Interview Herman van Veen

«Ik ben het origineel»

Dertig jaar op de planken en nog steeds doet Herman van Veen wat hij wil, of hij nu huisvrouwen of jongeren in zijn publiek heeft. «Iedereen mag er zelf beelden bij verzinnen.»

«Ik heb Liefde van later onlangs op de begrafenis van de schilder Jopie Huisman gezongen. Voor het eerst sinds lange tijd, omdat ik wist dat hij het zo mooi vond. Ik zing het alleen nog maar op verzoek. Af is af. Maar het blijft een fantastisch lied. Het bevat een hypothese: ‹Áls liefde zoveel jaar kan duren, dán moet het echt wel liefde zijn.› Mijn ouders zijn onlangs overleden. Die hebben het geschafft: zestig jaar samen. Ik dacht, dat haal ik nooit. Het is inderdaad niet mijn eigen werkelijkheid geworden in de zin die Brel bedoelde: minnaars die samen oud worden. Ik ben niet meer de minnaar van de moeders van mijn kinderen.»

Herman van Veen (1945) is terug in Carré, het theater dat hij dertig jaar geleden veroverde. Toen kreeg hij het publiek aan zijn voeten met Liefde van later, naar Les vieux amants van Jacques Brel. Nu zingt hij Brels Mijn vlakke land. Er lijkt weinig veranderd: een man, een gebaar, een viool, een bandje. Van Veen: «Toen ik 23 was, was ik al kaal. Oké, op die plukjes doorschijnend, vlassig haar na.»

Zeg in een grootstedelijk bruin café dat je Herman van Veen gaat interviewen, en onmiddellijk schalt het «Als liefde zoveel jaar kan dúúúúúúren» over de bar. Daar zit niet zijn huidige publiek. De volle zalen van nu verwachten dezelfde authenticiteit van hem als die van drie decennia geleden. Van Veen, inmiddels megaprofessional, moet het knap lastig hebben. Want hij heeft, zegt hij, het advies ter harte genomen dat Ischa Meijer hem gaf: «Zing toch gewoon wat je voelt.»

Is dat wel vol te houden?

Van Veen: «Alles wat ik dertig jaar geleden zong, was eigenlijk nogal hypothetisch. Ik zong over wat zich in mijn leven zou kunnen gaan afspelen. Nu zie ik veel meer de beelden die ik zing. Die sturen me van woord naar woord. Als ik over een grindpad zing, zie ik het voor me. Een goed lied neemt je mee, elke keer weer. Het vlakke land van Brel, dat zingt zichzelf.»

Wanneer Van Veen tijdens het gesprek een stukje tekst uit de voorstelling wil opzeggen, moet hij naar de woorden zoeken. Buiten de bühne ontbreken de beelden blijkbaar. Die dertig jaren zijn ook neergedaald in het repertoire.

Van Veen: «Mijn teksten zijn directer geworden. Er zijn in de voorstelling superbe literaire momenten, maar ik gebruik, als contrapunt, ook de taal van de kettingzaag: agressief, banaal. Het zijn verslagjes van het leven: boem, knal. Nu ik een kilometer levenservaring heb, kan ik zonder omweg zingen. Bloot, zoals Ischa Meijer dat zei. De voorstelling zelf is ook weer kaler. Als je jong bent, zoek je nog naar stijl, naar vorm. Ik heb een klassieke conservatoriumopleiding, daar werd je gebombardeerd met vormen. Je helden van toen waren ook erg vormvast. Bob Dylan speelde strakke schema’s, ouderwetse blues. Brel was veel verder, die heeft zich nooit iets aangetrokken van regeltjes. Die zong altijd al ballades met Piazzola-achtige dissonanten. In de afgelopen decennia heb ik allerlei uitstapjes gemaakt. Veel lawaai, met een grote bezetting het podium op. Dat paste natuurlijk bij die tijd. Nu ben ik weer terug bij de akoestische uitgangspunten van toen. Het echte handwerk: vioolspelen en zingen.»

Op deze avond in Utrecht, waar hij warmloopt voor Carré, waren de toegiften niet aan te slepen. Van Veen zong ook een heel oud liedje: Alles. En niet op verzoek. «Soms doet zich iets voor wat het verleden oproept. Toen we onlangs in Maastricht optraden, zag ik me weer zitten op het bed van mijn oude lief. Haar minnaar lag in de slaapkamer en ik dacht: hoe krijg ik die knakker weg? Door de platen van Crosby, Stills & Nash heen componeerde ik op de gitaar Alles voor haar. De woorden zijn niet van mij, maar van Rob Chrispijn. ‹Hier heb ik iets voor als de ochtend begint… Ik wil alles voor je doen, ik wil alles voor je zijn…› Ik dacht: dat moet ik nog eens zingen. Maar er zit wel wat veel ‹jou› in. Het is mooier om dat boeket pas aan het slot te geven: ‹Alles wat ik heb is voor jou.› Toen heb ik tegen die mokkeltjes gezegd: we gaan dat eens oefenen.» Van Veen speelt het nummer met de twee jonge, vrouwelijke muzikanten van de band.

De woorden «jou» en «jij» zijn het handelsmerk van Herman van Veen. Als geen ander roept hij er een bepaalde intimiteit mee op, die door de fans voor echt en door de sceptici voor vals wordt gehouden. In het nieuwe programmaboekje schrijft hij: «Dit jaar word ik 55. Ben een paar duizend voorstellingen verder. (…) Bij elk vergezicht kijk ik ook om. Wil vaker vaker vaker. (…) En als jij het wil, ook vaker nog bij jou zijn. Dan hou ik je vast. En zing.»

Is «jou» een publiek gemaakte liefdesverklaring of de suggestie van liefde voor ieder in het publiek?

«Dat eerste natuurlijk. Ik ben geen vorm! Het publiek mag weten hoe ik in het leven sta. Bijvoorbeeld dat mijn ouders, van wie ik heel veel hield, net zijn overleden. Het clubje ‹jou›, dat zijn mijn dierbaarsten: mijn kinderen, mijn vrouw en een paar goede vrienden en vriendinnen, onder wie de tekstschrijvers Willem Wilmink en Hans Dorrestijn. Met hen vormde ik op mijn zeventiende al een clubje ongeregeld.

Kijk, ik ben de man die vertelt dat je, als je dit liedje of verhaal wilt begrijpen, wel moet weten dat ik één been heb. Want anders snap je mijn hinkstapsprong niet. De liedjes die ik zing, zijn geen vingerafdruk van mijn eigen leven, maar ze zijn nooit fictie. Nooit. Anders klinken ze niet. Ik zing Rivierenbuurt, een tekst van Ischa Meijer. Ik heb nooit in de Amsterdamse Rivierenbuurt gewoond. ‹Het huis is van een ander en je komt er niet meer in.› Het was zijn realiteit na de oorlog. Het is mijn realiteit nu, uitgedrukt in de blote, onverbloemde taal van Ischa, die spannende, ontluisterende kerel van wie ik veel heb gehouden. Toen mijn moeder verleden jaar ziek werd, heb ik er muziek op gemaakt. Je probeert het lot te sturen door erover te zingen.»

Kunst als bezwering van het noodlot.

«Zo leef ik. Ik kan iets zingen waardóór ik niet ongelukkig word. Ik heb bijvoorbeeld een paar films gemaakt. Dat deed ik niet om te bewijzen dat ik een filmer ben. Het is de filmpers die zulke maatstaven aanlegt en me dan afbrandt, zoals bij Nachtvlinder verleden jaar. Ik probeer een situatie op orde te krijgen en kies daar een medium bij. Misschien verwerkt een architect zijn emoties in een gebouw. Twintig jaar geleden heb ik de film Uit elkaar gemaakt, met Monique van de Ven, omdat ik nachtmerries had over de consequenties die mijn scheiding voor mijn zoon kon hebben. Die film was niet goed, maar al het geploeter en geredder eraan gaf mij wel de kracht om het ongeluk uit mijn dromen, dat jongetje dat onder een auto loopt, te bezweren. En wat het publiek ermee moet, dat weet ik niet.»

De vraag blijft hoe Van Veen zijn dagelijks humeur bezweert. Je kunt toch niet avond aan avond op de bühne vooruit met je privé-stemmingen en besognes? Er komen toch zaken als routine en misschien soms tegenzin om de hoek kijken?

Van Veen: «Charles Chaplin deed ooit mee aan een look alike-wedstrijd voor zichzelf. Hij werd zevende. We leven in een karaoke-maatschappij. Mensen herkennen enkel nog de clichés. Jacques Brel zei: ‹Als ik me erop betrap dat ik Brel sta te doen, dan stop ik met zingen.› En zo sta ik ook op het toneel. Ik ben het origineel. Ik speel de personages in mijn voorstelling niet, ik bén ze. Mijn vriendin Shirley MacLaine zei laatst over Herman van Veen in een interview: ‹Het is een uitstervend ras.› In deze voorstelling komt een man voor die zijn familie voorliegt dat hij de toto wint. Dan ben ik die man.»

De toto-scène culmineert in een familiestrijd om het vermeende geld, waarbij Van Veen alle personages voor zijn rekening neemt. Het gebruikte maandverband vliegt door de kamer — in woorden.

«Als ik boos word op de bühne, ben ik echt boos, snap je. Dan moet je voor me uitkijken. Zo'n hartgrondig ‹godverdomme›, dat is echt. Dat krijg je er niet door op de tv. Het is ons in al die jaren niet gelukt om een integrale uitzending van een voorstelling op de televisie te krijgen.»

Kom nou. Alles kan op tv, als het maar publiek trekt.

«Nee, er is geen omroep voor mij. Ook niet in Duitsland, nergens. En als er een omroep opbelt omdat ze dit lezen, is dat uit onechte beweegredenen: kijk eens, wij durven het wel aan. Wat ik doe, is geen concert, cabaret of toneel. Ze weten het niet in de uitzendschema’s te plaatsen.»

Freek de Jonge wordt toch ook integraal uitgezonden?

«Zijn show is volstrekt helder en eenduidig. De spanning van mijn voorstelling is ongrijpbaar. Als je erin snijdt, blijft er niks over.»

Herman van Veen en de audiovisuele media, daar is het een en ander misgegaan. Hij vindt in Nederland slechts één procent terug van wat hij doet, klaagt hij: «In de media wordt gekozen voor makkelijk communicabele statements. Flarden die worden opgeblazen. We hebben ooit een kinderserie gemaakt waar een liedje in voorkwam dat Opzij heette. Dat is een onvoorstelbare hit geworden. ‹Opzij, opzij, opzij…› (Van Veen zingt het wat balorig voor), dat is eerder lastig dan een cadeautje. Dan zeg ik tegen zo'n radiojongen: ‹Draai liever mijn liedje over hoe het er in ons land uit zou zien als Hitler de oorlog had gewonnen.› Dat vindt zo iemand ontzettend irritant. ‹Meneer Van Veen, mag het niet Opzij zijn? We hadden op iets vrolijks gerekend.› Nou, laat mij dan maar thuis. Bye! Bye!»

De Utrechtse Stadsschouwburgzaal zit stamp vol met laaiend enthousiaste mensen. Veel veertigers en vijftigers, veel vrouwen. Maar ook een aardige hoeveelheid jongere en oudere mensen. Publiek dat zichtbaar een avondje uit is en daarvoor wellicht vele kilometers heeft gereden.

Er wordt wel geschamperd dat Herman van Veen troost biedt aan onbevredigde huisvrouwen.

«Is er een enquête gehouden? Shirley MacLaine zou roepen: ‹Wie zegt dat, waar stond dat?› Moet ik daarop ingaan? Ik ben altijd mijn eigen gang gegaan. Je kunt nou eenmaal niet iedereen bevallen. Ik vind dat een ongelooflijk onaardige, domme en platte typering van mijn publiek. Ik maak miniatuurtjes, die laat ik los. En daar wordt fantastisch op gereageerd. Elke toeschouwer vindt er de ruimte in om er zijn eigen beelden bij te verzinnen. Als je vriendin gisteren van het dak is gesprongen, kun je troost vinden in een nummer. Maar datzelfde nummer zou je ook zelf op het idee kunnen brengen om van het dak te springen.»

Het publiek van Van Veen varieert van kritische jonge Ossi’s in de voormalige DDR, waar hij rond de val van de Muur op handen werd gedragen, tot New Yorkse Broadway-gangers en Brel-liefhebbers in het Parijse Olympiatheater. Hij speelt wel degelijk op die verschillen in, met repertoirekeuze en toespelingen.

Van Veen: «Maar wanneer ik speel, kijk ik de zaal niet in. Nou, een enkele keer, uit nieuwsgierigheid. Ik doe nu een nummer waarin ik met mijn hand bezig ben. Dan kijk ik wel eens een fractie onder het licht door. Ik hoop dat de mensen naar hun eigen hand gaan kijken. Al was het maar om te denken: ik moet mijn nagels knippen.

Ik heb in Amerika straatconcerten gegeven. Dan kwamen er Europeanen langs die zeiden: ‹Wat doe jij in vredesnaam op straat?› Maar dat is mijn vak! Ik wil muziek maken. Voor wie dan ook. Al zitten enkel de impresario, de verkering van de kassajuffrouw, een recensent en de technici in de zaal, zoals de eerste avond in Chicago gebeurde.»

Opeens weet Van Veen hoe hij zijn drijfveren nog beter kan illustreren. Met Schubert, van wie hij ooit een liederencyclus zong: «Schubert was privé behoorlijk wanhopig, maar hij was gelukkig in zijn vak, want hij wist voor wie hij componeerde. Hij schreef voor de natuur. Toegegeven, dat is een ontzettend romantische opvatting van het vak. Schubert die verklankte wat hij bij de beek hoorde en dat teruggaf aan die beek. Hij schreef voor die beek, niet voor de mensen. Het publiek interesseerde hem geen fuck. Daar heb ik iets mee, dat vind ik mooi.»

Van Veen leunt even achteruit. Hij wil niet de indruk wekken dat hij zich gaat zitten verdedigen, zegt hij. «Ik raakte erg van slag van die opmerking over huisvrouwen. Gaan er mensen even voor die huisvrouw zitten bepalen of ze al dan niet klaarkomt.»

Ook iets anders moet maar eens worden ontzenuwd: het vooroordeel dat hij zijn voorstelling benut om misstanden in de wereld aan de kaak te stellen. Daarbuiten mag hij voor Unicef en Kosovo in de weer zijn, maar in zijn voorstelling stipt hij het onheil slechts aan. Voordat zich een zelfgenoegzaam schuldgevoel van de zaal meester weet te maken, geeft hij er een (zelf)spottende twist aan. «Vanavond, hè. Dan ben ik met dat water in de weer. Hoeveel mensen leggen nog een relatie met dat eerdere zinnetje waarin ik me een paus voorstel die condooms verkoopt?»

Van Veen sprankelde het wijwater in druppels sperma over de zaal uit. Maar het leek erop dat de meeste toeschouwers slechts lachten om die rare Herman die met een fles water in de weer was.

«Dat mag ook. Ik word pas boos als mensen kankeren omdat ze zeven druppels water op zich krijgen gespoten maar je ze niet hoort kankeren over de paus. Die man maakt met zijn condoomverbod net zo veel slachtoffers als een Europese oorlog. Men herkent het aidsvirus niet als vijand, omdat het geen pief-paf-poef zegt. In het cabaret zou je dat in een mooie oneliner hebben gestopt, maar ik wil me er niet met een woordgrap van afmaken.

Eén grapje viel vanavond wat uit de toon. Dat was het moment waarop Van Veen zei: «Beatrix is het zusje van…» Daar pauzeert hij. De hele zaal denkt: «Irene. Want daar had Herman iets moois mee.» Dan zegt hij: «Asterix».

Van Veen: «Ik héb iets moois met Irene. Ze is een van mijn allerbeste vriendinnen. Zo probeer ik haar even te eren.

Van Veen bekoort nu een ander publiek dan dertig jaar geleden. Daar zit hij niet mee. Waarom zou hij ook?

«Elke keer dat wij in Nederland optreden, zitten de zalen vol, de kranten schrijven erover en er wordt fantastisch op de voorstelling gereageerd. Het is toch logisch dat ik uit sommige zichtvelden verdwijn. Ik was vroeger gek van The Band, het orkest van Bob Dylan. Dat verdwijnt ook.

Enkele dagen later zegt Van Veen aan de telefoon dat hij zich toch begon af te vragen waarom bepaalde bevolkingsgroepen zijn afgehaakt.

«Een Utrechtse journalist van mijn leeftijd kwam even langs. Ik dacht, laat ik het nu eens omdraaien en die vraag aan hem stellen. Het was hem precies zo vergaan, antwoordde hij. Hij gaf me ook een verklaring: ‹Je hebt dertig jaar geleden een spetterend begin gemaakt en toen ben je uit het land verdwenen.› Ik heb je al verteld hoe de media vertekenen. En ik zit ook nooit in talkshows, hè. Niks voor mij, dat hanengedoe. Anderen hebben daarvoor geleerd. Ik ben een Einzelgänger.»