Nietzsche, een staaf dynamiet

‘Ik ben geen mens’

Voor wie een hamer in handen heeft is heel de wereld een spijker. Nietzsche’s Voorbij goed en kwaad werd aangemerkt met de zwarte vlag: Gevaarlijk!

‘Nietzsche’s gevaarlijke boek’ luidde de kop boven de eerste recensie in jaren waarop de auteur zich mocht verheugen. J.V. Widmann haastte zich in het Zwitserse dagblad Der Bund die kwalificatie nader toe te lichten: het betrof hier geen waardeoordeel, schreef hij, het was simpelweg een waarschuwing dat de lezer van Voorbij goed en kwaad explosief materiaal in handen had, zoals het levensgevaarlijke dynamiet tijdens de constructie van de Gotthardtunnel werd aangemerkt met een zwarte vlag.

Nietzsche had op eigen kosten zeshonderd exemplaren van het boek laten drukken, in de hoop dat hij minstens de helft zou kunnen slijten om uit de kosten te komen. Maar deze erkenning was hem meer waard dan de 186 exemplaren die hij na het eerste jaar nog moest verkopen om weer quitte te staan. Hij had er lang, heel lang op moeten wachten. Dynamiet! Wat een vergelijking. De analogie kwam jaren later terug in Ecce homo: ‘Ik ken mijn lot. (…) Ik ben geen mens, ik ben dynamiet.’ Lees dat echter niet als een waanzinnige profetie van een man die zichzelf vertelde voor de toekomst te schrijven omdat zijn tijdgenoten hem grotendeels ongelezen lieten. Lees het als zelfvertrouwen, als trots op de fatale slag die hij zowel de filosofie als het geloof had toegebracht.

Filosofen hebben tot dusverre maar weinig van de wereld begrepen, betoogt Nietzsche in Voorbij goed en kwaad. Hun diep doordachte waarheden zijn niet veel meer dan bouwwerken van taal, ontsproten aan de verleidingen van de grammatica. Niet veel meer dan ‘een roekeloze generalisering van zeer beperkte, persoonlijke, zeer menselijk-al-te-menselijke feiten’. Metafysica was niets meer dan eigentijdse astrologie. De verrukking van de lezer is makkelijk te verklaren. Een man een hamer zien oppakken, er getuige van zijn hoe hij iets oneindig veel groters dan zichzelf te lijf gaat – en beseffen hoe hij tegelijkertijd reddeloos verloren is, en toch ook niet – is een opwindend schouwspel. Voor wie een hamer in handen heeft is heel de wereld een spijker, wil het gezegde. Nietzsche’s toon is uitgelaten, ironisch, spottend, compromisloos, onbeschaamd en oneerbiedig. Zie de moralisten, zie de gelovigen, zie de filosofen met hun doorsnee breinen: allemaal quatsch!

De gedachte dat er een wel of niet kenbare waarheid schuilgaat achter het schijnsel is de oerzonde. Er zijn geen feiten, we zijn veroordeeld tot onze interpretaties, de wereld die we zien en ervaren is de som van onze perspectieven. Maar waarom maken we onszelf wijs dat een gedeelde waarheid ertoe doet? ‘Het is niet meer dan een moreel vooroordeel dat waarheid meer waard is dan schijn; het is zelfs de slechtst bewezen veronderstelling ter wereld.’ Waarom zou de wereld geen fictie zijn en de tegenstelling tussen waar en onwaar een slechts logisch toeschijnend onderdeel daarvan?

Iedere filosoof herschept de wereld naar zijn beeld, het is onvermijdelijk: ‘Filosofie is deze tirannieke aandrift zelf, de geestelijke wil tot macht, tot “schepping van de wereld”, tot causa prima.’ Achter filosofie en wetenschap en religie gaat hetzelfde schuil als achter alle andere wereldse fenomenen: die onuitroeibare wil tot macht.

Zie de moralisten, de gelovigen, de filosofen met hun doorsnee breinen!

Nietzsche zinspeelt op de komst van nieuwe denkers – Voorspel tot een filosofie van de toekomst luidt immers de ondertitel. Waar het hem om te doen is zijn ‘filosofen van het gevaarlijke “misschien”’. Mensen die comfortabel zijn op de wiebelige, losgewrikte fundamenten. Wat ze ook zullen zijn, ze zullen ‘mannen van het experiment’ zijn, schrijft hij.

Het is in Voorbij goed en kwaad dat Nietzsche voor het eerst onderscheid maakt tussen wat hij beschrijft als een ‘slavenmoraal’ en een ‘herenmoraal’. In de slavenmoraal vindt de wil tot macht van onderdrukten een weg naar dominantie en bepalen waarden die de mens in zekere zin onschadelijk maken de toon. In het geval van een herenmoraal zijn het de heersenden die het begrip ‘goed’ bepalen. Hij steekt zijn bewondering voor de mens die zelf ‘waardebepalend’ is, de mens die geen goedkeuring van anderen nodig heeft voor zijn eigen morele overtuigingen die amper van simpel egoïsme te onderscheiden zijn, niet onder stoelen of banken.

Nietzsche schrijft over kneuterige wetenschappers, zich rijk rekenende filosofen en het repressieve geloof, over de volledige westerse cultuurgeschiedenis, naties en nationalisme en de schijn van iedere objectiviteit, over muziek, Europa, vrouwen en joden, over waarheid en leugen en de doorsneemens als kuddedier.

Maar alle vrolijke oneerbiedigheid ten spijt is de toon die tegen het einde de muziek bepaalt verontrustend. Voorbij goed en kwaad is een slijpsteen voor de geest vol heerlijke aforismen, maar op hetzelfde moment klinkt in het boek een hondenfluit die appelleert aan het innerlijke beest. ‘Wie met monsters vecht moet oppassen zelf geen monster te worden. En als je lang in een afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen’, schrijft hij ergens.

Los van de vele passages waarin de misogynie van de bladzijden druipt (passages die, zoals Sue Prideaux in haar recente biografie overtuigend betoogde, niet los te zien zijn van ontwikkelingen in Nietzsche’s privéleven) is het Nietzsche’s antidemocratische, aristocratische radicalisme, zijn geloof in menselijke ongelijkwaardigheid, die moderne ogen het sterkst pijnigt. Hoe vriendelijk en bescheiden en beschaafd hij in zijn privéleven ook was, in zijn latere werk is hij uiteindelijk voor alles geïnteresseerd in de mens die de wereld naar eigen inzicht weet te herscheppen. De paradox is dat hij geen enkel vertrouwen heeft in de mens, maar dat hij o zo hoopvol is over waartoe een enkeling in staat zal zijn.

‘Schrijft men niet juist boeken om te verbergen wat men in zich bergt?’ schrijft hij ergens. Hij niet, denk ik. Nietzsche ontworstelde zich aan alles behalve zichzelf, hij kreeg de hele wereld eronder totdat de wereld hem eronder kreeg, hij steeg boven zichzelf uit en ging aan zichzelf ten onder. Maar was dat verrassend? Een staaf dynamiet is nog nooit goed aan zijn einde gekomen.


Friedrich Nietzsche, Voorbij goed en kwaad, De Arbeiderspers, 225 blz., € 20,99