Interview met Abdellah Taïa

‘Ik ben eigenlijk vergeten dat ik homo ben’

Abdellah Taïa
Broederliefde (l’Armée du Salut)
Vertaald door Henne van der Kooy
Van Gennep, 143 blz., € 13,90

De jonge Marokkaan Abdellah Taïa is moslim en homoseksueel en hij doet daar in interviews in zijn thuisland niet geheimzinnig over. Zolang dat in Franstalige media gebeurde was er geen vuiltje aan de lucht, maar een interview met het onafhankelijke Arabischtalige tijdschrift Nichane leidde tot stevige problemen. Nichane werd kort geleden door het regime verboden.

Hoe verklaart u dat verbod?

Abdellah Taïa: ‘De situatie is moeilijk. Er zijn twee bewegingen. De islamistische, vooral in de steden, de arme wijken, en een vrije, in tijdschriften als Nichane, Telquel, Le Journal en wat vrouwenmagazines, zoals de Marokkaanse Elle. Die zijn enigszins vrij en kunnen kritiek leveren, op de koning, zelfs op de islam. Eentje had een cover over “de hypocrisie van ramadan in Marokko”. Nichane maakt, omdat het Arabisch is, direct contact met de “gewone” Marokkaan. Dat steekt. De Marokkaanse samenleving schaamt zich over mijn boek, en daar heb ik steeds opnieuw mee te maken, maar tussen mij en mijzelf is er geen enkele schaamte.’

U bent schrijver maar ook homo-ikoon. Stoort u dat?

‘Ach, daar heb ik toch geen invloed op. Ik begrijp dat de journalisten geïnteresseerd zijn in een Marokkaanse man die uit de kast komt. Het is in Marokko en in de moslimwereld een beetje een revolutionaire manier om te zeggen: “Ik kom uit jouw samenleving, en ik ben Marokkaan net als jij, en dat bén ik ook, maar ik ben het niet met alles eens.” Ik ben eerst schrijver. Ik ben eigenlijk al weer vergeten dat ik homo ben.’

De relatie tussen homoseksualiteit en islam is in ‘Broederliefde’ geen onderwerp. De gangbare opinie hier is dat die twee elkaar uitsluiten.

‘Voor mij is dat niet zo. Ik had wel perioden dat ik bang was voor God en mezelf een zondaar voelde, maar op de een of andere manier had ik die moraal toch al snel achter me gelaten. Tegelijkertijd ben ik sterk verbonden met de manier waarop mijn moeder vroeger haar geloof uitoefende. Dat had eigenlijk maar heel weinig met de islam te maken. Ik denk dat je dat in dit boek ook kunt voelen, het is iets spiritueels.’

Het boek gaat meer over magie dan over de moskee.

‘Ja, het volgende boek gaat er zelfs helemaal over, die mélancholie Arabe, de djinns, de tovenarij, de ceremonies, de bezetenen die ’s nachts bij de mausolea dansen, met katten en honden. Mijn moeder bedacht zelf allerlei rituelen, speciaal voor mij. De avond voor ik een examen had kwam ze tegen middernacht naar me toe, en zei: “Pak je boeken”, en dan nam ze me mee naar de moskee en raakte daar met alle boeken de muur van de moskee aan. Het was fascinerend. Ze gaf me een soort poëzie, een soort verbeeldingskracht. Dat is helemaal niet islamitisch, de islam is er zelfs tegen. Mensen in Marokko worden geobsedeerd door vervloekingen en toverspreuken en hoe je daar onderuit kunt komen. Ze zeggen dat het drinken van de pis van je moeder het allerbeste middel is. Ik heb ’t gedaan.’

De pis van uw moeder gedronken?

‘Ze deed een beetje in de thee. Is dat niet heerlijk krankzinnig? Want ze zág dingen, dingen die ik niet kon zien. Het was een omgang met het onzichtbare, met de djinns. Literatuur gaat daarover, over mijn waarheid, de waarheid van de schrijver, en hoe we dezelfde dingen nooit hetzelfde zien. Ik schrijf in het Frans, maar het is niet mijn taal. Ik denk dat ik schrijf als mijn moeder. Ze is analfabeet, maar ik schrijf in haar stijl.’

Waarom schrijft u?

‘Ik schrijf niet voor de prijzen, of om ooit minister van Cultuur in Marokko te worden (lacht). Je hebt dromen, als je een kind bent, of een adolescent, je wilt iets heel groots doen, een held worden, je leest Jean Genet, Marcel Proust, je ziet films van Fassbinder en je denkt: dat is zó groot, hoe kan ik dat ooit zelf doen? Het zijn naïeve dromen; daar beginnen we allemaal mee.’

Uw hoofdpersoon is een belezen intellectueel, en tegelijkertijd een naïeve ‘Afrikaan’ die verdwaalt in de grote stad Genève. Is die tegenstelling symbolisch voor de positie van jonge Marokkanen?

‘Ja. Ik woon in Parijs, maar Marokko, de stad Salé, de buurt Hay Salam, dat is de wereld waar ik eigenlijk nog steeds leef. Het is als Martin Scorsese die zegt dat hij eigenlijk niks méér weet dan “Littly Italy”, en altijd het advies geeft: praat en schrijf en film over de plaatsen en dingen die je kent. De plaatsen die ik ken, buiten mijzelf, die ik begrijp – en er zijn veel dingen die ik niet begrijp – die zijn daar, Hay Salam in Salé.

Natuurlijk is er de neiging om dat te intellectualiseren, maar alleen maar als een schaduw, een vleugje. Ik wil niet “intellectueel” zijn op de Parijse manier, zo theoretisch, de lezer voorhouden dat je alles gelezen hebt, maar ik kan niet voorkomen dat ik over boeken schrijf. Ieder moment in Broederliefde wordt door een boek beïnvloed. Door Mohammed Choukri’s Hongerjaren, Nikos Kazantzakis, Benjamin Constants Adolphe, mijn favoriete boek over de liefde in de Franse literatuur. Maar het moet begrijpelijk zijn, voor de mensen. Simpel.’

Eerder verschenen van Abdellah Taïa Le Rouge du Tarbouche en Mon Maroc (Edition Seguier)