Opheffer

Ik ben in staat van besef

Mijn vader zei altijd: «Wij zijn in staat van besef.» Die zin kwam altijd naar voren als we spraken over humanisme, want wij beleden het humanisme als een soort geloof, wat ernstig tegen de regels was.

«De mens is in staat van besef.»

Mijn vader is dood, dus ik kan hem niet meer vragen wat wij dan beseffen. Vermoedelijk was zijn redenering zo — en als ik nu redeneer, doe ik dat terwijl ik mijn vader hoor spreken: «In tegenstelling tot het dier kan — nee, MOET — de mens zich REKENSCHAP geven van zijn daden. Wat hij doet, komt voor een groot gedeelte voort UIT EIGEN KEUZE. De mens is dus ZELF VERANTWOORDELIJK. Hij KIEST wat doet. Dat maakt de mens tot een wezen dat zich BEWUST IS VAN ZIJN HANDELEN; de mens is SUBJECT en OBJECT tegelijk. En daarom is hij IN STAAT VAN BESEF!»

Ik begreep het toen — ik heb er nu heimwee naar. Het moet iets moois zijn dat wij in staat van besef zijn. Bewust van ons eigen handelen.

Alleen, ik ben me nergens meer bewust van.

«Pap, ik KAN geen KEUZES meer maken. Het LUKT ME GEWOON NIET!!»

Het is me al eens eerder opgevallen: elke vorm van levensbeschouwing lukt altijd het best als je gezond bent — maar de paradox is dat je er pas gebruik van maakt of haar wisselt als je je ziek voelt of ziek bent.

Ik voel me ziek; ik kan niet slapen en ik kan m'n bed niet uitkomen. Dat duurt nou al een jaar. Sommige dingen heb ik op de rails (ik bedenk mijn metaforen altijd uiterst nauwkeurig, maar ik voel me tot dit clichébeeld erg aangetrokken, ik weet niet waarom), de meeste dingen niet.

Overal is troep, dat is het ergste.

Het treurige is dat dat MIJN STAAT VAN BESEF is.

Onlangs kwam mijn dochter terug van vakantie met een cadeautje voor mij. Het was een goedkope sleutelhanger — ik vond hem waanzinnig mooi en leuk. Ik redeneerde — zeer onhumanistisch — zo: vanaf nu gaat alles beter, want deze sleutelhanger, gekregen van het wezen waar ik het meest van hou, geeft mij kracht; vanaf nu is het altijd mooi weer en schijnt de zon in mijn hart, alles ver an dert en zal zich ten goede keren. De sleutelring werd mijn gelukspootje.

Toen stierf een goede vriendin. Toen stierf de vrouw van een kennis, toen stierf een kennis en vervolgens was ik weer in staat van somber besef.

Die sleutelring is gewoon mooi en het is lief van mijn dochter dat ze hem aan mij heeft gegeven.

Waarom is mij het wonder van het geloof niet gegeven? Hoe zou ik niet opknappen van een fijn gebed.

«Heer — alles gaat op het ogenblik kut. En nu heb ik het ook nog benauwd. Kunt U mij helpen?»

En dat het dan ook nog gebeurt.

Nu moet u niet denken dat ik mijn dagen niet biddend doorbreng. Als ik weer eens niet uit mijn bed kan komen, denk ik regelmatig na tot welke god ik mij zal wenden. Want al mijn gebid tot de Heer levert tot nu toe niets op, dus moet ik mij wenden tot andere goden. «Lieve Maria… graag een leuke jonge vrouw met wie ik kan neuken en praten — in die volgorde; ik wil haar graag verzorgen, als ze mij ook maar verzorgt.»

Het heeft allemaal geen zin. En dus val ik maar terug op mijn vaders geloof en ben ik in staat van besef.

«Neem ZELF je VERANTWOORDELIJKHEID, jongen. Want ten slotte is de mens VERANTWOORDELIJK VOOR ZIJN EIGEN DADEN.»

«Maar pap, ben ik ook verantwoordelijk voor mijn eigen depressie?» Dan komt mijn ex voor mijn geestes oog en zegt: «Wat dacht je zelf?» En dan knik ik — en besluit me om te draaien.