Interview Youp van ’t Hek

«Ik ben een soort volkskomiek»

Youp van ’t Hek is altijd uitverkocht. Hij reist door het land en vertolkt er de angsten en verlangens van Balkenendes burgers.

DEN BOSCH, dinsdagochtend — Youp van ’t Hek na veel kopjes koffie: «Een scholengemeenschap met vijftienduizend leerlingen, dat is gekte. Een ziekenhuis waar je blind met je pasje een rooie lijn over de vloer moet volgen: gekte!» Plotseling veert hij op vanachter de leestafel. «Kijk! Dát.» Hij knikt en wijst richting twee dames die hier in Hotel Central een kopje thee drinken. «Als mijn vrouw ooit zo’n blauw-wit sjaaltje gaat dragen… dat is voor mij onmiddellijk een reden om te zeggen: we nokken óveral mee.»

Zo’n sjaaltje was gisteren misschien ook bij jouw voorstelling.

«Ja, ben ik bang voor ja. Ik ben bang dat er in mijn zaal zeker drie, vier van die sjaaltjes waren.»

Wat wil je van de draagsters?

«Niks. Dat ze om dat sjaaltje lachen, ze hoeven het niet af te doen.»

Echt waar?

«Ik hoop dat ze over de grotere dingen echt nadenken. Over wat ik zeg over het schip met vijftigduizend schapen.»

Je lijkt woedend op je publiek.

«Ik wil ze een beetje wakker schreeuwen ja.»

Tegelijk heb je mededogen.

«Ik sta niet boven mijn publiek, ik ben er ook een van.»

Ho, stop. Weer onderbroken. Een moeder duwt haar twee jonge dochters tegen de leestafel aan. Of hij het is en of zij dan een handtekening mogen, misschien? «Nee!» snauwt Youp van ’t Hek en hij keert zich zogenaamd verontwaardigd af, om meteen weer terug te draaien, twee handtekeningen te zetten en op kameraadschappelijke toon een praatje te maken. Of hij hier logeert? Het antwoord luidt bevestigend, hij zegt dat hij later op de dag de vrouwelijke fans even mee naar boven neemt. «O, nou dan kom ik zo nog even terug», antwoordt de vrouw, die heel goed een blauw-wit sjaaltje had kunnen dragen. Aan de andere kant van de tafel staat haar man te wiebelen.

Dit is Youp van ’t Hek en hij eet een broodje kaas. Nu hij aan de leestafel zit komt de eigenaar van het hotel een handje geven. Dames moeten even kijken of hij het echt is en jonge obers brengen per abuis verkeerde bestellingen. Gisterenavond, in Vught, zat hij er na een try out nog heel anders bij. Weer een volle zaal die zich liet meeslepen. Er werd meegezongen en mensen verlieten het theater met een twinkeling in de ogen. Na afloop zat hij voor zijn artiestenkoffer met foto’s van de zijnen. Hij probeerde een gesprekje maar het lukte niet echt. Zojuist had hij twee maal een uur gegrapt, gebruld en gezongen. Hij was geëindigd met zijn keel trillend, de vuisten gebald en zijn hele lijf gespannen.

Jong en oud, arm en rijk, links en rechts, slim en dom — waar Youp van ’t Hek komt, stromen de burgers van Jan Peter Balkenende toe. Voor hen is hij Youp. Massaal kopen ze zijn boeken, of geven die cadeau, ze luisteren naar zijn liedjes op cd en kijken misschien naar een dvd. Ze lachen om hoe Youp het burgerlijke gedrag van hun buurman presenteert, maar worden zelf ook aangesproken. Een avondje Youp van ’t Hek voltrekt zich in een mooie climax: aan het eind is er loutering en romantische troost, maar eerst geeft hij zijn publiek, én zichzelf, flink op de lazer.

Dat is ook wat Youp van ’t Hek interessant maakt: bij zijn voorstellingen geen grappen over ambtenaren en ook politici komen nauwelijks voorbij. Want op overheden en politici is het makkelijk schelden. Dat doet de eisende burger zelf al genoeg. Daar richt het engagement van Van ’t Hek zich niet op, hij richt zich tot de burgers zelf, beaamt hij.

Youp van ’t Hek: «Ik wil veel verder gaan dan het neerzetten van de burgerlijkheid. Ik probeer de zenuwen van deze tijd bloot te leggen. De gehoorzame burgers zijn zelf medeverantwoordelijk voor de chaos. Via hun stemgedrag en om hun dagelijkse passiviteit. Ze vormen een slome kudde waar Fortuynen makkelijk vat op kunnen krijgen.»

’t Mozaïek te Wijchen, twee weken eerder — Theatercoördinator Nancy van Nuland komt vlak voor de pauze de zaal uitgestoven. Met rode konen vertelt ze dat de voorstelling écht heel leuk is. Youp houdt de tekstvelletjes gewoon in zijn handen. «Dit is uniek hoor. Hij zegt het zelf: alles waar jullie niet om lachen, dat gooi ik weer weg. Hij zit echt nog in de schrapfase.»

Even later stroomt de kantine vol met vrolijke en opgetogen Wijchenaren. Vrouwen met een hoog Libelle-gehalte, ordinairdere types met geel goud, bekaktere met dof goud, dikkige mannen in truien met motief, h&m-hippe jongeren — net als in Vught lijkt het publiek een dwarsdoorsnede van de bevolking te vormen. Eventueel zijn bejaarden en allochtonen iets onder vertegenwoordigd.

In de rij voor de muntenverkoop zijn de reacties onverdeeld positief. De belangstelling, zo vertellen twee dames die ogenschijnlijk de veertig net zijn gepasseerd, was zo groot dat om de kaartjes moest worden geloot. Ze hebben vreselijk gelachen om grappen over seks tussen vijftigplussers en over iemand met een Porsche. Ze moeten wel bekennen: «Je herkent heel veel.» Maar de indruk moet niet gewekt worden dat het slechts grappen en grollen waren. Een van de dames zegt nadrukkelijk: «Het is ook heel móói.»

Als in Wijchen en Vught na afloop de zalen leeglopen, lijkt het publiek nog half in de roes van de voorstelling. Sommigen hebben een gelukzalige glimlach op het gezicht. Ze zijn net overdonderd met het slotlied over de laatste dag van je leven. Ik leef nooit de eerste dag van de rest van mijn leven, zingt Youp daarin, ik leef mijn leven juist alsof elke dag de laatste kan zijn. De muziek was luid, er werd meegezongen. Youp balde zijn vuisten en liet zijn stem trillen. De energie die vrijkwam was groots. Je zou daarom niet gek opkijken als na afloop een Wijchenaar of Vughtenaar zomaar zijn vrouw had weggeduwd en geroepen: «Ik hou ermee op. Ik ga bij je weg en koop een ticket naar Parijs.»

Die dingen blijken wel te gebeuren. Een van Youps medewerkers vertelt dat hij het zo mooi vindt als mensen verliefder de zaal lijken te verlaten dan toen ze binnenkwamen: «Je ziet heel veel stelletjes hand in hand de zaal uit komen schuifelen.»

Van ’t Hek beaamt het: «Er zijn mensen die naar aanleiding van mijn programma’s dingen hebben veranderd. Die inderdaad bij hun vrouw zijn weggegaan, of ontslag hebben genomen.»

Dat hoor je wel eens?

«Ja. Ik zit vaak ’s nachts met mensen te praten die mij zoveel vertellen over hun leven dat ik zeg: jij vertelt me nogal wat.»

En dan vertellen ze ook dat ze iets hebben veranderd.

«Een keer was ontzettend grappig. Ik loop midden in Singapore en opeens komt er een jongen naar me toe die totaal ontroerd is. Een Nederlander. Dus ik vraag wat er aan de hand is. Zegt hij: het is zo raar, jij bent de reden dat ik hier loop. Ik heb je voorstelling gezien en ’s avonds in bed tegen mezelf gezegd: ik stop ermee, ik ga iets anders doen. Ik pak mijn viool en ik ga de wereld in. En nou loop ik in Chinatown Singapore en kom ik jou tegen! Ik speelde daar ’s avonds voor Nederlanders en toen is hij komen kijken. Ontzettend aardige jongen.»

Een mooi bewijs van waarom je het doet.

«Een aantal zal toch wel iets, één keertje íets anders doen? Ik rij vaak langs een nieuwe nieuwbouwwijk. Dan kijk ik aan de achterkant en dan loopt daar zo’n slootje langs. Daar hebben ze allemaal al van die afscheidinkjes gemaakt en die zijn allemaal van Intratuin, maar dan ook echt állemaal. Ik hoop altijd nog dat er eentje ’s avonds thuiskomt en denkt: ik sloop die schutting eruit en ik doe iets anders. Bosjes, íets anders.

Het verwijt in mijn richting is wel eens dat het alleen maar over buitenkant gaat. Over dat mensen een bepaalde auto rijden of broek dragen. Maar dat is het dus niet. Het gaat eigenlijk over het kuddeachtige gemak waarmee iedereen dingen doet. Als ik hier door Den Bosch loop, door welke stad dan ook, het is een steeds grotere eenheid van mensen geworden. Je komt zo weinig individuen tegen die een heel ander leven leiden. Overal waar ik kom: Blokkers, c&a’s, het is allemaal hetzelfde. Er is geen stadje meer dat nog afwijkt. Of het nou Bussum is, Hilversum of Hardenberg, het is allemaal Inter toys, h&m, Jamin, Kruidvat, Etos.»

Soms maak je een grap over verschillen tussen het Noorden en het Zuiden.

«Ja, maar dan is het een grap, want eigenlijk zijn er geen verschillen meer.»

Overal wonen dezelfde burgers van Balkenende.

«Ik denk dat Balkenende beantwoordt aan wat veel Nederlanders in zich hebben: een intense burgerlijkheid. Met die keurige mevrouw Balkenende. Ik weet niet wat hij in zijn Zeeuwse jeugd gedaan heeft. Volgens mij heeft hij niets gedaan. Die mocht niet eens buiten naar een boot kijken.»

Zijn ondeugd is de ondeugd van de moderne burger: hard rijden in een botsautootje.

«Of hard rijden in een van de auto’s van Herman Heinsbroek.»

Maar zelf koopt hij die auto niet.

«Hij gaat een keer naar het kartpaleis. Een supertuttige man is het.»

Dus kijken Van ’t Hek en zijn clubje elkaar na vier dagen Den Bosch aan en trekken ze verder. Veel leuker om te reizen en te zien hoe het in Maastricht is dan om alle voorstellingen in Den Bosch uit te verkopen en er drie weken te moeten blijven.

Hardenberg, Goirle, Nuenen en Bergeijk — de try outs zijn voor de kleinere plaatsen. In de kleine theaters en culturele centra vertolkt Van ’t Hek de angsten en verlangens van de Nederlandse burger. Wat in het dagelijkse leven sluimert, komt op Youps avonden aan de oppervlakte. Zijn agenda heeft wat weg van die van de antiglobaliseringsbeweging. Hij heeft het over het schip met de vijftigduizend schapen, over nertsfokkerijen en is continu aan het schoppen tegen ongebreidelde consumptiedrift en de uitwassen van de moderne bedrijfscultuur. Jeeps als forten, sneeuwgolfen in Antarctica — met overdrijving probeert hij de kleinburger te bevrijden van zijn kleinburgerlijke sjablonen.

In dit nieuwe programma bekent hij terug te verlangen naar de gereformeerde tante die geen tv keek, naar dingen waar hij zich vroeger juist tegen verzette. «Eigenlijk verlang ik naar de televisieloze avonden, naar de mens die al die dingen van nu niet had, naar een soort kleinschaligheid.» Dat geplaatst tegenover de gekte van nu, hij raakt er niet over uitgepraat.

«Wat je nu ziet! Die studentikoze wereldreizigers met hun eigen websites, zodat je kan zien waar ze in Bangkok zitten. Je hebt nu ook mensen, die zijn op reis en sturen elke week een nieuwsbrief: ‹Hai, hier Anja en Henk, we zitten nu in Borneo.› Aan alle vrienden, vier kantjes. Man, rot op!»

De boosheid is groot en Van ’t Hek heeft te maken met een jeugd in het Gooi, niet toevallig de streek waar hij het felst op is. Vanuit een keurige straat in een keurige Naardense wijk heeft hij gezien hoe gewetenloos keurige mensen kunnen zijn. «En ik maak het nog mee als ik ze tegenkom. Laatst sta ik met zo’n man te praten en die blijkt aandelen te hebben in echt een fout bedrijf. Maar ze zitten in een pakketje, dus ik moet dat niet zo scherp zien. Hoezo? Omdat ze in een pakketje zitten is het wat anders? Dan ben je toch medeplichtig. Als je je geld ergens in stopt.»

Het moet gek zijn dat die mensen je boeken kopen, je columns lezen of naar je voorstellingen gaan.

«Dat vind ik juist leuk. Toen ik helemaal in het begin optrad, speelde ik Klein Bellevue vol en was ik een beetje voor de elite. Een recensent schreef dat het zo jammer was dat de mensen waar ik het over had niet in de zaal zaten. En toen opeens werd ik via de televisie een soort volkskomiek. Nu zitten ze in de zaal en kopen ze mijn boekjes.»

En geef je ze op hun lazer in de Nederlandse cabarettraditie: het protestantse een beetje op de lazerij geven en troost bieden tegelijk.

«Dat is een van de heipalen van cabaret: je pakt rechtstreeks het publiek dat er zit. Je hebt het niet alleen maar over die hufters die buiten lopen.»

Begrijpen de mensen wel dat je het tegen hen hebt en niet tegen hun buurman?

«Het is een lachspiegel, maar veel mensen willen niet onmiddellijk zichzelf erin zien en denken: mijn zwager, die heeft ook zo’n rare jeep!»

En de NRC-lezers?

«Dat zijn veel dezelfde. Ik sta erg ver buiten de krant. Ik geloof dat ze laatst een keer geadverteerd hebben met ‹NRC, voor wie de nuance zoekt én Youp van ’t Hek› Dat vond ik wel erg grappig.»

In de columns ben je vaak echt boos.

«Het nadeel bij een column, maar het voordeel ook, is dat ik er niet een lach bij kan trekken.»

Ze zijn wel woedend.

«Ze zijn vaak woedend ja. En ook vaak terecht woedend.»

En heeft het zin om je woede daar op die manier te uiten?

«Ja, omdat ze, denk ik, wel gelezen worden door het soort mensen over wie ze gaan. De Moberg-types, de Ahold-top, natuurlijk lezen die het en ik denk dat ze het heel irritant vinden. En bij Beatrix ligt mijn boek ook niet op het nachtkastje. Bij Willem- Alexander ook niet, maar ook niet bij die rare Edwin de Roy van nogwat.»

Je zei gisteravond dat het niet uitmaakt wat voor grappen je over het Koningshuis maakt, dat de leden van het Huis toch wel blijven zitten.

«Die krijg je niet weg nee. Maar je moet wel blijven zagen aan de poten van die troon, of je moet er in elk geval een boktor in stoppen.»

Veel moeilijker is het om grappen te maken over de straat, die zich met geweld de voorstelling indringt. Natuurlijk, als iemand die veel met het openbaar vervoer reist en die met zijn gezin in de grote stad woont, kan hij meepraten over slechte en goeie ervaringen met Marokkanen en andere allochtonen. «Juist dan moet je heel goed op je woorden letten», zegt hij. «Als je een grapje maakt over hockeytypes, kun je nog ver gaan. Maar mijn woorden komen en op cd en in een boekje. Ik ben me ervan bewust dat wanneer ik over problematische zaken praat, ik ontzettend moet oppassen dat ik niet de vox populi word.»

Ben je wel eens bang voor wat je op kan roepen?

«Ik moet uitkijken met groepen die niet inzien dat ik een grapje maak. De bedreigingen! Die dag, daar ben ik bang voor, dat ik je niet meer kan uitleggen dat het een grapje is, dat je een komiek bent die dingen aan de kaak stelt en dat met humor doet.»