De dichter van Damascus

Ik ben een vrouw

Hij leerde de moderne Arabier liefhebben en sprak zich uit tegen de onderdrukking van de vrouw. De Syrische dichter Nizar Qabbani was de Arabier van de toekomst die niet kwam. Zijn werk heeft nauwelijks aan actualiteit ingeboet.

Toen ik in 2010 Damascus bezocht (een jaar voor de oorlog) werd ik aangenaam verrast en gegrepen door de romantiek van de Syrische hoofdstad. Van het adembenemende uitzicht vanaf de berg Qasioun (vooral bij zonsondergang) tot de geheimzinnige binnenplaatsen in de nauwe straatjes van de oude stad kon je de liefde proeven. Jonge Syrische stelletjes die aan het keuvelen waren, woorden die in de oren werden gefluisterd en vaak een glimlach op het gezicht van de geliefde toverden. Het had allemaal iets aandoenlijks.

Small par409914

In een samenleving waar verkering en ongehuwde omgang tussen man en vrouw taboe zijn werd dergelijke kalverliefde blijkbaar oogluikend toegestaan. Want Syrië was weliswaar een seculiere staat met ogenschijnlijk relatieve vrijheid voor vrouwen, toch was het net als de meeste Arabische landen nog altijd een conservatieve mannenwereld.

Des te verwonderlijker dat het land in de vorige eeuw een van de meest invloedrijke liefdesdichters van de Arabische wereld had voortgebracht: Nizar Qabbani. De Syrische poëet was voor menig Arabisch koppel de Dritte im Bunde, immer aanwezig via zijn sensuele gedichten die gretig werden overgeschreven, onthouden en voorgedragen. Veel van zijn teksten werden ook op muziek gezet door Syrische en Libanese zangeressen waardoor zijn werk nog bekender werd.

Nizar Qabbani, een telg uit een welgestelde familie die veel aanzien geniet in Syrië, werd in 1923 geboren in Damascus. Als opgroeiende jongen in een conservatieve buurt maakte hij van nabij het verzet tegen het Franse mandaat mee, een strijd waar zijn nationalistische familie een belangrijk deel van uitmaakte. Hij studeerde rechten aan de universiteit van Damascus, al schreef hij naar eigen zeggen liever liefdesgedichten in de kantlijnen van zijn notitieboekje dan dat hij aantekeningen maakte. Na het behalen van zijn bachelorgraad in 1945 was hij lange tijd werkzaam als diplomaat in onder andere Spanje, Groot-Brittannië en China.

Zijn internationale carrière leverde hem een indrukwekkende staat van dienst op, maar Qabbani werd vooral geroemd om zijn poëzie. In 1944, nog tijdens zijn studie, debuteerde hij met zijn dichtbundel Qalat li al-samra’ (‘De brunette vertelde mij’), waarin de toen 21-jarige Qabbani beschreef hoe hij de wereld ontdekte van de vrouw en gefascineerd en geobsedeerd raakte door het vrouwelijk lichaam. De erotische inhoud van zijn werk sloeg in als een bliksem in de conservatieve Arabische samenleving, zoals het gedicht ‘Jouw borsten’ (in de vertaling van Bassam K. Frangieh):

I pulled her body to me

She neither resisted nor spoke,

Intoxicated she swayed against me

And offered her quivering breasts

Saying in drunken passion

‘I cannot resist touching fire’

Qabbani werd verguisd door de puriteinse scherpslijpers, maar die konden niet voorkomen dat hij razend populair werd bij de jeugd. Dat hij enigszins onaantastbaar was kwam mede door de maatschappelijke positie van zijn familie, die nauwe banden onderhield met Syrische hoogwaardigheidsbekleders.

De combinatie van het klassiek Arabisch en de alledaagse uitdrukkingen van de Damasceense straat maakte dat zijn werk ook toegankelijk was voor het ‘gewone volk’, daar waar Arabische liefdespoëzie van oudsher een elitaire bezigheid was. De onnavolgbare versregels en complexe metaforen werden vervangen door eigenzinnige verzen en lokaal vocabulaire, een trendbreuk met de strenge dichtregels van de conservatieve literaire traditie.

De zelfmoord van zijn zus Wissal Qabbani, die niet bereid was te trouwen met een man van wie ze niet hield, had een grote invloed op het werk van Nizar. In zijn zus zag Qabbani de tragiek van de Arabische liefde terug, waarin vooral de vrouw het onderspit moest delven. De liefde in de Arabische wereld is net een gevangene, schreef hij later, en de man/vrouw-verhouding in de Arabische samenleving is ongezond. Qabbani voelde zich verplicht te schrijven over de eeuwige strijd en pijn van de vrouw in een door mannen gedomineerde wereld. In een van zijn werken schreef hij in zijn inleiding: ‘Zij vragen mij: waarom schrijf je over de vrouw? En ik antwoord in volledige onschuld en pure eenvoud: waarom zou ik níet over haar schrijven?’

Al vroeg in zijn carrière hield Qabbani de Arabische man verantwoordelijk voor de penibele en claustrofobische positie van de vrouw. In zijn Qasa’id (‘Gedichten’) uit 1956 gebruikte hij voor het eerst het vrouwelijk perspectief. Een belangrijk aspect in zijn werk, want zo maakte de (mannelijke) lezer kennis met de innerlijke wereld van de vrouw en kreeg die ook voor het eerst de bitterheid en woede van de vrouw over het patriarchaat onder ogen.

In zijn dichtbundel Yawmiyyat imra’a la-mubaliya (‘Dagboek van een onverschillige vrouw’) uit 1968 ging hij dieper in op de onderdrukking van de Arabische vrouw. ‘Dit is het boek van iedere vrouw (…) veroordeeld en geëxecuteerd nog voor zij een woord heeft kunnen uitspreken. Het Oosten heeft een man als ik nodig om de kleren van de vrouw aan te trekken en haar armbanden en wimpers te lenen om over haar te schrijven. Is het niet ironisch dat ik de vrouwenstem vertolk terwijl vrouwen niet voor zichzelf mogen spreken?’ schreef hij in de inleiding. Vervolgens dichtte hij:

I am a woman

I am a woman

The day I came to this world

I faced the judgement of my execution

While I didn’t see the doors of my court

While I didn’t see the faces of my judges

(Vertaling: Lena Jayyusi)

Qabbani pleitte voor vrije partnerkeuze, de keuze om al dan niet een sluier te dragen en het recht op onafhankelijkheid. Ook had hij oog voor de psychologische prijs die de Arabische vrouw (maar in die tijd waarschijnlijk de meeste vrouwen in de wereld) moest betalen voor de gevolgen van vreemdgaan, ongewenste zwangerschap en de povere bedprestaties van haar partner.

Er was nog een reden waarom Qabbani zich hard maakte voor de vrouwenemancipatie. Net als veel van zijn tijdgenoten was hij een Arabische nationalist, beïnvloed door de uit het Westen geïmporteerde ideologieën: het socialisme en het liberalisme. Er werd een veelbelovende toekomst in het vooruitzicht gesteld, maar dan moest de Arabische samenleving eerst een mentaliteitsverandering ondergaan. Volgens Qabbani hing de bevrijding van de natie nauw samen met de bevrijding van de vrouw, want een samenleving kon onmogelijk opstoten in de vaart der volkeren wanneer de helft van de bevolking het recht op zelfbeschikking werd ontnomen.

Maar Qabbani was geen blinde nationalist. In Khubzun wa Hashesh wa Qamar (‘Brood, hasj en de maan’) uit 1954 beschreef hij de miserabele situatie van de Arabische massa, wat uiteindelijk een aanklacht was tegen bijgeloof, achterlijkheid, armoede en valse dromen:

Ze roepen naar de maan:

‘O maan

O bron van diamanten

En hasj en doezeligheid

O hangende god van marmer

O jij ongeloofwaardig ding’

Je blijft hangen in het oosten

Voor ons

Een tros juwelen

Voor de velen met versleten zintuigen

(Vertaling: Arjwan al Fayle)

Het gedicht zorgde voor veel opschudding en zelfs het Syrische parlement hield een spoedberaad waarin sommige leden censuur eisten. Weinigen hadden door dat de subversieve teksten van Qabbani eerder een waarschuwing waren dan een progressieve aanval op een conservatieve maatschappij. Zolang vrijheid en democratie uitbleven zou er weinig overblijven van de retoriek waarmee de hoogdravende idealen werden uitgedragen.

Na de vernederende nederlaag tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 raakte Qabbani gedesillusioneerd (‘Mijn vaderland! Je veranderde mij van een dichter van liefde en verlangen naar een dichter schrijvend met een mes’). De oorlog werd twee keer verloren, zei hij, militair en moreel. Hij koos zelf voor een ballingschap in Londen, waar hij steeds vaker en onbekommerd over politiek schreef.

In 1981 overleed zijn vrouw Balqis al-Rawi, de liefde van zijn leven, bij een bomaanslag op de Iraakse ambassade in Beiroet, op het hoogtepunt van de Libanese burgeroorlog. In een lang en emotioneel gedicht, vernoemd naar zijn omgekomen vrouw, beklaagde hij zich over de oorlog die zijn geliefde had geslachtofferd. ‘Dit is geen rouwgedicht’, schreef hij, ‘maar een afscheid van de Arabieren.’

‘De Arabieren zijn dood’, dichtte Qabbani in 1994. Na vijftig jaar schrijven constateerde hij het failliet van het Arabisch nationalisme en alle aspiraties en hoop van zijn generatie. In zijn kritiek zou je zelfs de voorbode van de Arabische lente terug kunnen lezen, want Qabbani voorspelde de opkomst van de fundamentalisten, die gauw de poten onder de stoelen van de seculiere dictators zouden wegzagen.

In 1998 overleed Nizar Qabbani in Londen op 75-jarige leeftijd aan een hartaanval. Enkele maanden eerder werd in Damascus een straat naar de Syrische dichter vernoemd en na de bekendmaking van zijn overlijden stuurde president Hafiz al-Assad zijn privévliegtuig om het lichaam te repatriëren naar de Syrische hoofdstad. Dat Qabbani in zijn werk het regime bekritiseerde werd door de vingers gezien, wat toen nog werd beschouwd als een teken dat Syrië op het punt stond een overgang te maken naar een nieuwe en hoopvolle tijd. Een decennium na de dood van vader Assad bleek het ijdele hoop en was het geliefde land van Qabbani (dat hij zijn ‘tweede echtgenote’ noemde) ten prooi gevallen aan een moordzuchtige dictator enerzijds en jihadistische koppensnellers anderzijds.

Maar de Syrische bevolking is de legendarische dichter niet vergeten, getuige ook de graffiti die is achtergelaten op de muren van verwoeste steden als Aleppo. Geen jihadistische slogans maar citaten van Qabbani: Love Me, Away from the Land of Oppression and Frustration, Away from Our City That Has Had Enough Death.