‘ik ben geen monster’

Aan het begin van zijn laatste voorstelling Hydezat Michael Matthews half aangekleed op het podium. Alleen. Zelfs het publiek, dat hij anders zo snel tot een goede vriend wist te maken, leek hij niet op te merken. Alsof hij nog in de kleedkamer zat en de laatste voorbereidingen trof voor zijn opkomst. Of alsof hij thuis was en zich klaarmaakte voor de dag die allang was begonnen. Met trage, moeizame bewegingen trok hij de resterende kledingstukken aan. Even opstaan om z'n broek over z'n kont te trekken was voor hem een enorme krachtsinspanning waarvan hij hijgend moest uitrusten. Terwijl hij bezig was, ging de telefoon aan de muur. Een schelle indringer in het gekrompen universum dat Matthews in enkele bewegingen had neergezet. Zo overtuigend dat iedereen in het publiek begreep dat deze man de telefoon nooit zou halen. Te ver weg. Te veel kans dat hij te laat zou zijn en z'n kostbare energie zou verspillen. ‘I’m not a monster, I AM JUST… tired’, schreef Matthews in Frank, het eerste deel van zijn zogenaamde ‘monstertrilogie’, waarvan Hyde het laatste deel was.

Vooral in deze trilogie verbond het theater van Michael Matthews zich steeds nauwer met zijn leven - of eigenlijk: met zijn sterven. De toeschouwers konden hem op het podium zien vermageren. Ze konden zien hoe het monster bezig was zijn lichaam op te vreten. Hij toonde het ook, schaamteloos, en vertelde erover. Niet direct, maar via de beelden die hij opriep in zijn grillige, geestige teksten vol citaten uit melancholieke liedjes en flarden uit romantische films. Matthews was op het toneel volstrekt zichzelf, maar hij sprak via de personages die hij te voorschijn toverde in zijn lange, gebeeldhouwde lijf. Het verweesde monster van Frankenstein, dat geschrokken constateerde dat de onderdelen van zijn lichaam, opgebouwd uit elementen van andere lichamen, op verschillende tijdstippen verouderden. De pizzaboy Joe uit Dracula, die een pizza moest afleveren op het vampierenkasteel en daar nooit meer vandaan kwam. Joe die later, in de voorstelling Hyde, een brief schrijft aan zijn baas: ‘Dear Tony, I’ve gotten so thin. I don’t recognize myself anymore. Just a thin black line wandering around a big house. Looking but not seeing. Laughing at the strange clauses of a body in motion. NO, I am not blue. I have no blue notes left. What I am is… to be continued.’
Hoe dicht het theater bij Michael Matthews ook langs zijn leven scheerde, hij maakte het tot poezie. Een rauwe, vitale poezie. Shakespeare werd vermalen met de Beatles ('Words, words, words. All you need is words’). Popsongs en ouwe tv-series riepen herinneringen op aan het paradijs. Bewegingen zeiden net zo veel als woorden. In Cambodia, mon amourbelichaamden zijn acteurs/dansers overtuigend het lijden van het hele Cambodjaanse volk, in gestileerde maar met emotie beladen bewegingen. Magisch was de houterige dans die Matthews’ pizzaboy uitvoerde in Hyde, toen de vrolijke engel verscheen met post uit de hemel. Een dans op een smal streepje podium waar een tranensluier van kunstsneeuw het ontroerende plaatje vervolmaakte. Dansend nam Matthews in Hydeafscheid. Naakt, op zijn onderbroekje na, zette hij zijn magere, vermoeide lichaam in beweging, op de klanken van een ouderwets discohitje. 'You make me feel, mighty real.’ Onbeschrijflijk mooi was dat. Een wonderbaarlijke overwinning van de geest over de materie.
In de laatste woorden van Hydevraagt het monster de toeschouwers nog dichterbij te komen. 'So step right up, step inside us, and watch the body change/ as the mind turns/ over and over again. Till Christmas if you like. Merry Christmas.’
Michael Matthews haalde Kerst 1995 nog maar net. Hij werd 37 jaar.