‘Kunt u mij naar de overkant brengen?’ vraagt een oudere vrouw bij een uitgestrekt kruispunt. Ik doe mijn zonnebril af en een oortje uit, terwijl Aretha Franklin om een beetje respect vraagt. Dat dat het enige is wat ze vraagt, herhaalt ze. De vrouw op straat haakt zonder mijn antwoord af te wachten haar arm in de mijne en drukt op het knopje van het stoplicht. Ze heeft mijn arm stevig omklemd en ze voelt warm aan. Ik sta nog half verstijfd met mijn lichaam gedraaid: ik was onderweg naar de slotenmaker.

Ik kan er niets aan doen, maar het volgende schiet door mijn hoofd: niks geen corona bij deze vrouw, geen anderhalve meter. Straks ga ik dood. Of zij. Wie weet welk virus er in wie huist. Aretha Franklin spelt het woord respect en is al dood, o god, daar ga ik weer.

Ik denk dagelijks aan de dood, dit heb ik altijd al gehad. Het heeft alleen gedurende mijn leven een andere vorm gekregen. Als kind dacht ik dat mijn ouders zouden omkomen in een Derde Wereldoorlog. Toen ik ouder werd waren het mijn vrienden die iets zouden overkomen. Voor mij zit er een duidelijk kantelpunt. Vóór mijn ziekte was de dood voor de ander en schreef ik voor iedereen een afscheidsspeech. Na mijn ziekte ben ik degene die als eerste overlijdt aan wat dan ook. Die vrouw naast mij; joh, die leeft nog wel een tijdje door.

Het denken aan de dood betekent voor mij geen angst meer. Meer iets dat ik vergelijk met de gedachte: wat vanavond weer te eten?

‘Kom we gaan’, zegt de vrouw.

Sinds ik weer meedraai met het leven dat mijn vrienden leiden, stel ik me voor dat de dood mooier is dan hier: er zullen geen ouderdomskwaaltjes zijn, iedereen kan waar dan ook oversteken want auto’s bestaan er niet (en fietsen trouwens ook niet, iedereen wandelt). Er is geen tegenwind, nooit! De kleuren zwart, bruin en grijs zijn verleden tijd, alle huizen zijn kleurrijk zoals in warme landen. Overal staan te pas en te onpas planten en soms is er ineens een oerwoud. Het is er altijd lekker warm en mensen en dieren zijn lief voor elkaar maar ook onderling (!), iedereen luistert naar elkaar en geeft elkaar de ruimte die je nodig hebt. De dood kent geen geldzorgen en dus geen hiërarchie en of status. Er is nooit iets op, je hoeft nooit boodschappen te doen en je hoeft ook niet te denken aan wat je vanavond moet eten. O ja! En er is niet zoiets als je sleutel kwijtraken, en stel dat er sleutels zijn in de dood, dan is de slotenmaker altijd open (dus niet, nooit op vakantie). Als vlag heeft de dood de kleuren van de regenboog en daar is dan ook alles weer mee gezegd.

‘Kom we gaan’, zegt de vrouw.

‘Maar het is rood!’ Ik lach, dat uitgerekend ik dit zeg.

‘Maar het is rood!’ Ik lach, dat uitgerekend ik dit zeg

‘Dit stoplicht duurt ellendig lang.’

De vrouw loopt ietwat mank, maar wel met een behoorlijk tempo. In plaats van dat ik haar begeleid of wat ze ook van mij verwacht, is zij degene die voorop loopt en mij leidt. Alsof ik haar kind ben dat voor het eerst in Amsterdam is. In mijn oortje klinkt een nieuw nummer, een vrolijk deuntje: Lucky Fonz III.

‘Ja, bedankt hè!’ zegt de vrouw. Ze maakt zich los en ik blijf achter op het fietspad. Ik kijk haar na. Een theetje had me leuk geleken, dat ze haar leven in vogelvlucht zou vertellen met zo nu en dan verhaallijnen wie ze heeft verloren en hoe ze met rouw omgaat.

Ze slaat de hoek om, achter mij klinkt een fietsbel en ik ben weer een kankerhoer die niet uitkijkt. Ik doe mijn zonnebril op en mijn andere oortje weer in. Als een puzzel zonder stukkies, als een grapje zonder clue. Als een bodemloze grabbelton waarin ik er niet toe doe. Ik ben een sukkel. Ik ben een sukkel. Ik ben een sukkel. S-s-sukkel.