Ik ben het eten

Sinds vorige week is Jezus in een voederbak gelegd. En Noach bouwde een boot. Geef ons vandaag het eten dat we nodig hebben. Want u bent de koning, u regeert met grote macht, altijd. Amen.

Zo gaat dat in De bijbel in gewone taal.

Gewone taal is taal die van alle franje is ontdaan en waar elke metafoor is vervangen door een fletse abstractie. Brood is eten. In Psalm 42 heette God ‘mijn rots’. In gewone taal is dat: ‘God die mij beschermt’. Zelfs het land van melk en honing is afgeschaft. Het is nu een plek waar iedereen ‘genoeg te eten en te drinken heeft’. Een soort Van der Valk-restaurant. Gewoon. Geef ons heden onze dagelijkse appelmoes-met-kers.

Is dat erg? Zo’n bijbelvertaling voor zwakbegaafden kan toch best – gewóón – een onschuldige charitatieve geste zijn?

Nee, dat is het niet. Die gewone-taal-bijbel is overhandigd aan onze koning, terwijl regeringsvertegenwoordigers, Kamerleden en andere bestuurders er opgewonden bij stonden te klappen. Want als er iets is wat zij allemaal willen is het ‘gewone taal’ spreken. Allemaal hebben ze duur betaalde communicatiestrategen in dienst die 38 uur per week niets anders doen dan informatie omzetten in gewone taal. Als een sluipende orwelliaanse operatie lijken overal de stoomwalsen uit te rukken om elk zinnetje dat wat meer reliëf dreigt te krijgen plat te persen. Het NOS Journaal, de troonrede, overheidsfolders, en natuurlijk de politiek met het ideaal van de jip-en-janneketaal: het moet allemaal gewoner. Gewoner op de manier waarop symfonieën van Beethoven en nummers van de Beatles in liften en supermarkten gewoner zijn gemaakt.

Laten we er volstrekt helder over zijn: nog nooit is er ook maar iets zinnigs gezegd in gewone taal. Alles wat ertoe doet is in ongewone taal geschreven, gezongen, gedicht en gespeeld.

Alles wat ertoe doet is in ongewone taal geschreven, gezongen, gedicht en gespeeld

Gewone taal berooft de taal van haar kleuring en variatie van registers. Als het plechtige, bijbelse register langzaam uit ons taalvermogen wegsijpelt, kan niemand meer genieten van Gerard Reve, verdwijnt het hele spel met het verheven en het platvoerse register. De bijbel wordt zo een oninteressant gedrocht, want het enige wat er nog relevant aan was, was nu juist die bloemrijke taal, waren die schakeringen, die malle versteende uitdrukkingen, die metaforen en gelijkenissen (in de nieuwe vertaling ‘voorbeelden’ geheten, wat ook feitelijk iets totaal anders is). Een ark is geen boot en een kribbe geen voederbak. Ze zien er op een plaatje of schilderij misschien hetzelfde uit, maar de taal markeert ze, schildert er een ongewoon aureooltje omheen. Brood is in bijbelse sferen heel wat meer dan ‘eten’. Zegt Johannes in die bijbel voor ongeschoolden dan ook: ‘Ik ben het eten van het leven’? Gewoon. Vijf etentjes en twee vissen?

‘Brood’ is een metafoor en heeft dus verscheidene betekenissen, die het elk afzonderlijk allemaal net niet zijn. In verschillende bijbelpassages valt er net weer een ander licht op dat ‘brood’ waardoor het telkens net weer anders smaakt. En toch is het allemaal ‘brood’. Het is te idioot voor woorden dat je dat nog moet uitleggen, maar het is een droevig feit: grote delen van onze bevolking hebben grote moeite met het begrijpen van metaforen. Afschaffen dan maar, is de reflex. Afschaffen en afpellen, totdat van de taal alleen nog een toonloos verslag overblijft, ideaal om in te programmeren bij Annechien Steenhuizen of een van haar klonen.

Geen honing. Geen kribbe. Geen brood. Geen klote. Geen donder. Geen reet. Geen kleed meer van kemelhaar. Geen stem die nog zachtjes prevelt: ‘Wederom: een Nachtlied. En meer dan ooit een lied van overgave, want nimmer was mijn heimwee naar U zo fel, en zo mateloos.’

We hebben in Nederland al niet zo’n traditie van archaïsche taal. Waar in Engeland de Shakespeare-uitvoeringen in het origineel nog prima te begrijpen zijn voor een niet al te debiel publiek zijn wij al lang opgehouden met Vondel of Hooft. Laatst sjokte ik achter mijn zoon aan door het Muiderslot. Er was één kamertje gewijd aan P.C. Hooft, ter grootte van de ruimte die in Stratford-upon-Avon de openbare urinoirs innemen.

Zorgwekkender is dat van Hooft in onze taal elk spoor is verdwenen. Als ik bij het verlaten van het terrein het ‘tot ziens’ van het kassameisje opgewekt beantwoord met ‘tot in de pruimentijd’, staart ze me fronsend aan, het kind, en mag ik blij zijn dat ze geen aangifte doet wegens seksuele intimidatie.

Er zit zo weinig speelsheid, rek en lenigheid in de dagelijkse omgangs- en krantentaal. Het is aan de literatoren om de taal al haar dimensies terug te geven. Die schrijvers zijn er ook wel, maar in ons regime van klare taal veranderen ze in roependen in de woestijn. Of zijn dat inmiddels schreeuwerds in de zandbak?