De vredesmissie van Avraham Burg

‘Ik ben geen zionist meer’

De Israëlische schrijver en ex-politicus Avraham Burg profileert zich tot veler ontgoocheling als fel criticus van het hedendaagse Israël. ‘De shoah wordt op kwalijke wijze geëxploiteerd.’

AVRAHAM BURG (1955) werd geboren in het politieke en culturele establishment van de jonge staat Israël. Hij groeide op in de wijk Rechavia in Jeruzalem, waar hij de beroemde godsdienstfilosoof Martin Buber regelmatig langs zag schuifelen, de militair en politicus Mosje Dajan zijn overbuurman was en de schrijver en Nobelprijswinnaar S.J. Agnon bij zijn ouders over de vloer kwam. Hij is de zoon van Josef Burg, een Duitse filosoof en rabbijn die in 1939 naar Palestina emigreerde, na de stichting van de staat Israël een van de leiders van de Nationale Religieuze Partij werd en van 1951 tot 1986 minister was in alle opeenvolgende kabinetten.
Na als luitenant bij de parachutisten in het Israëlische leger te hebben gediend en een niet afgeronde studie sociale wetenschappen werd de jonge Burg actief in de Vrede Nu-beweging. In 1985 werd hij adviseur voor diaspora-zaken van premier Shimon Peres en in 1988 werd hij in de Knesset gekozen voor de Arbeiderspartij. Gedurende de jaren negentig was Burg enige tijd voorzitter van het Joods Agentschap en de Zionistische Wereldorganisatie. Na zijn terugkeer in de Knesset in 1999 was hij enkele jaren voorzitter van het Israëlische parlement en in 2001 verloor hij de strijd om het leiderschap van de Arbeiderspartij.
Burg maakte dus lange tijd deel uit van de politieke elite van Israël. Daarom baarde het groot opzien toen hij in 2003 in The Guardian een artikel plaatste met als titel The End of Zionism, waarin hij stelde dat de bezetting van de Palestijnse gebieden in strijd was met het karakter en wezen van Israël. Nadat hij zich het jaar erop had teruggetrokken uit de politiek heeft hij zich ontpopt als een van de felste critici van het hedendaagse zionisme, is hij weer actief in de vredesbeweging en komt hij op voor de rechten van de Palestijnen.
In 2007 publiceerde hij in het Hebreeuws het boek Hitler verslaan, dat een jaar later in Amerika verscheen als The Holocaust Is Over: We Must Rise from Its Ashes. In dit boek, dat onlangs in Nederlandse vertaling uitkwam, stelt Burg dat Israël zich blijft wentelen in de trauma’s die zijn veroorzaakt door de shoah en zich opsluit in een mentaal getto, dat nog altijd zucht onder de heerschappij van Adolf Hitler. De volledige identificatie met de shoah maakt Israëliërs ongevoelig voor het lijden van anderen en leidt volgens Burg zelfs tot een vorm van racisme, waarmee verraad wordt gepleegd aan de humanistische en universalistische tradities binnen het jodendom.

UW BOEK HEEFT IN ISRAËL, maar zeker ook onder joden in Amerika en Europa, nogal wat kritiek uitgelokt. Een van de verwijten is dat u pas na uw vertrek uit de politiek zo kritisch bent geworden.
Avraham Burg: ‘Daar zit natuurlijk wel wat in, maar in de Israëlische politiek, en ik denk dat dit ook voor de Nederlandse geldt, moet je altijd compromissen sluiten. Je bent voortdurend bezig met praktische oplossingen voor concrete problemen. Voor een uitgewerkte ideologie, voor intellectuele reflectie is geen tijd en geen ruimte. Ik had steeds meer het gevoel dat ik in een intellectuele gevangenis zat, dat ik niet bij mijn werkelijke gevoelens kon komen.’
Dat gevoel moet min of meer geleidelijk zijn ontstaan, wat ook geldt voor uw kritiek op het zionisme.
'Dat klopt. Toen ik begin jaren tachtig politiek actief werd, was er een levendig politiek en intellectueel debat, waarin fundamentele zaken werden bediscussieerd. Het politieke debat in Israël is nog altijd heel levendig, heel hectisch zelfs, maar het gaat louter nog om efficiency. Voor idealen, voor profetieën is geen ruimte. Ik geloof in utopieën. Zonder hogere doelen dan de alledaagse werkelijkheid en het consolideren van de macht zijn wij joden geen joden. Dat hoort nu eenmaal bij het judaïsme.
Het zionisme zoals zich dat nu manifesteert heeft niets te maken met het zionisme van de oprichters van de staat Israël. Toen ging het om het ideaal van een rechtvaardige maatschappij en wilden de zionisten een rolmodel voor de rest van de mensheid zijn. Nu is het een beweging van kolonisten en religieuze fundamentalisten, die in de Palestijnen de nieuwe nazi’s zien die uit zijn op onze uitroeiing. Daar geloof ik niet in. Ik noem mezelf geen zionist meer, omdat ik in de eerste plaats mens ben, in de tweede plaats jood en in de derde plaats Israëlisch staatsburger. Ik heb geen behoefte aan een vierde naam.’
In uw boek beschrijft u hoe vanaf de jaren zestig de shoah de stichtingsmythe van Israël werd. Waarom gebeurde dat toen?
'Psychologisch gezien is het logisch dat er eerst een periode van stilzwijgen, van verdringen is. Ook bij individuele mensen zie je dat de trauma’s pas later naar boven komen. Zo werkt het ook bij collectieven. Wat er in de jaren zestig gebeurde, was dat Israël afstand nam van het Westen. In het Westen betekenden de sixties het afscheid van de oude maatschappij en de komst van een nieuwe, open, postmoderne samenleving waarin burgerrechten, vrouwenemancipatie en de gelijkwaardige positie van immigranten een belangrijke rol speelden. In Israël, dat tot dan toe een westers land was geweest, gebeurde iets heel anders. Onze jaren zestig begonnen met het proces tegen Adolf Eichmann, waarmee we teruggingen naar de jaren van de shoah. De impact van dat proces kan moeilijk overschat worden. Van de Israëlische bevolking ouder dan veertien jaar luisterde zestig procent dagelijks naar de radio-uitzendingen over het proces. In vrijwel elk gezin werd de pijn opnieuw gevoeld, beleefde men weer die vreselijke jaren van de jodenvervolging. En een paar jaar later, met de Zesdaagse Oorlog van 1967, gingen we nog verder terug in de tijd, naar het bijbelse Israël van drieduizend jaar geleden. Dus terwijl het Westen in de jaren zestig vooruit ging, ging Israël achteruit. Sindsdien lopen onze horloges niet meer gelijk.’

MAAR DIE HERINNERING aan de shoah is toch niet per definitie negatief?
'Natuurlijk niet. De shoah zal altijd een onderdeel van onze herinnering zijn. Maar met “ons” bedoel ik niet alleen de joden, maar ook de niet-joden, alle inwoners van Europa en Amerika. Dit soort traumatische herinneringen kan lang een belangrijke rol blijven spelen. Kijk maar naar de verkiezing van Obama, toen er volop werd verwezen naar het slavernijverleden. Maar in Israël is de shoah nog geen verheven herinnering. Het is een obsessie en een excuus geworden, het wordt op kortzichtige en kwalijke wijze geëxploiteerd. Als de Palestijnen wijzen op het leed dat hun is aangedaan, is de reactie onmiddellijk: “Hoezo leed? Moet je naar ons kijken! Dat is pas leed! Jullie hebben helemaal geen recht van spreken!”
Neem de kwestie-Iran en het optreden van Ahmadinejad. Netanjahoe stelt dat Israël rechtstreeks gevaar loopt. “Het is weer 1938!” roept hij. Dan zeg ik: “O ja? Verkeren wij in dezelfde situatie als in 1938? Hadden wij in 1938 soms een eigen staat, een eigen leger, eigen atoomwapens?” Het is gevaarlijke demagogie, en onzindelijk ook. Als je Ahmadinejad met Hitler vergelijkt, vergelijk je een clown met de duivel.
We moeten ons niet opsluiten in het getto van het verleden en doen alsof we nog steeds door de hele wereld vervolgd worden, alsof het Westen ons niet erkend heeft en de christelijke kerken nog steeds antisemitisch zijn. Dat is gewoon niet zo. Bovendien moeten we ook kijken naar wat we zelf hebben aangericht. Hoewel de Arabische landen de Palestijnse vluchtelingen in de kou hebben laten staan, zijn ook wij verantwoordelijk voor het probleem. Wij moeten hier een oplossing voor vinden. Hoe precies, dat weet ik ook niet, maar we moeten er wel aan gaan werken.’

U VERGELIJKT het hedendaagse Israël met het Duitsland van vóór 1933. Dat is u nogal kwalijk genomen. U lijkt immers te suggereren dat het hierna heel erg kan worden.
'Zelfs als vergelijkingen voor 99 procent kloppen, zal de kritiek zich concentreren op die ene procent die niet klopt. Waar het mij om ging is dat er in het Duitsland van de Weimar-republiek een strijd woedde tussen twee mentale werelden. Na de vernederende vrede van Versailles was Duitsland een getraumatiseerd land. Internationaal was het geïsoleerd en intern was het verdeeld. Enerzijds had je het nationalistische, traditionalistische, autoritaire en militaristische Duitsland dat heel rancuneus was en op wraak zon. Tegelijkertijd waaide er in datzelfde Duitsland ook een nieuwe wind, kwamen er nieuwe ideeën op in de kunst, de filosofie, de architectuur. Berlijn was een bruisende, open stad waarin nieuwe, democratische en individualistische ideeën leefden. Er was een voortdurende strijd gaande tussen de nieuwe geest en de oude. Tussen hoop en trauma. Helaas won in 1933 het trauma.
En kijk nu eens naar het huidige Israël. Het land is getraumatiseerd. Al die oorlogen, die zes miljoen slachtoffers van de shoah, die geschiedenis van vervolging en onderdrukking. Maar ondanks al deze trauma’s zijn er zoveel innovatieve, levendige, bruisende ontwikkelingen op het terrein van de kunst, de ideeën, de technologie, de economie, noem maar op. Er is dezelfde competitie als in de republiek van Weimar: de strijd tussen trauma en hoop. En ik zeg: laten we ervoor zorgen dat ditmaal de hoop wint. Daar gaat die vergelijking over. Dat is de kern, de details doen er niet zo toe.’
Hoe optimistisch bent u dat de hoop zal winnen?
'Heel optimistisch. Toen ik aan dit boek begon was ik dat nog niet. De eerste 45 procent van het boek zijn in wanhoop geschreven, maar gaandeweg veranderde het. Mensen in en buiten Israël komen naar mij toe en zeggen: “Avrum, zonder de staat Israël, zonder het leger, zonder de tanks en bommen zullen de joden niet overleven.” Ik zeg dan: “Hoor eens, ik woon daar, ik betaal belasting, ik heb in het leger gediend, mijn zes kinderen hebben in het leger gediend of doen dat nog. Ik begrijp jullie wel, maar geloof niet dat dit een goed argument is. Vroeger hadden de joden nog geen steen om naar een belager te gooien, maar toch gaven we nooit de hoop op, toch waren we nooit bang dat het joodse volk zou uitsterven.”
Oog in oog met de toekomst ben ik erg joods. Ik geloof in de toekomst. Natuurlijk zullen we problemen hebben, maar dat Israëlische pessimisme accepteer ik niet. Ik begon dit boek als Israëliër, maar ik voltooide het als jood. Ik begon als plaatselijke patriot en eindigde als internationale universalist. Het universalisme behoort tot het DNA van het jodendom.
Ik geloof niet in de joodse orthodoxie, in geen enkele orthodoxie. Ik ben een pluralist. Het gaat in de eerste plaats om het waardenstelsel en dan pas om religie of genetische kenmerken. En het joodse waardenstelsel, dat grote invloed heeft gehad op het christendom, gaat over menselijkheid, universalisme, mededogen met de zwakkere en hulpbehoevende. Of iemand volgens de geldende regels een jood is zegt mij niets. De dalai lama vindt dezelfde waarden belangrijk als ik en is dus mijn geliefde vriend, terwijl mijn fundamentalistische, nationalistische neef mijn vijand is, ook al is hij “technisch” gezien een jood.
En er is goede reden om optimistisch te zijn. Toen we meer dan dertig jaar geleden met de vredesbeweging begonnen, geloofden we niet dat ooit de dag zou komen dat onder Sharon begonnen zou worden met het ontmantelen van de nederzettingen in Gaza. Wie had ooit gedacht dat Olmert, de nationalistische burgemeester van Jeruzalem, zou voorstellen terug te gaan naar de grenzen van vóór 1967? Als je nog maar twee jaar geleden tegen mij gezegd zou hebben dat Bibi Netanjahoe, Mister Massada himself, serieus zou nadenken over een tweestatenoplossing, zou ik gezegd hebben: onmogelijk!
Dertig jaar geleden waren we een minderheid, maar nu maakt in ieder geval onze logica deel uit van de meerderheidsstrategie.’

VORIGE WEEK DEMONSTREERDE u tegen de huisuitzettingen in Sheikh Jarrah, een wijk in Jeruzalem waar Palestijnen worden verdreven omdat ze in huizen wonen die vóór 1948 van joden zouden zijn geweest. Hoe sterk is de beweging die hiertegen protesteert?
'Heel zwak. De vredesbeweging, de gehele linkse beweging, is grotendeels weggevaagd en moet weer vanaf de grond worden opgebouwd. De demonstraties van nu zijn hopelijk het bewijs van een wedergeboorte van die beweging. Ik ga naar al die demonstraties, mijn kinderen ook. Helaas zijn we nog niet sterk genoeg, maar ik geloof beslist dat er iets verandert in Israël.
Toen mijn boek in 2007 in Israël verscheen, werd er buitengewoon fel op gereageerd. Iedereen leek over mij heen te vallen, er waren waanzinnig veel vijandige reacties, ook de nodige bedreigingen. Mensen vonden het blijkbaar gemakkelijker om de boodschapper dood te schieten dan naar de boodschap te luisteren. Maar na een tijd begon het te veranderen. Een half jaar geleden publiceerde ik in het Hebreeuws een nieuw boek, over de vijf boeken van Mozes en wat die ons heden ten dage te zeggen hebben. Het stond twintig weken nummer 1 op de bestsellerlijst. Ik gebruik nu een ander platform voor mijn argumenten, namelijk de bijbel, en blijkbaar zijn ditmaal tienduizenden Israëliërs bereid naar mij en mijn geestverwanten te luisteren. Dat stemt mij hoopvol.’

Avraham Burg, De holocaust is voorbij: Afrekenen met Hitlers erfenis. Uit het Engels vertaald door Rob Hartmans. Ambo, 306 blz., € 22,95

Avraham Burg, De holocaust is voorbij. Afrekenen met Hitlers erfenis. Vertaald door Rob Hartmans. € 22,95
Avraham Burg, The Holocaust is Over. We Must Rise from Its Ashes. Vertaald door Rob Hartmans. € 26,90