‘Ik bén hysterisch’

ARUNDHATI ROY
LISTENING TO THE GRASSHOPPERS: FIELD NOTES ON DEMOCRACY
Penguin, 256 blz., € 24,05

Begin dit jaar interviewde een journalist van The Sunday Times een van de belangrijkste economische adviseurs van de Indiase regering, die pochte dat zijn land binnenkort een ‘supermacht’ zou zijn. Toen de verslaggever erop wees dat van de één miljard Indiërs er ruim zeshonderd miljoen ver onder het bestaansminimum leven, antwoordde de econoom giftig: ‘U heeft zeker naar Arundhati Roy geluisterd!’
Hoewel het natuurlijk absurd is te veronderstellen dat een gerenommeerd journalist zich door één bepaald iemand moet laten vertellen dat het in India niet allemaal rozengeur en maneschijn is, geeft deze uitbarsting wel aan dat het Indiase establishment nogal in zijn maag zit met de schrijfster die in 1997 de Booker Prize won voor haar debuut The God of Small Things. Arundhati Roy (1961) is echter niet een romanschrijfster die haar maatschappelijke engagement ‘erbij’ doet. Sinds haar bekroonde bestseller – die in 38 talen is vertaald, maar niet in een van de talen die op het Indiase subcontinent worden gesproken – heeft ze immers geen roman meer geschreven.
Toen eind jaren zestig Harry Mulisch gevraagd werd waarom hij al jaren geen roman meer had gepubliceerd, antwoordde hij dat je in tijden van oorlog geen roman kon schrijven. Met die oorlog bedoelde hij uiteraard de oorlog in Vietnam, waartegen hij evenals zoveel anderen in het Westen hartstochtelijk protesteerde. Hoewel het aantal oorlogen in de decennia hierna niet verminderde pakte Mulisch de draad weer snel op. Roy daarentegen concentreert zich nog steeds op het voeren van actie tegen de nucleaire bewapening, de gevolgen van de mondialisering en economische modernisering voor de armen, corruptie en machtsmisbruik, het extremistische hindoe-nationalisme en de marginalisering en vervolging van moslims en de zogenaamde outcasts. In tegenstelling tot de ver-van-mijn-bed-oorlog waar Mulisch zich tijdelijk druk over maakte, spelen de problemen en conflicten van India zich voor haar deur af.
Vandaar dat zij zich tegenwoordig grotendeels beperkt tot het schrijven van non-fictie. Ook haar nieuwste boek, Listening to the Grasshoppers, bestaat uit een verzameling essays en toespraken. En wie deze stukken leest kan zich voorstellen dat Roy niet de rust en de tijd vindt om opnieuw een fictief universum te creëren. Het India dat het economisch gezien de laatste jaren zo goed heeft gedaan, dat in hoog tempo moderniseert en dat zich graag afficheert als ‘de grootste democratie ter wereld’ kent ook een keerzijde. Een afzichtelijke keerzijde, waarover Roy op schrille toon schrijft.
Zo komt ze keer op keer terug op het bloedbad in de deelstaat Goejarat, waar in 2002 tweeduizend moslims werden afgeslacht en honderdvijftigduizend van huis en haard werden verdreven. Het angstwekkende aan deze gruweldaad was volgens Roy niet zozeer dat dit een extreem heftige uitbarsting was van de spanningen tussen moslims en hindoes, maar dat hij zich voltrok met instemming en onder supervisie van de hindoe-nationalistische Bharatiya Janata-partij (BJP), die in de deelstaat aan de macht was. Diezelfde partij – die bij monde van verschillende leiders en ideologen meermalen heeft aangegeven dat de honderdvijftig miljoen Indiase moslims eigenlijk dienen te verdwijnen en stelt dat Hitler goed begrepen had dat ‘ras’ een serieus ‘probleem’ is – maakte van 1998 tot 2004 deel uit van de landelijke regering, die toen onmiddellijk begon met het opvoeren van de nucleaire bewapening en het uitvoeren van kernproeven.
Ook heeft Roy zich de afgelopen jaren fel uitgesproken tegen het onderdrukken van het autonomiestreven in de deelstaat Kasjmir, waarbij zeventigduizend mensen zijn omgekomen; de commerciële en politieke belangenverstrengeling binnen het Indiase hooggerechtshof; de wijze waarop de antiterrorismewetgeving wordt gebruikt om de armen en alle potentiële tegenstanders van de regering het zwijgen op te leggen; en de verwoesting van het milieu en de verdrijving van boeren van hun land door grote ondernemingen en corrupte politici, die op grote schaal stemmen kopen van de straatarme bevolking.
Hoewel Roy af en toe neigt naar enigszins inflatoir gebruik van begrippen als fascisme en genocide is de gedrevenheid en eloquentie waarmee ze machthebbers, ondernemers en haatzaaiende politici aanklaagt indrukwekkend. Nadat hindoe-extremisten een moskee hadden verwoest omdat zich daaronder de overblijfselen van een hindoetempel zouden bevinden, schreef Roy: ‘Maar zelfs als het waar zou zijn dat er zich onder elke moskee in India een hindoetempel bevindt, wat zou er dan onder die tempel zitten? Misschien een andere hindoetempel die gewijd is aan een andere god. Misschien een boeddhistische stoepa. Waarschijnlijker nog een Adivasi-heiligdom. De geschiedenis begon niet met het Savarna-hindoeïsme, of wel soms? How deep shall we dig?’
Volgens Roy staat India op een tweesprong en is de kans levensgroot dat het land afstevent op een burgeroorlog, waarin de etnische, religieuze en klassentegenstellingen op verwoestende wijze tot uitbarsting zullen komen. Volgens sommige critici, die toegeven dat een BJP-politicus als Narendra Modi weliswaar een massamoordenaar is, maar ook een bekwaam politicus, is Roy iemand die mateloos overdrijft. En omdat zij een vrouw is valt dan al snel de term ‘hysterica’. Hierop antwoordde ze onlangs in een interview: ‘Ik bén hysterisch. I’m screaming from the bloody rooftops.’ Volgens Roy verwijten haar critici haar dat ze de buren wakker maakt: ‘Maar ik wíl de buren wakker maken, daar gaat het mij alleen maar om. Ik wil dat iedereen zijn ogen opent.’