Francesca von Habsburg, Keizerin van de kunst

‘Ik ben het zelfbeklag te boven’

Met een boot vol kunst voer ze de Donau af. Ze is wellicht de grootste mecenas van haar tijd. Francesca von Habsburg heeft een missie. ‘Kunst helpt ons om mensen uit andere culturen te begrijpen. Allemaal willen we worden gerespecteerd en liefgehad.’

‘I AM SO SORRY!’ Drie kwartier te laat komt ze binnenrennen. 'Zóveel te doen. De hele middag vergaderingen over de volgende Venetiaanse Biënnale, over een nieuw kunstproject dat we komend jaar in India gaan starten. Je bent boos? Don’t lecture me! Jij hebt hier één ding te doen, ik tien. So sorry… Too much to do in one day.’
Istanbul. Op het plein tussen de magnifieke moskeeën aan de voet van de Galatabrug fotograferen Turkse vrouwen met hoofddoekjes elkaar in een twintig meter groot, zeventien ton zwaar kunstpaviljoen van zwart gemoffeld aluminium van de Britse avant-garde kunstenaar Matthew Ritchie dat ze heeft laten neerpoten op, zoals de burgemeester het poëtisch noemde, 'de eerste plaats waar de zon Europa aanraakt’.
Vanuit The Morning Line, het paviljoen dat volgens bijgaand billboard 'de interdisciplinaire interactie tussen kunst, architectuur, muziek, wiskunde, kosmologie en wetenschap’ wil exploreren, klinken losse, vervreemdende muziektonen. Met een handycam in de hand sluipt Francesca von Habsburg tijdens de première van een in haar opdracht vervaardigd muziekstuk tussen de staketsels. Ze stráált. Ze filmt het toegestroomde mondiale kunstpubliek en de eveneens toegestroomde volksvrouwen. 'Mensen worden er als door een magneet toe aangetrokken’, zegt ze. 'Dit is een van de drukste pleinen van de stad. 'Passanten stoppen en luisteren naar de abstracte muziek. Multitonaliteit is iets wat bedrieglijk vertrouwd is voor de mensen hier. Het werkt wonderwel.’

AL WORDT ZE op de vernissages van haar eigen kunststichting steevast aangekondigd als The Queen of Art, Francesca von Habsburg (52) vindt zichzelf meer een makelaar. 'Ik zie mezelf graag als producer. Als Empressario. Als aanjager van ideeën.’
Empressario; was Oostenrijk nog een monarchie, dan was Francesca keizerin. Door haar huwelijk in 1993 met erfprins Karl von Habsburg staat ze als Hare Keizerlijke en Koninklijke Hoogheid aartshertogin Francesca von Habsburg-Lothringen aan het hoofd van de dynastie die vijfhonderd jaar lang half Europa regeerde.
Niet gek voor iemand die als puber wegens opstandigheid van de kunstacademie werd gesmeten. Die in een achtergrondkoortje in het voorprogramma van punkband The Sex Pistols zong. Die in London samenwoonde met de androgyne, biseksuele, heroïne spuitende popster Steve Strange. Niet gek ook voor de berooide Habsburgers, die met de miljardairsdochter het dynastiek adagium maar weer eens onderstreepten: 'Tu, felix Austria, nube - anderen mogen oorlog voeren, gij, gelukkig Oostenrijk, huwt.’
Als dochter van baron Hans-Heinrich Thyssen-Bornemisza de Kázon et Impérfalva is ze erfgenaam van het Thyssen-concern, het mega staalbedrijf bekend van onder meer de liften. Als ook van een privé-museum met een weergaloze collectie oude en moderne meesters in het Zwitserse Lugano.

'IK BEN ERVAN OVERTUIGD: het is een geërfd gen. Of zo je wilt: een overerfde verslaving. Ik ben van een vierde generatie kunstverzamelaars. Mijn overgrootvader was innig bevriend met Rodin. De lange uren in diens atelier moeten voor hem een aangename afwisseling met zijn Duitse grootindustriële wereld zijn geweest. Min of meer door toeval werd hij de eerste grote collectioneur van eigentijdse kunst. Mijn grootvader hield meer van Hollandse meesters, die hij op mateloze schaal verzamelde en waarmee hij zich omringde. Het werden er meer en meer, tot er uiteindelijk niks meer bij kon en de Pinacotheek in Lugano werd opgericht. Mijn vader probeerde wat lijn te brengen in al de collecties en begon daarop moderne kunst te verzamelen, wat, kleurrijker en gebruiksvriendelijker als het was, mij veel meer aansprak. Ik kreeg mijn vorming door letterlijk tussen massa’s kunst op te groeien. En toch: ik zal zestien geweest zijn toen ik met mijn vader in het Whitney Museum in New York was voor een tentoonstelling van de negentiende-eeuwse schilder Coubert en ik, door de mensenmassa vooruit geperst, letterlijk de lift uitkukelde, regelrecht een grote minimalistische tentoonstelling in. De schellen vielen me van de ogen. Dit was totaal nieuw voor me! Al die abstractie! Die zuivere, die heldere sfeer! Onmogelijk om te vatten, op het eerste gezicht. En dan, de toelichting op de wandborden lezend, zag ik de humor in veel van deze werken en begreep ik dat de kunstenaars hun antwoord gaven op betweterige critici en wijsneuzige conservatoren. Het was de reactie tegen de intellectualisering van kunst, waaronder ik zelf een beetje leed, met mijn vader omringd door kunsthistorici, conservatoren en veel, veel handelaren, onaflatend hamerend op de importantie van dit of dat. Die eeuwige entourage die steeds maar wil bepalen wat mensen kopen en wat mensen mooi vinden. Die zichzelf een rol schept en zich onmisbaar tracht te maken; de wijze waarop de kunstwereld werkt tot op vandaag de dag.’
Intellectuele blablabla?
'Nou ja… niet altijd blablabla. Maar er zijn altijd maar lieden die tussen jou en kunst willen gaan zitten. Toen ik naar die minimalistische kunstenaars keek, was ik opgetogen over hun werkwijze, over de humor die ze hadden en de afstand die ze creëerden tussen henzelf en het kunstwereldje. Ik herinner me dat drie jaar later delen van diezelfde expositie naar Londen kwamen en ik van de kunstacademie werd gegooid waar ik toen studeerde omdat ik de conservator van The Tate beledigd had die een lezing gaf over de kunstenaar Carl Andre. Ik was woedend op ’m: om ieder werk hadden ze paaltjes met rode koorden gezet, je kent het wel. Het was ten strengste verboden om over de Carl Andre-vloertegels te lopen enzovoort enzovoort. De conservator van The Tate nam zichzelf uiterst serieus en sprak verheven woorden die haaks stonden op alles waarvoor de kunstenaar stond. Ik was in die tijd een onstuimige, moeilijke tiener. Een boze tiener ook. Zoals zovelen van ons op St. Martins Art College in die dagen. Klasgenoten als de modeontwerper John Galliano, de jongens van The Sex Pistols… We waren een generatie die erop uit was de regels te breken.
Ik besloot toneel te gaan spelen. In die tijd bestonden er veel vooroordelen tegenover kinderen van rijke ouders. Ze zouden niet angry genoeg zijn, ze zouden hun carrière als artiest niet serieus nemen. Because I am rich, people assume that I am spoiled. Ik stapte over naar de toneelschool en kreeg daar min of meer dezelfde ontvangst. Mijn ouders waren, om het mild te zeggen, niet wezenlijk geïnteresseerd dat ik welke studie dan ook af zou maken. Niet dat ik een slechte jeugd heb gehad… maar het is duidelijk dat iemand gelukkiger is als hij terug kan kijken op een kindertijd waarin er veel steun en aandacht voor je was. Voor ieder kind is het aller-moeilijkste om zelfvertrouwen op te bouwen, te weten dat je iets bij te dragen hebt, iets hebt te betekenen. Weet je, velen van ons zijn opgegroeid zonder enige verwachting, zonder enige bemoediging… Ik heb altijd het sterke verlangen gehad me uit te drukken en ik moest een taal zoeken waarin ik dat kon doen.’
Poor Little Rich Girl?
'Ik wentel me niet in zelfmedelijden. Ik ben het zelfbeklag te boven doordat ik kei- en keihard gewerkt heb. Vijftien jaar lang heb ik monumenten gerestaureerd; in de door oorlog geteisterde stad Dubrovnik, in China, in Marokko en ook hier in Turkije. Acht, negen jaar geleden ben ik doorgeschoven naar hedendaagse kunst. Ik heb een stempel gezet met de exposities die ik heb georganiseerd in The Met in New York, in Parijs, in Tokio. Gaandeweg heeft me dat gemaakt tot een persoon die iets kan. Die serieuze, grootschalige, intelligente projecten kan organiseren.’
DAT STEMPEL IS GEZET. Sinds de oprichting in 2002 maakt haar in een Weens stadspaleis gevestigde Thyssen-Bornemisza Art Contemporary (TBA21) furore met eigen projecten op Biënnale en Documenta en op locatie steeds verder wereldwijd. In 2006 voer ze in een met kunst gevulde boot de Donau op, van de Zwarte Zee tot Wenen en in ieder voormalig Oostblokland en route leverde een toonaangevend kunstenaar een door haar in commissie besteld kunstwerk af. Met grote vreugdevuren langs de rivier voer ze triomfantelijk Wenen binnen - voor een Habsburger geen onomstreden zet - de Weners daarbij fijntjes herinnerend aan de Turkse veldtocht over diezelfde route, vijfhonderd jaar eerder ternauwernood afgeslagen, maar ditmaal, zoals ze lachend verklaarde, 'een invasie zonder plunder en verkrachting’.
'Ik heb een stellige voorkeur voor kunst die sociaal betrokken is, die is geïnformeerd en soms een politieke boodschap draagt. Ik houd me sterk bezig met mensenrechten. Vaak voel ik me gefrustreerd omdat ik geen politicus ben. Ik weet niet zo overtuigend te praten over mensenrechten als sommige anderen dat kunnen, maar ik heb er de meest hevige gevoelens over. De boottocht over de Donau moest van grote symbolische betekenis zijn. Moest een sterke boodschap afgeven. Ik wil dat de mensen van Oost-Europa gerespecteerd worden. Brancusi kwam uit Roemenië, Warhol uit Slowakije. Het gaat over minderheden, over hun identiteit, over hoe minderheden zichzelf zien en op iedere aanlegplaats lieten we op video mensen over zichzelf vertellen; hun meest intieme verhalen. En plotseling waren deze van ons zo verschillende mensen helemaal niet vreemd of onwennig, want ze hebben dezelfde zorgen als wij, dezelfde problemen met hun kinderen, met seksualiteit, met lezen en schrijven, met je plaats vinden in de maatschappij… Iedereen wil vrienden hebben, wil een betekenisvolle relatie. Je beseft dan dat we allemaal mensen zijn. Je bent geneigd iemand met een hoofddoekje te zien en te denken: dat is een beetje gek. Kunst helpt ons om mensen uit totaal andere culturen te omarmen. Omdat uiteindelijk hun diepste wensen en verlangens dezelfde zijn als die van jou en mij. Allemaal willen we geaccepteerd worden, deel van iets zijn, worden gerespecteerd en liefgehad.’
Die Donau-tocht was jouw eigen idee, nietwaar? Waar ligt de grens tussen 'Artiest’ en 'Empressario’?
'Het is een compleet onzichtbare en flinterdunne lijn waar je erg voorzichtig moet zijn om er niet overheen te stappen. Ik ben een zeer creatief persoon en, zoals we eerder constateerden, er was me duidelijk te verstaan gegeven dat ik gezien mijn achtergrond niet uit het juiste hout gesneden was om ooit een betamelijk kunstenaar te worden. Maar kunst blijkt de enige manier waarop ik me kan uiten. Uiteindelijk heb ik alle positieve elementen, de erfenis, het geld, mijn positie en wat dies meer zij bij elkaar geharkt en aangewend om andermans werk te faciliteren. Dat vereist net zoveel creativiteit als zelf de kunstenaar zijn. Ik moest leren - wellicht de meest fundamentele les - waar de lijn te trekken tussen aanmoedigen en kunstenaars uitdagen buiten de gebaande paden te gaan en op hetzelfde moment je niet te bemoeien met het creatieve proces. Patronage is een totaal ander iets dan kunst maken. Ik weet waar ik sta. Ik heb een mateloze bewondering voor de kunstenaars met wie ik werk en ik hoop dat dat respect wederzijds is. Ik ben een architect van ideeën. Opdrachten, commissies geven, betekent voor mij: het vertrouwen van de kunstenaar winnen. Holding hands together, going for the big job. Samen bouw je aan een project maar ieder speelt zijn eigen rol. Een project als The Morning Line is een enorme onderneming. Met tientallen mensen van verschillende disciplines, met verschillende persoonlijkheden, werken we maandenlang samen. We hebben hier de uiterste grenzen opgezocht. Dat kan alleen als iedereen, inclusief ik, er op gelijkwaardige basis in zit. En uiteindelijk is de som meer dan de delen.
Moderne kunst heeft allang niet meer te maken met op zichzelf staande schilderijen, sculpturen en architectuur. Al die disciplines komen nu samen, zoals hier vandaag op dit plein in Istanbul. Dit paviljoen van Matthew Ritchie… ik wíst dat het er geweldig uit zou zien, en dat doet het, vind je niet?! Ik wist óók, arrogant als de kunstwereld is, dat critici hun neus zouden ophalen: “Hebben we zoiets niet al eerder gezien, daar en daar?” en als het aan hen lag zou dit paviljoen eindigen in een of andere beeldentuin in Nottingham of zo, zonder verder nog iets van een toekomst. Nu, op dit drukke plein, is deze sculptuur een sexy raamwerk voor experimentele muziek die op dit moment totaal niet in de mode is. Hoewel in Wenen en in Nederland nieuwe muziek en jonge componisten de wind in de zeilen krijgen. Maar meestal wordt contemporaine muziek op B-locaties en in achterafzaaltjes uitgevoerd, met weinig budget en weinig publiek. Doordat ons geluidssysteem zó innovatief is en van de allerhoogste kwaliteit, kunnen we de muziek in de openlucht laten weerklinken, zonder iemand te verplichten om in een bedompte zaal tweeënhalf uur op een stoel te blijven zitten, zonder zelfs maar de vrijheid te hebben om even op te staan voor een kop koffie. De muziek mengt wonderwel met de roep van de muezzin van de minaretten. We bereiken een totaal nieuw publiek.
Ik houd van contrasten. Ik háát compromissen. Kijk hier om je heen, hoe de mensen van Istanbul op hun gemak door de metaalsculptuur slenteren, zonder wellicht alles te begrijpen, dat doet er niet toe. Niet alles hoeft altijd uitgelegd te worden. Het is zoals met de tentoonstelling van de minimalisten in The Whitney: ik hád geen conservator nodig die naast me stond om me uit te leggen wat minimalistische kunst was; op de een of andere wijze sprak het tegen me, helemaal vanzelf. Echte kunst is simpel en gecompliceerd tegelijk.’

ZONDER BLIKKEN OF BLOZEN vergelijkt ze zichzelf met de Medici. Dat bedoelt ze niet als grootspraak, zegt ze. Het is meer zo dat mecenassen dingen kunnen doen die musea niet kunnen. 'De Medici brachten kunst en architectuur samen. Wat ik zo interessant vind in deze figuren is dat ze in de historie de rol hebben iets te durven, iets te doen wat volstrekt nieuw was.’
Het is jouw privilege geen compromissen te hoeven sluiten…
'Ik denk niet dat het een zaak van privilege is. Het is een zaak van gericht naar je doel toe werken. Een bewuste onderneming, niet iets wat zomaar uit de lucht komt vallen omdat je het geluk hebt rijk te zijn. Ik herinner me dat ik mijn vader eens vroeg wat, gegeven zijn positie, zijn grootste thrill was en hij zei: “Ik ben vrij. Ik ben volkomen vrij om te kiezen wat ik wil.” En inderdaad heb ik datzelfde voorrecht.
Kunst verzamelen is een statussymbool bij uitstek. Een paar jaar lang verzamelde ik kunst - en zag dat ik eigenlijk dezelfde soort kunst verzamelde als alle andere kunstverzamelaars. Rond 2005 tijdens de kunstboom sprongen veel mensen op de rijdende trein en kochten en kochten. Op dat moment nam ik een jaar vrij en sprong er radicaal uit. Ik bevond me ineens in een fascinerend vacuüm en de meest interessante kunstenaars die op de trein waren meegereden, sprongen eruit, duizelend, beduusd en zonder heldere blik op wat ze nou verder wilden doen in hun leven. En werden aangetrokken door een stichting die zowaar niet liep te showen. En die dat interessante vacuüm voor zichzelf vrijhield in een omgeving die niet besmet was door de dolle hysterie van kunst en geld.
Van het aankopen van kunst verlegden we de koers naar het geven van commissies, dat was de cruciale stap. Ik probeer me zoveel mogelijk beschikbaar te stellen, spendeer veel tijd aan ieder project. Ik heb geen haast. Musea moeten iedere maand een nieuwe tentoonstelling produceren; ik heb de mogelijkheid om ruimte om me heen te creëren, zodat ik lang genoeg kan nadenken en de tijd kan nemen te beslissen wat de volgende serie projecten zal zijn. Ik ben een behoorlijk genereus persoon; probeer iedereen zoveel als kan ter wille te zijn. Daarom ben ik dus ook vaak te laat - die uitleg was ik je schuldig.’
Er begint beneden op het plein een nieuw muziekstuk, waar je nu vast naartoe moet. You’re dismissed.
'Het is me toegestaan om weg te gaan? Dankjewel. Neem je glas wijn mee, let’s go down!’

www. tba21.org