingsland, waar ze blij zijn met elk westers gezelschap. New York is veel te kieskeurig. Je moet concurreren met de hele wereld! Nederland is zéér klein.»

Hoe klein, weet Wikler, van geboorte Amerikaanse, maar al te goed. Over haar jongste benoeming was enig gemor te horen. Dat nu uitgerekend een Amerikáánse de Nederlandse kunstwereld moest vertegenwoordigen in den vreemde. Wiklers verdediging, in vloeiend Nederlands te berde gebracht, zij het met joviaal Amerikaans accent: «Ik heb twee paspoor ten, een Nederlandse en een Amerikaanse. Ik ben een Amerikaan die door Nederland is gevormd. Mijn kindertijd deel ik met de Amerikanen, maar mijn volwassen leven heb ik hier doorgebracht. Dat is goed voor deze functie. Ik ken de mores, van beide kanten. Ik snap hoe mensen denken en werken. Ik heb 27 jaar deelgenomen aan het Nederlandse culturele leven.»

Ze werd geboren in Lexington, «een gat met kapsones», in Kentucky, als jongste in een gezin met vier kinderen. «Mijn ouders kwamen uit New York, blij losgebroken te zijn uit al te nauwe familiebanden. Maar mijn zussen, mijn broer en ik dachten: wat doen we hier? Wij, opgroeiend in een links intellectueel nest, waren in hartje redneck country vreemde eenden in de bijt.» Haar vader, psychiater/neurofysioloog, deed onderzoek naar drugsverslaving in de plaat selijke gevangenis annex ontwenningskliniek, en haar moeder was maatschappelijk werkster. Van een sabbatical year maakten ze gebruik om door Europa te trekken. De oudste dochter was al getrouwd en de andere studeerde aan de Sorbonne; Jeanne en haar broer werden ondergebracht op een dure kostschool in Zwitserland.

Wat erg, en dat op je twaalfde. «Het was paradijs!» roept ze. «Heidi spelen! De ene dag gingen we skiën, de andere schaatsen. Het was zó leuk! Natuurlijk wel een luxe bedoening, met een prins uit Birma, en een dochter van een internationale callgirl, en allemaal diplomatenkinderen. Ik leerde er Frans en Duits. Ik was vrij!»

Geen groter deceptie dan terug te moeten naar de bekrompen geesten in Kentucky. Ze maak te er haar middelbare school af en wist zich onpopulair te maken door politiek actief te zijn in de burgerrechtenbeweging die in het racistische en conservatieve Zuiden nog heel wat werk te doen had in de jaren zestig. Ze was hoofdredacteur van de schoolkrant, had een eigen televisieprogramma op de lokale zender en deed veel aan toneel. «Ik sloot me aan bij de creatievelingen, omdat zij het minst racistisch en het minst achterlijk waren. Het was een klein subwereldje.»

Vanaf haar zestiende wist ze zeker dat ze bij het toneel wilde, tot ontzetting van haar ouders. Om te bewijzen dat ze desondanks ook nog wel intellectuele capaciteiten had, ging ze aan de prestigieuze universiteit van Chicago studeren. Haar hoofdvak was dramaturgie; ze studeerde af op Mae West als de ultieme Bertolt Brecht-actrice, een onderwerp waarover ze dertig jaar na dato nog met smaak weet te vertellen. «Ik vind het leuk om hoge en lage cultuur bij elkaar te brengen.»

Op haar studentenflatje zag ze op een avond in een flits van een televisieprogramma de mimeschool van Marcel Marceau in Parijs voorbijkomen. En ze wist: daar moet ik heen, ondanks of juist omdát haar moeder zeker wist dat ze in de goot zou belanden. Het was 1970 en Jeanne was 22 en Parijs was Parijs.

Niet bang? Wederom de onbevangen lach. «Het was leuk! Internationaal! Mijn beste vriendin was een Tsjechische, twee jaar ervoor gevlucht uit Praag. Ik deelde een appartement met een Frans meisje, later met een vriendje. Ik heb wel op acht, negen verschillende adressen gewoond. In van die chambres des bonnes. Op school waren we de hele dag bezig met mime lessen, gymnastiek, moderne dans, schermen, acrobatiek. Ik genoot.»

Even graven we: wat het was wat haar dreef en zo gemakkelijk van de ene naar de andere omgeving deed stappen — om tot de conclusie te komen dat er «niets psychologisch» was. «Ik verveel me gewoon nogal gauw. En ik had een enorme creatieve energie.» Die kon ze behalve op de mimeopleiding ook botvieren op haar klasje Franse bankiers die verplicht Engelse les volgden aan de taalschool van de Crédit Lyonnais, en waarmee ze in haar onderhoud voorzag. «De lunches waren het hoogtepunt van de dag, die duurden dan ook drieënhalf uur en waren zeer geanimeerd. Ervoor en erna sliepen ze. Als ik ze iets bij probeerde te brengen, lachten ze me uit. Die mannen hadden een weekje vrij! Ik begon cartoons te tekenen waarbij zij het verhaal in het Engels mochten vertellen. Groot succes!»

Omdat ze hechtte aan haar studentenkaart, schreef ze zich elk jaar pro forma in voor een cursus aan de Sorbonne. Tot ze in de banken bij Rinnie Tang belandde, «een heel kleine Chinese vrouw, met zo’n hooggesloten kraagje». Wat zij over de Chinese Opera vertelde, sloot wonderwel aan bij Wiklers kennis van mimetechnieken. Tang zag in Wikler de ideale leerling, die uiteindelijk de fakkel kon overnemen. Samen begonnen ze een studio voor dansers en mimespelers die zich de methodiek van de Chinese Opera eigen wilden maken. «Dan werkte je een half jaar aan één loopje.» Tang bracht haar maoïstische discipline op Wikler over, tot het haar iets te veel werd. «Ik wist: dit wordt mijn levenswerk niet.»

Na een korte tussenstop in Los Angeles keerde ze terug in Parijs, nu als leerling van «de grote meester» Étienne Decroux, de strenge vader in de legendarische film Les enfants du paradis. Jessica Lange zat in hetzelfde klasje. Ze leerden «bewéging», iets tussen dans en mime in. Ze doet een beweging voor met hand en knie om te laten zien dat het van alles kan betekenen: van een ontmoeting met God tot een met een loeiheet strijkijzer. «Het was erg expressief.»

Amsterdam kwam in zicht met de verliefdheid op een Nederlandse student medicijnen, bezig aan zijn co-schappen. Wel een teruggang, van de lichtstad naar drie hoog achter op de Kinkerstraat. «Het was een opluchting!» Maar natuurlijk. «Parijs is heel hard. Toen wel tenminste. Ongastvrij. Ik had het meest aan mijn niet-Franse vrienden. Ik weet nog dat we hier net woonden en dat de kachel het niet deed. Mijn vriend belde het GEB. In Parijs zouden ze snauwen dat het je eigen schuld was en dat ze misschien, heel misschien over vier maanden wel eens zouden langskomen, maar hier was het: o wat vervelend dat u nu in de kou moet zitten, we komen er onmiddellijk aan. Ik schrok gewoon. Zo behulpzaam! Nederland stond dichter bij de cultuur die ik verlaten had. Ook voor vrouwen was het hier makkelijker dan in Parijs. Als je daar als vrouw alleen een café bezocht, was je ergens op uit. Hier werd je met rust gelaten. Een verademing!»

Daartegenover stonden de verschrikkingen van de subsidiecultuur. Wikler sloot zich aan bij een mimegezelschap en kwam in een sfeer van eindeloos koffiedrinken en oeverloos lullen terecht. «Ik was gewend om me het apenzweet te werken in een onverwarmde kelder die we bij de gratie Gods van jezuïeten mochten gebruiken, wij waren blij en dankbaar. Maar hier! Ik weet nog dat er een verzoek van de KRO-televisie binnenkwam, of we een speciale kerstuitzending wilden verzorgen. De reactie was: ‹Naa, we hebben niks. Doen we niet. Waarom zouden we?› Er werd voor betaald nota bene!»

Na een maand hield Wikler het dan ook voor gezien. Ze kwam in dienst bij de Ikon, waar ze producent werd van televisiedocumentaires. Later, inmiddels gescheiden, was ze redacteur en regisseur van documentaires voor het Humanistisch Verbond. «Bij de Ikon heb ik leren filmen en ik heb Nederlands geleerd.»

Had je je toneelaspiraties uit het hoofd gezet? «In Nederland kwam ik erachter dat mijn toneelopleiding onvoldoende was. Misschien dat ik het met comedy nog zou redden, maar met drama zeker niet. Ik had niet genoeg techniek. Niet voldoende training om afstand te nemen van de emoties die ik moest spelen. Mime okee. Maar spelen kostte me emotioneel te veel. Het is schadelijk voor je ego.»

Alleen als het niet goed gaat, toch? «Nee, want als het goed gaat word je op een voetstuk ge plaatst en dat is ook gevaarlijk. Je laat jezelf zo publiekelijk zien, zeker in film. Ze zien alles. Ik heb zoveel sympathie voor acteurs, omdat ik weet wat ze doormaken. Ik had graag hier een komische talkshow gehad, en dat is er ook bijna van gekomen. Ik heb een goed gevoel voor timing. Ik vind het jammer, maar ik ben absoluut niet bitter. Ik probeer iets tot het uiterste, en op een gegeven moment houdt het op. Bovendien: als je ouder wordt, nemen je ambities een andere vorm aan.»

Hetgeen ons brengt op haar «kind», het Maurits Binger Film Instituut, dat ze in 1996 oprichtte en waaraan ze tot haar vertrek naar New York met hart en ziel leiding gaf. «Het was het meest creatieve dat ik ooit gedaan heb. Soms ligt dat in onverwachte hoek, blijkbaar. Ik heb mensen bij elkaar gebracht en iets laten gebeuren. Bij televisie is alles heel vluchtig. Nu kon ik iets solides opbouwen.» Het Maurits Binger Film Instituut, voor insiders «het Binger», is een internationaal georiënteerd filminstituut dat professionele filmers en scenaristen een post-academische opleiding en training biedt.

Niet moeilijk om achter te laten? «Vorig jaar op een stafdag bleek dat iedereen als de dood was dat ik weg zou gaan. Toen dacht ik: dat is niet goed. Ik wil iets overdraagbaars, niet dat het helemaal aan mijn persoon hangt. Het is goed om het nu op hun schouders over te dragen. Bovendien: als dingen te veel routine worden, ga ik me vervelen. Ik ben allergisch voor comfort. Ik ben een pionier.»

Frank Ligtvoet ontmoette ze zo’n jaar of vier geleden, bij een van zijn werkbezoeken. «Ik dacht toen: dit wordt mijn volgende baan.» Een jaar geleden had ze het nog niet gedaan, en nu was het eigenlijk een jaartje te vroeg. Maar toch solliciteerde ze toen ze de vacature las. Voor nu of straks, als de termijn van de volgende voorbij zou zijn, opdat men alvast zou weten dat zij in de running was. Zonder valse bescheidenheid: «Ik had nooit gedacht dat ik het zou worden. Mijn focus is toch de laatste jaren geweest: film film film. Terwijl je voor deze functie een brede kennis van de Nederlandse kunstwereld moet hebben.»

Heb je wel al een idee wat het goed doet bij de Amerikanen? «Design, architectuur, dans. Dat doet het goed. Maar dat is ook niet taalgebonden. Over een jaar weet ik meer. Ik weet wel dat je Amerikanen niets door de strot moet duwen.»

Wordt je een programma opgedragen, vanuit Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen? «Nee. Het is vooral begeleiden en stimuleren, en mezelf kennende zal het ook veel initiëren worden. Ik moet nu alle fondsen en instellingen in Nederland leren kennen. En het hele Amerikaanse culturele veld, want ik coördineer de andere vijf culturele attachés ook, gevestigd elders in de Verenigde Staten. Op mijn eerste werkdag speelt het Concertgebouworkest in New York, en daar ga ik naartoe, ook naar het diner, maar dat is niet het soort gezelschap waarvoor je het doet. Dat vindt zijn eigen weg wel.»

En de armlastige talentvolle eenling? «Voor individuen kun je soms wel wat doen. Een feestje geven, of een lunch, een diner, waarbij je dan mensen uitnodigt uit de wereld van kunst en cultuur. Bij het Binger merkte ik dat mensen die iets hebben ontwikkeld en dat vervolgens aan de man moeten brengen in een gat kunnen vallen. Er zijn nauwelijks agenten in Nederland, hoogstens een paar voor acteurs. De promotie van hun werk is een enorme taak. Ik kon geen contract voor ze sluiten, maar nam ze mee naar allerlei festivals.»

Niet alle kunstenaars zijn van die social butterflies op feestjes. «Kunstenaars moeten over hun schroom heen geholpen worden wat dat betreft. Op recepties kun je contacten maken en netwerken leggen. In deze wereld geldt toch: half of succes is in just showing up!»

Ben je niet bang dat je aan de drank raakt? «Na zes jaar in de filmwereld? Gelukkig hou ik niet van drank. Ik moet eerder uitkijken voor eten. En voor uitputting. Het is tijdrovend en vermoeiend werk, maar als je het nut ervan inziet, houd je het vol. Het is voorwaardenscheppend werk, en in die zin dienend. Het is niet zo zichtbaar wat je doet. Je naam wordt niet ergens aan verbonden. Je scoort niet. Maar zoals ik al zei: mijn ambities zijn wat dat betreft ook veranderd.»

Niet in de minste richting, want nu kijkt ze vanuit haar werkkamer uit op de ijsbaan van het Rockefeller Plaza. Ze vertelt over de wervelwindintroductie die ze net achter de rug heeft, onder auspiciën van haar voorganger. «Als ik iets van hoge kwaliteit zie en het komt uit Nederland, dan voel ik me echt gestimuleerd om dat te helpen. Het is niet een blind iets, want ik ben ook heel kritisch. Ik denk dat ik daarin mijn Nederlanderschap voel.»