Ik ben geen pacifist meer

In de jaren zestig sloot ik me, even nadat de avondmaaltijd was begonnen, vrijwillig op in mijn kamertje, omdat mijn vader, lachend wijzend op een commentaar in Het Parool, de bombardementen in Vietnam toejuichde. Ik was pacifist en werd figuurlijk, maar vooral letterlijk misselijk als ik dacht aan die bombardementen en me de foto’s voor de geest haalde waarop getoond werd wat er gebeurde als je de volle laag kreeg van de napalm.

Een paar jaar geleden zei ik het pacifisme vaarwel. Toen ik zag dat er in het voormalige Joegoslavie krijgsgevangenkampen waren opgericht waar de mensen werden uitgehongerd, vond ik dat er militair moest worden ingegrepen. We stuurden blauwhelmen die alles inleverden aan de eerste de beste dievenbende die met een Walther PPK of een Kalasjnikov in het midden van de weg ging staan.
Ik was voor de opheffing van het wapenembargo. En ik had moeite om dat te erkennen. Mijn generatie lijdt aan de angst voor het foute standpunt.
Afgelopen week zag ik een CDA'er praten met het opperhoofd van Artsen Zonder Grenzen. Het ging over militair ingrijpen in Ruanda. CDA'er vond dat er eerst garanties moesten komen over de veiligheid van onze jongens.
Lul, dacht ik. Je ziet de moderne genocide op 63 netten elk halfuur voor je ogen ontrollen; artsen die babylijkjes in vrachtwagens slingeren, omdat er haast is; de dood die een orgie viert met behulp van steekvliegen, slangebeten en zwarte torren die door de mond naar binnenwandelen en door de oogkassen weer naar buiten komen. ‘De veiligheid van onze jongens.’ De goede gedachte op een verkeerd moment.
Er wordt dus nog niet militair ingegrepen, omdat we bange poeperds zijn, terwijl we aan het apparaat dat moest voorkomen dat we schijtlaarzen zouden worden, sinds de Tweede Wereldoorlog miljarden en miljarden hebben uitgegeven.
De best denkbare tactiek van onze huidige defensie is: doodstil blijven zitten en vooral niets doen, terwijl we generaal Couzy maar laten praten dat we de ploppers heel menselijk hebben vermoord.
Jongens hebben we, maar slappe jongens. Praatjesmakers. Het wordt tijd dat een regiment hippies de Dam eens schoonveegt van die slappe soldaten die daar maar bier zitten te drinken. Soldaten moeten oorlog voeren - in Ruanda.
Ondertussen is Haiti het tweede hete onderwerp op het nieuws. Een eiland waar geen democratie heerst en dat we daarom welbewust uithongeren. Daar - terwijl er geen genocide gaande is - kunnen de Amerikanen elk moment ingrijpen. De bevolking, hoe arm ook, hoe getreiterd ook, wil dat niet. Liever de martelende hand van eigen bodem dan weer een nieuw kolonialisme.
En ze hebben gelijk. Als Janmaat hier de boel bestiert, heb ik toch liever Janmaat dan dat de Duitsers onze democratie komen herstellen. Maar ik hoor voor democratie te zijn en dien de inval van Amerika toe te juichen.
Ik kijk in de spiegel en zie steeds vaker het gezicht van mijn vader. Ik kijk naar mijn dochter en zie steeds vaker mijn eigen jeugd verschijnen. Mijn stem voegt zich steeds meer naar die van mijn oude heer - soms vergist mijn moeder zich en spreekt mij aan als haar man, terwijl mijn dochter met de jaren eigenwijzer wordt.
Ik buig mijn hoofd en weet het allemaal niet; straks blijken mijn opvattingen ook al genetisch bepaald. Ik bejubel tijdens het eten de commentaren in mijn krant, terwijl mijn dochter een werkstuk over Greenpeace maakt.