Adelheid Roosen over verbondenheid en het leven als spelen

‘Ik ben een voortdurend borrelend gebeuren’

Het werk van Adelheid Roosen draait om de zoektocht naar de ander. We zien de onbenutte ruimte tussen onszelf en de ander niet. Humor kan ons daar naartoe leiden. ‘Op een vrolijk makende manier is het een ontploffing.’

‘Wat is het toch van een oneindig grote rijkdom om dat oordelen achter je te laten!’ antwoordt Adelheid Roosen op de vraag wat het kernthema van haar werk is. Elk oordeel over een ander gaat ten koste van de speelsheid in menselijke relaties. De theatermaakster wil daarom onbevangen tegenover ieder ander staan, om onbevooroordeeld nieuwsgierig te kunnen zijn. Dat is de rode draad in haar werk.

‘Mijn onderzoek is een doorlopende beweging van nieuwsgierigheid’, zegt ze, ‘naar wie ik in godsnaam ben, maar dan wel in het besef dat ik er ben omdat jij er bent. In den beginne is er de relatie, schreef Martin Buber over de humaniteit. Dat is erg waar. En een relatie komt des te beter tot stand als je het oordeel over de ander zo lang mogelijk, misschien wel voor altijd, opschort. Een vogel kan alleen op een open hand landen.’

In de voorstelling Gesluierde monologen, een van de grote successen van Roosen, gaat de nieuwsgierigheid uit naar moslimvrouwen. In de film Mam is haar dementerende moeder de ander, in de locatievoorstelling WijkSafari de allochtone wijkbewoner. In de documentaire Kikubwa, over vrouwelijk leiderschap, werd de nieuwsgierigheid van Roosen naar andere werelden ruw gewekt na een verblijf in een hut in Afrika met de vrouw die de besnijdenissen in haar dorp uitvoert. Ook die ervaring leerde haar dat elk oordeel over de ander nooit helemaal de werkelijkheid dekt. ‘Oordelen beperkt de ruimte tussen mensen. Dan wordt het krap, benauwend. Mijn gevoel bij de westerse wereld is dat we de ruimte tussen mensen niet meer zien doordat we zo veel hebben afgebakend. In die ruimte bevinden zich al die fascinerende en intrigerende geschiedenissen van al die verschillende mensen. Ze ontgaan ons doordat die ruimte onbenut blijft.’

Als Roosen haar werk zou moeten duiden, noemt ze het ‘sociale sculpturen’ of ‘antropologische staketsels’ om die onbenutte ruimte tussen mensen zichtbaar te maken. In WijkSafari heeft dat staketsel de vorm van een theatraal locatieproject in de Utrechtse buurten Ondiep, Overvecht en Zuilen. Achter op de scooter bij Marokkaanse jongens rijdt het publiek naar plekken die anders voor de meesten van hen verborgen zouden blijven, zoals een moskee, een voedselbank of de huiskamer van Fatma. Acht wijkbewoners, de meesten van allochtone afkomst, hebben ieder enige tijd onderdak geboden aan een acteur, de adoptiemethodiek, met wie gaandeweg een relatie ontstond. Bij elk bezoek vloeien fictie en werkelijkheid ineen. Het verhaal dat je hoort is waar. Het is een botsing van twee levensscenario’s van de speler met de ‘adoptie-ouder’. Maar of het waar is, dat doet er niet echt toe, concludeert ook recensent Ron Rijghard van NRC Handelsblad: ‘De safari is echt als het leven zelf. En beter, want er ontstaat een magisch gevoel van gemeenschap en verbondenheid, met bewoners, met gidsen en met andere deelnemers.’

Roosen maakt in WijkSafari gebruik van de universele wetmatigheid dat nieuwe ervaringen mensen ontvankelijker maken voor anderen. De dramaturg Dirkje Houtman beschreef deze benadering als volgt: ‘Roosen creëert en maakt theater vanuit de visie: ik ben er omdat jij er bent. Roosen raapt. En de kunst, die fantastische vormgever van alle openbaringen die dagelijks voor je voeten vallen, is er de drager van. Haar werk is verweven met de zoektocht naar de Ander. Het is geen poging het vreemde te begrijpen, Roosen kantelt het perspectief en probeert daarmee te tonen dat er feitelijk geen vreemde is.’

Zelf zegt zij: ‘Ik raak regelmatig ontroerd als iemand op de zebra zich totaal toont, in het voorbijlopen. Ik richt me al weer op m’n volgende stap, ik til mijn voet op en net op dat moment, in een enkele oogopslag, is de afbakening tussen ons even helemaal weg. Honden zijn daar goed in. Wij denken er te veel bij na. Als ik mijn stap toch heb gezet, dan keer ik niet terug op mijn schreden, ook al wil ik dat bij nader inzien om die blik in de ogen van die ander te beantwoorden. Misschien dat het er de volgende keer wel van komt, denk ik dan. Een hond daarentegen draait zich natuurlijk gewoon om en bespringt die ander. Dáár gaat mijn werk over. Ik hoop mensen te verleiden op hun schreden terug te keren en nóg een keer te kijken of ze niet iets wezenlijks dreigen te missen.’

Het kan ook zijn dat mensen die ruimte onbenut laten omdat het anders te veel tijd kost, te veel moeite, te veel rompslomp.

‘Je zult die ruimte nooit benutten als je er niet van weet. Ga eens na hoeveel je wel niet doet in je streven niets te veranderen. Je leeft zo’n tachtig jaar en je besteedt ontzagwekkend veel tijd aan dat streven, in de gedachte dat je dan je leven op orde houdt. Tja, dan zal dat gevoel van ruimte je ook nooit overvallen. Schoonheid kan je losmaken en je meevoeren naar die ruimte tussen jou en de ander, die onbenutte ruimte. Iemand vroeg ooit aan Jan Wolkers tijdens het beeldhouwen wat het werd. Toen zei hij: “Het wordt wat het is.” Ha! Dat vind ik zo intens grappig en totáál goed geformuleerd. Je moet dat wat in jouw gedachten zweeft zich laten voltrekken tot het er is. Ik kan enorm tekeergaan in stilte. Dan oog ik volkomen kalm, terwijl van binnen op stormachtige wijze zich een idee ontwikkelt. Dat voltrekt zichzelf.’

Wat niet helpt is dat mensen eigenlijk van alles willen begrijpen waarom het gebeurt. Ons ­onbekommerd laten overvallen, daar zijn we niet zo goed in.

‘En dan zal het zich ook niet voltrekken. Dat is zo heerlijk aan verwijlen. Ik verwijl graag in een repetitieruimte en ga dan tekeer in stilte. De uren gaan ongemerkt voorbij, het ene na het andere, en toch ben ik enorm aan het werk. Als je verwijlt ben je… Ik ben een voortdurend borrelend gebeuren.’

Hoe krijg je het voor elkaar niet te oordelen over iemand die in zijn diepste overtuiging recht tegenover jou staat?

‘Ik zou willen dat de mensen ontdekken hoe fascinerend het is om zachtmoedig te zijn. Je moet je zachtmoedigheid oprekken omdat het jezelf rijk maakt. Het is toch dijenkletsend geestig hoe mensen in de kramp kunnen schieten en zich knauwend en snauwend van de ander verwijderen! Ik betrap mezelf er ook op, als ik met mijn assertieve snater tekeerga: tjak, tjak, tjak. Als ik zo eendimensionaal reageer, dan denk ik: verloren kans, Roosen. Jammer. Stom. Dat vind ik vernauwing van de ruimte en dus vernauwing van mezelf. Ik voel me veel meer een krijger als ik erin slaag mijn zachtmoedigheid op te rekken en de wapens die ik bij wijze van spreken in mijn gordel draag niet te trekken. Wat ik dan in mezelf moet verrichten, in dat binnenwerk, dat is zóveel fascinerender dan de adrenaline die ik krijg als ik mijn snater opentrek.

Ik vind het zó oninteressant hoe het debat nu wordt gevoerd. Ik verveel me kapot. O, mijn God, wéér twee stellingnames, wéér dat gebrek aan nieuwsgierigheid en geen luisteren, wéér niemand die naar de ander oversteekt. Na drie uur zijn we even ver als in het begin. Niets is veranderd. In zo’n debat zit geen ontdekking, bij gebrek aan ruimte. Dus hoe ben je zachtmoedig? Moeilijk, moeilijk. Ik weet wél dat als je de weg van de zachtmoedigheid aflegt dat niet hoeft te betekenen dat het niet hard kan zijn. Ook humor kan hard zijn. Humor kan hard bij iemand aankomen, ook als het niet zo bedoeld is. Humor kan een overdonderende, orkaanachtige werking hebben.’

Heb je een voorbeeld uit WijkSafari?

‘We komen daarin langs een kleine ruimte om te bidden, een kamertje met een kleedje. Mensen lopen daar langs en zeggen dan tegen mij: “O, houd je daar ook rekening mee. Goed hoor!” Dan ligt mijn tong meteen als een muffe deurmat in mijn mond en weet ik even niets te zeggen. Want ik vind er eigenlijk niks van, van die gebedsruimte. Je kunt me net zo goed vragen of we een koelkast hebben. Eerlijk gezegd vind ik het nogal onnozel om mensen in een hokje in te delen op grond van een religie of wat dan ook. Zo’n oordeel laat meteen de slagboom neer. Juist door je te onthouden van een oordeel kun je jezelf de grootst mogelijke vrijheid verschaffen om een mening te hebben en tegen een ander te zeggen: “Zó, zeg, wat ben ik dát met jou oneens, niet te geloven!”’

En kun je ook zonder probleem een conflict met iemand hebben?

‘Conflict, daar ben ik niet zo van. Ik strijd wel, maar niet tegen jou. Ik strijd vóór iets wat ik aan het creëren ben. Onder de scooterjongens in de WijkSafari bevonden zich er aanvankelijk twee die een vrouw geen hand wilden geven. Oké, denk ik dan, hoe ver ga je daarin? Je wilt meedoen met je scooter, fijn, goed idee makker, maar realiseer je wel dat vriendinnen van mij bij jou achterop komen zitten, in een rok tot ver boven de knie. Blote benen, hoge hakken. Vrouwen, van achttien tot 68, die kei-enthousiast zijn: “Jippie, we gaan op WijkSafari!” en die dan hun armen om jou heen slaan… Zie jij dat voor je? En wil je dat? Deze jongens zijn opgestapt. Die aanraking ging ze te ver. Nee, een oordeel heb ik er niet over, in het geheel niet.’

‘Menselijke beschaving komt op en ontplooit zich in spel, als spel’, schreef Johan Huizinga in Homo Ludens. Mensen kunnen volgens hem geestelijk groeien als zij hun speelruimte benutten. Tegelijkertijd lijken zij zich er wat ongemakkelijk onder te voelen en perken ze hun ruimte in met ge- en verboden, regels en reglementen.

‘Ik vind het leven een soort van schitterend speelgoed. Leven, dat is spelen. Nu is het er, nu moeten we het doen. Naast trots, verlegenheid, schaamte, verwerf ik zelfinzicht als ik met een ander die speelruimte benut. Aan de andere kant vergaren mensen bezit, financieel en materieel, dat als een loden last op ze drukt doordat hun speelruimte minder wordt. De systemen die wij in het leven hebben geroepen om onze samenleving te reguleren, zoals de politiek en de media, hechten mede daarom aan de zekerheid en eenduidigheid die ge- en verboden verschaffen. Ze reageren kribbig op gedwarrel, op verwijlen en dromen. Daar kunnen ze niet tegen. Zich niet realiserend dat ze het ook zichzelf ontnemen. Misschien dat mij daarom werkelijk de tranen in de ogen kunnen springen als ik iemand op de zebra in een aarzeling betrap, in zo’n dwarrelend moment van de ontmoeting met iemand die van de overkant komt. Dat hij dan even het spelen totaal toelaat en het hoofd verliest. Het is alsof mensen dan onhoorbaar naar elkaar schreeuwen. Dat is zó mooi.’

Emancipatiebewegingen zijn vaak zo humorloos. Ze hebben al gauw de neiging hun idee van hoe je moet zijn aan anderen op te leggen.

‘Alle dogma’s en ismen komen voort uit pijn, teleurstelling en óók uit idealen. Dat geldt niet minder voor het feminisme. Ik heb enorm geprofiteerd van die eerste golf van het feminisme. Ik ben die vrouwen zo ontzettend dankbaar! Wow! Het eerste wat ik ervoer als jong meisje was dat ik een lans in de pollen had.’

De pollen?

‘Mijn handen, mijn pollen. Dat woord dank ik aan mijn moeder. Lekker krachtig woord, pollen. Ik heb die documentaire Kikubwa gemaakt, over vrouwelijk leiderschap, in de rurale gebieden van vier Afrikaanse landen, met zwarte vrouwen die maatschappelijk werk doen en voortrekkers zijn in de emancipatiebeweging daar. Een van hen is Youma Diallo, uit Mali. Van tevoren had zij bedacht mij, een westerse, blanke vrouw from the north, een opvoedkundige tik te geven, door me bij een bekende van haar in een hut te slapen te leggen: “Dit is een copain van mij uit Amsterdam en die komt een documentaire maken. Voed haar en bied haar een slaapplek.” Ik verstond mijn gastvrouw niet. Ik lag in die hut, op het zand, en sprak met mijn handen en voeten. Zij had zo’n kleed om dat vroeger timmerlieden ook hadden, met van die vakjes voor schroevendraaiers en beiteltjes, en ik dacht: leuk, wat zou ze doen? Tekent ze? O, nee, dat is een mesje, en daar nog een mesje en een of ander scherp ding. Opeens drong het tot me door… Fucking! Zij bleek de vrouw te zijn die de besnijdenissen bij de jonge meisjes van het dorp uitvoerde! Dat was een mokerslag tussen mijn ogen. Ik hapte naar adem.’

Wat had dat voor zin, om je bij die vrouw onder te brengen?

‘Youma heeft mij bewust bij die vrouw in die hut ondergebracht, zonder iets te verraden. De volgende ochtend kwam ze binnen, gracieus, wijs, en zei: “Nu ligt het veld helemaal voor je open. Je bent tot de diepten van dit dorp doorgedrongen en nu kun je praten met wie je wilt. Ik vertaal alles voor je. Stel al je vragen.” Youma was een vrouw die mij dorst te raken en tot intimiteit bereid was, zelfs door mij deelgenoot te maken van een geheim waarvan zij wist dat het een explosie in mijn hoofd zou veroorzaken. Daartoe zette ze een val, in de goede zin van het woord.’

Je had toen ook daar, in Afrika, de ruimte die je altijd zoekt?

‘Als iemand die in alles een ander is met jou de intimiteit aangaat, kun je dat vervelend vinden, verontwaardiging, schuld, schaamte voelen en in de aanval gaan. Zoals ik doe in mijn zwakke momenten, als ik mijn snater open zet. Maar je kunt dat kleurenpalet aan gevoelens ook benutten, als een uitgelezen mogelijkheid om van het leven dat schitterende speelgoed te maken.’

Geldt dat ook voor je ervaring met de vrouw die de meisjes in het dorp besneed?

‘Youma wilde deze confrontatie, van mij met die vrouw, per se tot stand brengen. Zij wilde de blanke vrouw uit het noorden dit vertellen: “Oké, altijd weten jullie zo zeker hoe je ons kunt helpen, met jullie geld, met jullie systemen. Jullie hebben daarmee een zicht op ons. Maar hebben jullie ooit gevraagd naar ons zicht op jullie?” Dat is volgens mij wel het patroon in mijn werk. Als de ander een plank voor mijn hoofd ontwaart die mijzelf ontgaat, nodig ik hem uit die weg te halen. Daar is humor ook meesterlijk in, in het creëren van nieuw zicht op jezelf.’

Je zei eens dat je ieder mens die jou durft aan te gaan ontzettend dankbaar bent.

‘Een andere vrouw in Afrika, in Zimbabwe, Sythembiso Nyoni, zei toen ik voor haar voordeur stond: “Als je mij iets komt brengen, kun je linea recta terug naar het vliegveld. De deur gaat alleen open als je bij mij iets komt halen, al is het ’t recept van mijn moeders favoriete maal.” Dat was ook weer zo’n mokerslag tussen de ogen. Ik kwam met dat vliegtuig, uit een land dat veilig is, met dat hele westerse circusverhaal en de champagnebruis in mijn bloed. En Sythembiso zei simpelweg dat als ik haar niet in haar waarde zou laten door iets van háár te willen leren ik blijkbaar alleen iets kwam brengen. En daar bedankte ze voor, terecht. Youma uit Mali zei ook dat er bij ieder gesprek tussen twee mensen altijd vier aanwezig zijn. Dat ben jij, dat ben ik. En dat zijn degene die ik van jou maak en degene die jij van mij maakt.’

Sythembiso betrapte je op een gebrek aan nieuwsgierigheid.

‘Ik vind het fascinerend als ik zelf het doelwit ben. Dat is ook spelen met het leven, om me te laten aanvallen. Het is goed voor mijn onderzoek om dat juist niet te vermijden. Ik ben die witte wereld, kom op, laad je geweer en schiet! Sythembiso zei op een gegeven moment: “Women’s laughter will bury the system.” Dát is waar humor over gaat. Humor vernietigt de systemen, in de betekenis van creatieve destructie. Dankzij humor worden de systemen ontdaan van zinloze betekenissen en zinloze macht. Soms blijft er niks van over. Inderdaad: laughter will bury the system! Dat is zó waar. Dankzij die woorden van Nyoni kreeg ik bij humor het beeld van een explosie. Op een vitale, vrolijk makende manier is het een ontploffing. Humor is een bom.’

Wat is humor niet?

‘Humor is niet zomaar leuk doen. Humor kan ook zijn nut hebben in fucking serieuze situaties. Waarom organiseren we niet een cappuccinobombardement op Damascus? Dan gaan we met 26 landen, het ene na het andere, naar Damascus en nodigen we Assad voor een cappuccino uit. Lijkt mij een bon ideetje, wereldwijd goede humor, om 26 keer een vliegtuig met een premier en twee cappuccino’s erin op Damascus te laten landen. Mag ik een kopje koffie met u doen, meneer Assad? Je weet van tevoren dat de eerste tien, twintig regeringsleiders die komen aanvliegen worden afgewezen, totdat… Het effect kan zitten in de beweging, die permanente herhaling van een ogenschijnlijk bizar gebaar. Daarom moet het ook in volle openbaarheid gebeuren, dus niet in geheime missies. Daar zou ik de regeringspegels op inzetten. Op een andere vorm van “welkom”. Op een andere vorm van vredesmissies. Dan ontstaat er een zichtbare ruimte die door Assad wordt afgewezen of niet. Zoals Mandela deed, zijn onconventionele verzet vanuit de gevangenis. Dan ontstaat uiteindelijk ruimte, misschien.’

Al met al komt jouw betoog erop neer dat mensen de realiteit nogal egocentrisch verkennen. Daardoor krijgen ze een vertekend beeld van de werkelijkheid en natuurlijk ook van de ander.

‘In Afrika ontdek je: Ik… is het dingetje. Ja… Natuurlijk! Misschien is dit de zin die ik al de hele tijd zag hangen en maar niet te pakken kreeg. Het Ik is een dingetje! Hoe kun je jezelf als doelwit nemen? Hoe kun je jezelf betrappen? Hoe kun je alles in jezelf waarvoor je geneigd bent weg te kruipen toch in het vizier krijgen? Door het Ik als een dingetje te zien. Het dingetje is de uiterlijke, driedimensionale Adelheid. Stel dat ik me alleen identificeer met die ene Adelheid, met dat dingetje, dan zal ik ook nooit om mezelf kunnen lachen en zullen schaamte en verlegenheid bezit van mij nemen. Maar als ik Adelheid als mijn voertuig zie, dat hectische dingetje waar ik ook even uit kan stappen, dan kan ik naar mezelf kijken en me afvragen wat ik nu weer uitvreet. Dat is óók een manier om aan de vernauwing te ontsnappen en te spelen met je leven. Dat is wat Youma en Nyoni met mij deden, in Afrika. Ze nodigden me met de nodige drang uit om uit het dingetje te stappen. Ik dank ze daar nog iedere dag voor.’