Interview Siri Hustvedt

«Ik ben geboren met een kleine wond»

Siri Hustvedt neemt meestal zichzelf als uitgangspunt voor haar boeken. De mysterieuze kanten van de menselijke identiteit vormen een wederkerend thema in haar romans. «We hebben de neiging om onszelf te zien als geïsoleerde, gesloten lichamen, maar dat zijn we niet. We zijn gemaakt om ons met elkaar te vermengen. Dat is wat mij fascineert.»

«Een keer heb ik een totale hallucinatie gehad. Ik lag in bed en naast mij, op de vloer, stonden twee hele kleine roze figuurtjes. Het waren een mannetje en een os. Later las ik hierover in een boek van Oliver Sacks. Dit verschijnsel schijnt vaker voor te komen bij migraineaanvallen. Het heeft zelfs een naam: lillipution hallucination. Is dat niet totaal bizar?» Siri Hustvedt barst in lachen uit. De New Yorkse schrijfster heeft een opvallende lach, vooral omdat haar hele gezicht er in één klap door verandert. Ineens zit er een kleine kronkel in haar rechte neus en is haar bleke, serene gelaat vertrokken tot een grote grimas. Het is vreemd. Er is iets met deze vrouw. Maar het zit niet in haar lach. Wie haar voor het eerst ontmoet, kan niet anders concluderen dan dat ze een bijzonder uiterlijk heeft. Maar het ligt niet aan haar manier van doen, of aan haar kleding. Het is vooral haar lichaam. Siri Hustvedt is lang en dun, met fijn blond haar dat ze heeft opgestoken. Ze praat levendig, maar als ze zwijgt, ziet ze er breekbaar uit. Ze heeft een heel lichte huid, bijna transparant. Haar handen en voeten zijn opvallend groot en als ze, gezeten op de bank, haar lange benen optrekt, lijken ze ontkoppeld. Alsof ze los van haar lichaam staan en niets met haar te maken hebben.

Siri Hustvedt is een week met haar dochter en haar man, de schrijver Paul Auster, in Parijs. In een klein appartement in het hartje van de stad neemt ze rustig de tijd om te praten over haar leven en haar laatste roman, What I Loved. Ze vertelt dat ze vanaf haar twintigste leed aan verschrikkelijke migraine: «Ik ben er zelfs een tijdlang voor in het ziekenhuis behandeld. De laatste jaren gaat het veel beter, maar ik heb mijn hele leven al een zwak zenuwstelsel. Als iemand me een blokje ijs laat zien, begin ik spontaan te rillen.» Een duidelijke grens tussen haar lichaam en haar omgeving heeft ze nooit echt gevoeld. Of, om het anders te formuleren, ze is altijd extreem gevoelig voor invloeden van buitenaf. Waar dat vandaan komt, weet ze niet, maar het heeft er wel toe geleid dat ze al heel lang wordt geobsedeerd door de vraag: hoe komt het dat we zijn wie we zijn?

Als dochter van Noorse immigranten groeide Siri Hustvedt met haar drie zussen op in Northfield, een lutheraans dorpje in Minnesota. Na haar middelbare school werkte ze een tijdje als serveerster in de plaatselijke bar, maar van het saaie dorps leven kreeg ze al snel de kriebels. In de herfst van 1978 vertrok ze met een koffer en vijf dozen vol boeken naar New York. Siri Hustvedt: «Ik had een vreselijk romantisch beeld van die stad. Ik had geen rooie cent en kende niemand. Maar ik vond het meteen geweldig. Dat is nog steeds zo. Ik ben nooit meer weggegaan.» Hustvedt studeerde literatuurwetenschappen aan Colombia University en schreef een proefschrift over taal en identiteit in het werk van Charles Dickens. Ze verdiepte zich in de negentiende-eeuwse roman en ontwikkelde een grote liefde voor schrijvers als Henry James en George Eliot.

Daarnaast worstelde ze zich door een aantal filosofische werken. Ze las, met weinig succes, delen van het werk van Hegel, verdiepte zich in Franse denkers als Kojève en Lacan, maar raakte vooral erg onder de indruk van de boeken van de joodse filosoof en theoloog Martin Buber. Hustvedt: «De manier waarop hij menselijke relaties analyseert, en vooral datgene wat ‹tussen› ons ligt, heeft een sterke invloed op mijn werk gehad. Onze identiteit is erg onvast. We kunnen niet goed onderscheid maken tussen wat is aangeboren en wat ons vormt. We hebben de neiging om onszelf te zien als geïsoleerde, gesloten lichamen, maar dat zijn we niet. We hebben een mond, een neus, allerlei openingen. We zijn gemaakt om ons met elkaar te vermengen. Dat is wat mij fascineert.»

De mysterieuze kanten van de menselijke identiteit vormen een wederkerend thema in alle romans van Siri Hustvedt. The Blindfold, haar debuut, gaat over Iris, een jonge studente in New York die zich uit geldgebrek laat strikken voor allerlei bedenkelijke bijbaantjes. Voor twintig dollar per uur spreekt ze voor een oude man cassettebandjes in. Hij wil dat ze op fluisterende toon de achtergelaten objecten van een overleden vrouw beschrijft. Voor haar hoogleraar literatuurwetenschappen vertaalt ze een naargeestig boek over een kleine jongen met geweld dadige impulsen. Iris raakt zo in de ban van het boek dat ze ’s nachts in een mannenpak door de stad gaat slenteren en vage cafés bezoekt.

Door de permanente honger en haar voortdurend terugkerende hoofdpijn balanceert Iris telkens op het randje van de gekte. Ze laat zich meeslepen door anderen, geeft geen grenzen aan en weet niet waarom ze doet wat ze doet. Ze zoekt naar houvast, maar heeft tegelijkertijd een enorme drang naar het onbekende. Ook Lily Dahl, de hoofdpersoon uit Hustvedts tweede roman, The Enchantment of Lily Dahl, is een jonge vrouw die zich laat verleiden tot erotische avonturen en uitbarstingen van gekte. Haar leven speelt zich af in een café in een klein dorpje in Minnesota. Het is duidelijk dat Hustvedt in beide boeken zichzelf als uitgangspunt heeft genomen. Daarom is de vraag onvermijdelijk of ze eigenlijk over zichzelf schrijft.

Siri Hustvedt: «Voor mijn boeken gebruik ik altijd materiaal uit mijn eigen leven. Lily werkt in hetzelfde café waar ik vroeger heb gewerkt, Iris woont waar ik ooit heb gewoond. Maar de meeste dingen die zij doen, heb ik niet gedaan. Ik ben een stuk saaier.» Ook voor haar laatste roman heeft Hustvedt zich laten inspireren door gebeurtenissen uit haar eigen leven. Met als gevolg dat een journalist van de New York Observer concludeerde dat What I Loved eigenlijk gaat over de verstoorde relatie van Paul Auster met zijn oudste zoon Daniel en zijn ex-vrouw Lydia Davis. In dit boek voert Hustvedt het personage Mark op, de zoon van een beroemde kunstenaar en een contactgestoorde moeder, die een pathologische leugenaar blijkt te zijn. «Dat was een vals stuk», zegt Hustvedt geïrriteerd. «Natuurlijk zijn er parallellen met mijn eigen leven. Maar come on! Dit is literatuur! De personages zijn fictief. De ik-persoon is nota bene een zeventig jaar oude joodse man. Maar dat heeft die journalist maar even vergeten te vermelden in zijn artikel.»

What I Loved is het levensverhaal van de blinde Leo Hertzberg, hoogleraar kunstgeschiedenis aan Colombia University. In het boek blikt Leo terug op zijn vriendschap met buurman Bill Wechsler, een ongrijpbare kunstenaar die intrigerende werken maakt en onder de plak zit bij zijn ex-vrouw Lucille, een contactgestoorde dichteres. Leo beschrijft hoe hij en zijn vrouw in contact komen met Bill en Lucille en later met Bills nieuwe vriendin Violet, een mooie, voluptueuze schrijfster. Hustvedt beschrijft op subtiele wijze hoe de levens van deze excentrieke personages steeds meer met elkaar verbonden raken en hoe Matt, de zoon van Leo en Erica, een intense vriendschap opbouwt met Mark, de zoon van Bill en Lucille. De twee gezinnen raken volledig met elkaar verweven, totdat een dramatische gebeurtenis de idylle verstoort en Mark zich geleidelijk blijkt te ontwikkelen tot een ondoorgrondelijke leugenaar. Met zijn ongrijpbare karakter verstoort hij alle relaties en maakt hij het leven van Bill en Violet langzaam maar zeker kapot.

«Waarom is de ene persoon oppervlakkiger dan de andere?» vraagt Siri Hustvedt. «Sommige mensen lijken vol, maar zijn van binnen leeg. Dat is ook het geval met Mark. Hij weet dat hij acceptabel gedrag moet vertonen en doet alsof. Tot Leo er als eerste achter komt dat niets van wat Mark hem vertelt, klopt. Dat maakt hem bang. Hij realiseert zich dat hij deze jongen eigenlijk niet kent. Dat hij misschien wel een lege huls is.» Mark heeft een persoonlijkheidsstoornis. Hij is niet in staat een eigen identiteit te ontwikkelen. Hij is een extreme narcist, die alleen kan bestaan in de ogen van anderen en geen eigen verhaal heeft waar hij zijn existentiële leegte mee kan vullen.

Siri Hustvedt: «Ik heb daar een theorie over. Het leven eist van ons dat we een verhaal te vertellen hebben. Als je dat niet doet, zwem je. Zoals Mark. Snap je?» Ze kijkt enigszins vertwijfeld. «In een van zijn boeken analyseert Oliver Sacks een vrouw met een tic. Hij ziet hoe ze haar neus moet aanraken, telkens weer, ze kan het niet laten. Sacks ontdekt hoe zij een oplossing voor haar probleem vindt. Telkens als ze haar gezicht moet aanraken, schuift ze haar bril omhoog. Op die manier maakte ze een zinloos gebaar tot een zinvol gebaar. Snap je?» Ze zoekt naar woorden. «Kijk, het is een metafoor. Je kunt volgens mij ook zo naar het leven kijken. Het leven is wreed, want uiteindelijk is er de dood die ons wacht. Dat is vreselijk en tegelijkertijd moeten we een manier vinden om die waarheid te dragen. Daarom moeten we ‹een verhaal› hebben: een manier om betekenis aan het leven te geven. Die bril is een manier. Het helpt.»

What I Loved is een breed opgezette roman, vol filosofische gedachten en theorieën over kunst en psychiatrie. Maar uiteindelijk is het vooral een boek over verlies. Een van de belangrijkste elementen is een dramatische gebeurtenis in het tweede deel. (Omdat de Nederlandse uitgever, tot ongenoegen van Siri Hustvedt, die tragische wending op het achterplat verklapt, komt de gebeurtenis in dit artikel ook ter sprake. De Engelse uitgave verraadt niets. Wie dus liever de roman in het Engels leest, moet hier ophouden met lezen.) Matt krijgt een ongeluk en gaat dood. «Het kind dat je hele wereld is, sterft. En dan?»

Hustvedt weet eigenlijk niet waarom ze over de dood van Matt is gaan schrijven: «Niet om me beter te kunnen wapenen voor het geval het mij zou overkomen. Je kunt je er niet op voorbereiden. Maar de realiteit is dat we degenen die we liefhebben kunnen verliezen. Iedere seconde. Iemand kan gewoon verdwijnen.»

Ze is zich altijd sterk bewust geweest van de eindigheid van het leven: «Ik draag een soort ervaring van verlies in mij mee. Van kinds af aan. En begrijp me niet verkeerd, ik heb een erg liefdevolle jeugd gehad. Maar het lijkt erop alsof ik ben geboren met een kleine wond, alsof ik altijd al verlies heb gekend, zonder dat daar een reden voor is. Ik ervaar dit echt fysiek. Het is pijn ergens in mijn borststreek die op gezette tijden terugkeert.»

Dat besef van verlies deelt ze met haar man, Paul Auster: «Hij begrijpt dit gevoel heel goed. Op zijn manier is hij er ook mee bezig. Paul maakt in zijn boeken een soort zoektocht naar het verlorene. Zijn eerste boek, The Invention of Solitude, gaat over zijn vader, een man die fysiek wel aanwezig was, maar er eigenlijk nooit was. Hij noemt hem ‹de onzichtbare man›.»

Auster en Hustvedt zijn inmiddels 21 jaar getrouwd. Toen ze elkaar ontmoetten, stonden ze allebei nog aan het begin van hun schrijverscarrière. Siri Hustvedt: «Ik viel hevig voor hem. Ik las zijn gedichten en dacht: Jezus, deze man is een genie. In die tijd was Paul The Invention of Solitude aan het schrijven. Dat werd gepubliceerd, maar de tijd erna was niet makkelijk. City of Glass werd door zeventien uitgevers geweigerd. Dat was een heftige tijd. Maar we zijn dat jaar doorgekomen.»

Ze lezen veel dezelfde schrijvers en denkers en delen een fascinatie voor thema’s als identiteit en menselijke gekte. Toch schrijven Hustvedt en Auster totaal verschillende boeken. Hustvedt: «Ik werk op een heel grillige manier. Bijna onbewust. Het kost me enorm veel tijd om te ontdekken waar mijn verhaal over gaat. Ik heb zes jaar aan dit laatste boek gewerkt, honderden pagina’s geschreven en herschreven. Ik weet vaak niet wat ik doe. Ik kan jaren ronddwalen in mijn eigen teksten. Mijn personages voeren ’s nachts hele gesprekken met elkaar. Ik heb wel schrijverstalent, maar niet op dezelfde manier als Paul.» Ze heeft oprechte bewondering voor het werk van haar man: «Hij is een echte ‹verhalenmachine›. Hij schrijft vanuit een soort gut feeling. Zijn gevoel voor structuur en compositie zit heel diep. En naarmate hij ouder wordt, schrijft hij steeds meer en ik steeds minder.»

In al hun jaren samen lezen en bekritiseren ze elkaars werk: «Paul leest iedere paar weken enkele hoofdstukken voor. Ik doe er soms twee jaar over, maar dan geef ik hem een complete eerste versie. We nemen elkaars advies heel serieus en accepteren elkaars kritiek. Uiteindelijk is ons werk belangrijker dan onze ijdelheid.» Ze zijn elkaars intellectuele bondgenoten, en volgens Hustvedt is dat altijd zo geweest: «Toen ik Paul net leerde kennen en hij op het punt stond me te zoenen, vroeg hij: ‹Wie vind je beter, Burroughs of Beckett?› Ik zei: ‹Beckett.› Toen heeft hij me gekust.»

Siri Hustvedt

Wat me lief was

Uitg. De Bezige Bij, € 23,50

What I Loved

Uitg. Sceptre, 370 blz., £ 14.99

The Enchantment of Lily Dahl

Uitg. Henry Holt, 288 blz., $ 13.-

The Blindfold

Uitg. Poseidon Press, 221 blz., $ 36.-