Ik ben jong, en de jeugd is niet talrijk hier

Hoewel Colin Barrett en Kevin Barry beiden typisch Ierse auteurs zijn, beschrijven ze een ander Ierland. Het Ierland van de achterblijvers, en het Ierland van de vertrekkers.

Medium opening

Ieder jaar ben ik in de zomer enkele weken in Ierland. Ik koop dan in de boekhandel nieuwe, Ierse literatuur: Colum McCann, Colum Toíbín, Anne Enright, John Banville, Sebastian Barry. Deze maand verschijnen in Nederlandse vertaling twee verhalenbundels van Ierse auteurs die ik het afgelopen jaar leerde kennen. De eerste is Donker ligt het eiland, een verzameling verhalen van Kevin Barry (49) die twee jaar geleden met zijn roman City of Bohane de IMPAC Dublin Literary Award won, de grote internationale literaire prijs die een paar jaar ervoor werd gewonnen door onze eigen Gerbrand Bakker. De vertaalde verhalenbundel bevat verhalen uit zijn debuutbundel There are Little Kingdoms (2007) en zijn meest recente bundel Dark Lies the Island (2012). De tweede verhalenbundel is van Guardian First Book Award-winnaar Colin Barrett (32), Jonge gasten, de vertaling van zijn veelgeprezen debuut Young Skins (2014). Beide heren publiceerden reeds in The New Yorker, Barrett onlangs nog, met het fenomenale, helaas niet in deze bundel opgenomen Diamonds (wel op de site van dat tijdschrift te lezen). Barry is dus de relatief grote naam van bijna vijftig; Barrett het jonge talent van begin dertig, en dat zijn niet de enige tegenstellingen. Maar eerst de belangrijkste gemene deler: beide bundels zijn meesterlijk.

Dan, de verschillen: het grootste verschil tussen de twee auteurs zit ’m uiteraard in hun stijl, de stem van hun vertellers. Bij de omstandige Barrett heb je als lezer meestal een pagina om in het verhaal te komen, het is alsof je naar een Ier luistert in een kroeg in Galway, en even aan de toonsoort van zijn taal moet wennen; bij Barry begrijp je de taal meteen, hij spreekt helder, zoals Kenneth Branagh (ja, ook een Ier) in zijn Shakespeare-verfilmingen, of Liam Neeson in zijn recente actiefilms (nu moet iedereen begrijpen wat ik bedoel).

De criticus Cyril Connolly (nog een Ier) maakte in zijn veelgeprezen essayboek Enemies of Promise (1938) een onderscheid tussen vernacular schrijven (denk aan Ernest Hemingway) en Mandarin (denk aan Vladimir Nabokov): ‘We hebben gezien dat er twee stijlen zijn, waarvan het handig is om de ene te omschrijven als realistisch, of volks, de stijl van rebellen, van journalisten, van verslaafden-van-het-gezond-verstand, de onromantische waarnemers van het menselijk lot – en het Mandarijn, de kunstmatige stijl van de geletterden of van gezagsdragers die in hun vrije tijd literatuur schrijven.’

Bij deze twee auteurs bestaat deze tegenstelling ook – hoewel deze genuanceerder is, en plaatsvindt ín het idioom van de Ierse verslaafde-van-het-gezond-verstand. Beide auteurs zijn waarnemers van het menselijk lot, maar Barry’s stijl is simpel – waarbij ik niet zal beweren dat simpel schrijven eenvoudig werk is –, Barretts stijl is grilliger, overladen, geletterd, een constructie. Zo luiden de eerste zinnen van het openingsverhaal van Jonge gasten, Het jong van Clancy, in vertaling van Joris Vermeulen (die ook John Jeremiah Sullivan al uitstekend vertaalde): ‘Daar waar ik woon ben je nooit geweest, maar je kent het genre wel: Rijksweg af, rotonde op, een industrieterrein, een Cineplex met vijf zalen, een vracht pubs die op de twee vierkante kilometer gemeentegrond zijn geperst. Dichtbij ligt de Atlantische oceaan; dichtbij ligt de aangevreten kustlijn met zijn hoge rotsen waar het wemelt van de meeuwen. Op zomeravonden richten de runderen, eeuwig zen, in de rijk bemeste weides van de omringende dorpen hun kop op wanneer de jongens met het gejank van een V8 over de landweggetjes scheuren. Ik ben jong, en de jeugd is niet talrijk hier, maar je kunt wel zeggen dat we onze gang kunnen gaan.’

Dan Barry, in See the Tree, How Big It’s Grown (de titel van het verhaal, een zinsnede uit een oud liedje, is door Updike-vertaler Auke Leistra niet vertaald): ‘Hij draaide zich naar het raam van de snelbus om zijn spiegelbeeld te bekijken en een of andere rare snuiter draaide zich naar hem toe en keek terug. Hij leek een man van een jaar of vijftig te zijn. Hij keek achter zich en daar had het wel iets van South Tipp, sappig en vochtig, met in het oosten flinke heuvels die wel de Comeraghs zouden zijn.’

Hoewel beide auteurs typisch Ierse auteurs zijn, beschrijven ze een ander Ierland. Barrett schrijft uitsluitend over het Ierland van de achterblijvers – zijn verhalen spelen zich bijna allemaal af in het fictieve stadje Glanbeigh (dat hierboven werd beschreven), aan de westkust van Ierland, en zijn bevolkt met tieners en jongvolwassenen die vastzitten. Barry volgt zijn arme landgenoten door Europa, naar Londen en Berlijn, en door de tijd, sommige van zijn verhalen spelen ook in een verder verleden. Barrett openbaart met omtrekkende bewegingen hoe zijn personages letterlijk en figuurlijk vastzitten. Barry volgt juist heel direct de bewegingen van zijn – vluchtende – personages.

In het beste verhaal van Barretts verzameling, Aas, mijmert de verteller over zijn neef, Matteen, de beste poolspeler van het dorp, die verdrietig is over zijn ex-vriendin Sarah. Aan het begin van het verhaal rijdt de verteller met zijn neef rond over het verlaten ovale plantsoen van de wijk Grove Park, ‘wachten tot we zouden zien wat we te zien kregen’. De twee vinden Sarah en een vriendin, Jenny, en ze gaan poolen, en daarna neemt het verhaal voor de verteller een grimmige afslag. Dat is dan een overeenkomst tussen de bundels: in alle verhalen staat er voor de vertellers of de andere hoofdpersonen niets minder op het spel dan hun leven: in Aas eindigt de verteller naakt op de grond van het bos en wordt hij mishandeld – wie weet met welke gruwel als gevolg.

Nergens sloeg de crisis zo hard toe. De afweer­mechanismen zijn verdoving, laconieke of sardonische humor, en geweld

Barrett heeft in een interview gezegd dat hij in een dergelijk stadje opgroeide als hij in Jonge gasten beschrijft, maar ook dat hij meende de mensen daar niet te kennen. Hij begon met schrijven om de ander beter te begrijpen, ook in zijn ‘onkenbaarheid’, om hem vast proberen te leggen op papier.

Libris Literatuurprijswinnaar Yves Petry stelde onlangs nog in een interview dat de opdracht van literatuur voor hem is dat de schrijver moet wijzen op de domme dingen die wij doen, op de chaos die het leven is, en het feit dat er geen verklaringen zijn. Barretts bundel toont de domme dingen die onder de jeugd in Ierland gebeuren, de chaos die hun leven is, maar wijst tegelijkertijd ook – heel impliciet – op het waarom. Wellicht heeft hij een wat minder tragische visie op het leven dan zijn Belgische collega. Een groot deel van de verklaring van Barrett bevindt zich overigens in de verdwenen welvaart in Ierland, of, anders gezegd, in de verdwenen belofte van welvaart. Zijn verhalen bieden hetzelfde uitzicht als zijn personages hebben: ‘“Geld”, zei ze weer. “Ja, geld”, zei Arm.’

Aan het begin van de 21ste eeuw was Ierland nog The Celtic Tiger: techmultinationals als Google, Sun en Microsoft vestigden er hun Europese hoofdkantoren vanwege het gunstige belastingklimaat, de Engelse taal en de relatief hoogopgeleide bevolking. Op het hoogtepunt van die economische bubbel werd een van de duurste stukken vastgoed van Europa in Ierland verhandeld. In 2006 was Grafton Street – de Kalverstraat van Dublin – de op vijf na duurste winkelstraat van de wereld.

Ook voor toeristen was de welvaart zichtbaar; overal stonden nieuwe auto’s op oprijpaden, overal werden nieuwe huizen gebouwd (in 2010 waren er op het eiland driehonderdduizend lege woningen te vinden, verspreid over zeshonderd zogenaamde ghost estates), uit heel Europa trokken werknemers naar Ierland – wat een schril contrast met de constante Ierse exodus van de twintigste eeuw. De welvaart was niet alleen zichtbaar, hij was ook tastbaar. In 2007 liftte ik in West-Ierland na een verkeerd gelopen wandelroute (natte schoenen en sokken tot gevolg) eens mee met een Ierse man van midden veertig. Hij reed een gloednieuwe bmw 5-serie, met de dubbelaar van The Police (die waren net op reünie-tournee om overal ter wereld gratis miljoenen op te halen bij hun rijk geworden punkfans) in de cd-wisselaar, en had een Ray-Ban op: ‘It must have been ten, twelve years ago, since I last picked up someone on this road’, zei hij.

Afgelopen zomer reed ik weer door Ierland, van oost naar west en terug; er stonden weer mensen langs de weg te liften. Die lifters, zwervers en dronkaards bevolken de verhalen van Kevin Barry. Zijn boek beschrijft in veertien verhalen – de dertien uit de originele Ierse uitgave en een vertaling van een New Yorker-_verhaal, _Leven en dood in de Ox Mountains – dagen uit de levens van alcoholisten, krakers, pillenverslaafden, dieven, dealers, bommenleggers en jonge meisjes die zichzelf verminken. Alle personages, zelfs als ze de dochters zijn van gegoede architecten, zoals laatstgenoemde, in het titelverhaal, zíjn of voelen zich gemarginaliseerd. In sommige verhalen wonen de hoofdpersonen zelfs in het bos.

Allemaal liggen ze ook aan het infuus, om de dag door te komen: een infuus van peuken, crystal meth, pillen, koffie, wijn of bier: in Biertripje naar Llandudno geven de hoofdpersonen op een hete dag zelfs cijfers aan het bier dat ze drinken, om het zwarte gat van de nacht voor hen – en ín hen – te vullen: er zijn mensen die hen zuiplappen noemen, stelt de verteller, maar dat zijn ze niet: ze zijn hobbyisten.

Welnu, nergens in Europa wordt er per hoofd van de bevolking meer gedronken dan in Ierland, nergens sloeg de crisis (nou ja, hoogstens in Spanje dan) zo hard toe. De afweermechanismen zijn verdoving, laconieke of sardonische humor, en geweld. Barry’s verhalen zijn grimmig, maar ook geestig. Een enkel verhaal is heel donker, zoals Ernestine en Kit – ‘Met een likje lekker weer’, zei Ernestine, ‘is dit toch een machtig land’ – waarin twee oudere vrouwen heel jonge kinderen – ‘Dit is geen engel’, zegt er één – ontvoeren om ze ergens achter te laten om ze te laten sterven (de kraaien wachten ‘als de Gestapo’ tot het kind in slaap valt om het de ogen uit te pikken). Maar veel verhalen zijn heel geestig. Allemaal echter, om The Guardian te parafraseren, zijn ze in staat de lezer als een schep in zijn gezicht te kunnen slaan. Het op één na beste verhaal uit de bundel, Een wreedheid, doet precies dat, door een onvoorziene plotwending.

Barrett begon met schrijven om de ander beter te begrijpen, ook in zijn ‘onkenbaarheid’, om hem vast proberen te leggen

Korte verhalen moeten het zelden hebben van een ingewikkelde intrige, ze moeten personages opvoeren die overtuigen, een dag-uit-het-leven-van tonen, een mensbeeld openbaren, en dat doet Barry’s werk. In bijna elk verhaal overtuigt hij de lezer: wie aan het begin van een kort verhaal onsympathiek overkomt, iemand van wie we ons normaal gesproken zouden afwenden in de trein, of bij de Albert Heijn, is aan het einde een mens geworden, iemand met wie we contact hebben.

In het beste verhaal, De Killaryfjord, over een dichter met writer’s block die een kusthotel koopt, komt Barry’s visie het best naar voren: voor de mensen in zijn verhalen is het leven een strijd, en die strijd begint met de taal. De dichter wil achter een toog staan, naar de lokale bevolking luisteren, in de hoop dat hun moedertaal hem zal inspireren. Maar al snel krijgt de verteller genoeg van de dronken landslui aan zijn bar, die overdreven sentimenteel zijn over hun kleinburgerlijke levens en enkel zeuren over het weer. Het is Barry’s verdienste dat hij wel bereikt wat zijn beschreven dichter niet lukt: begrip tonen.

Aan het einde van het verhaal breekt de oceaan door, en op muziek van ‘oude bekenden’, Abba, Bryan Adams, The Pretenders, stijgt het water – het bereik van mobieltjes valt weg, en de verteller staat achter zijn toog in de feestzaal en tapt het ene na het andere biertje. Dan, ineens, als de dichter weer gaat kijken in het trapgat, begint het water weer te dalen. Hij slaat de Wit-Rus die daar staat op zijn rug, knipoogt en gaat terug. En de verteller voelt een ‘nieuwe, kalmer extase’ over zich neerdalen.

‘Seems I’m not alone at being alone’, zong Sting ooit, zo’n andere, oude bekende.


Op 17 februari zijn Kevin Barry en Colin Barrett te gast bij BorderKitchen in Den Haag, info@borderkitchen.nl

Medium barry

Kevin Barry, Donker ligt het eiland. Vertaald door Auke Leistra. De Bezige Bij, 240 blz., € 17,90

Medium barrett

Colin Barrett, Jonge gasten. Vertaald door Joris Vermeulen. De Bezige Bij, 190 blz., € 17,90


Beeld: (Kim Haughton / Polaris Images / HH)