‘ik ben geen robot!’

‘Wat moet je doen om clean te blijven?’ Verslavingstherapeut Paul Rademaker van het Intercultureel Motivatie Centrum (IMC), een voor allochtone verslaafden bedoelde afkickkliniek, kijkt vragend de kring rond. Zestien afkickende Surinamers, Turken en Marokkanen turen zwijgend terug. Rademakers ogen vallen op de onderuit gezakte Rachid, die prompt recht gaat zitten. ‘Bidden’, zegt Rachid. ‘Islam is mijn grote kracht. Maar smaak van drugs blijft in hoofd tot einde van leven. Moet dus sterk zijn. Doorgaan met drugs is hetzelfde als dood.’

De zestien op het kringgesprek verzamelde mannen heten in het jargon ‘extreem problematische drugsverslaafden.’ De overlast die ze sinds het midden van de jaren tachtig in de Amsterdamse binnenstad veroorzaakten, was voor de gemeente reden om in 1989 geld uit te trekken voor het IMC. Het is een zogenaamd 'drang’-project: de verslaafden hebben de keuze gekregen tussen afkicken of celstraf. Het unieke aan het IMC is dat het zich uitsluitend richt op allochtone verslaafden, een groep die vroeger vrijwel onbehandelbaar werd geacht.
'Als je aan een allochtoon vroeg of hij wilde afkicken, zei hij altijd nee’, vertelt Rademaker. 'Dat vond ik zo vreemd dat ik in de Bijlmerbajes, waar ik toen werkte, een onderzoekje ben gaan doen. Wat bleek nou: vaak wilden ze best afkicken, maar ze wilden niet in therapie. Allochtonen kunnen niet tegen de agressieve praatcultuur die daar heerst, gewoon omdat ze verbaal vaak niet zo sterk zijn. Dat gedurende negen maanden tot de grond toe afbreken van verslaafden werkt misschien voor blanken, maar niet voor allochtonen. Die willen hun karakter helemaal niet veranderen, maar gewoon clean worden.’
Besloten werd om allochtonen een drie maanden durend programma te bieden waarin respect in plaats van verbale agressie voorop zou staan. Marathonpraatsessies worden er in het IMC dan ook niet gehouden. Er wordt veel gesport, naar muziek geluisterd en gebabbeld met de eveneens allochtone begeleiders. De aanpak blijkt een groot succes. Een kwart van de verslaafden die het programma afmaken, blijkt na een jaar nog steeds clean te zijn, wat neerkomt op een even hoog percentage als de op autochtonen gerichte programma’s. Om dit resultaat nog te vebeteren probeert Rademaker zijn verslaafden te bewegen om te kiezen voor een vervolgprogramma in een algemene kliniek.
Rachid, die beseft dat hij na drie maanden wel lichamelijk maar nog lang niet geestelijk is afgekickt, voelt daar wel voor. 'Maar wat doe je als je kwaad wordt?’ vraagt Rademaker, erop wijzend dat Rachid de neiging heeft om snel driftig te worden. 'Dan ik praten. Maar wat als jij niet luistert? Hoe dan? Ik ben geen robot, ik ben mens!’
Rademaker: 'Kijk Rachid, ze gaan je daar helemaal kapot maken. Ze vertellen op woensdag dat je vrijdag verlof krijgt en op donderdag mag het opeens niet meer. Omgaan met teleurstellingen noemen ze dat. En alle blanke junks gaan je zitten zieken. “Rachid is niet gemotiveerd”, zeggen ze dan, want Rachid praat niet goed genoeg. Om zelf buiten schot te blijven, hitsen ze het personeel tegen je op. Voor je het weet sla je weer een deur uit zijn voegen. Het enige dat erop zit, is om die Nederlandse praters diep in je hart uit te lachen, ook tijdens teleurstellingen. Pas als je dat kan, ben je vrij.’