Toneel

«Ik ben maar een gewone toneelspeler»

Toneel: Mephisto

Iedere keer als ik de kaft van mijn uit elkaar vallend exemplaar van Mephisto, roman van een carrière in mijn boekenkast zie, moet ik denken aan wat er door het hoofd speelde van de schrijver, Klaus Mann, toen hij dat boek schreef, in 1936, in de Johannes Verhulststraat, achter het Concertgebouw, in een kamer in het huis van Fritz Landshoff, vriend, uitgever. Zijn centrale personage heette weliswaar Henrik Höfgen, maar het wás onmiskenbaar – ook al heeft Mann dat later steeds ontkend – Gustav Gründgens, acteur, toneelleider, meeloper in het Duitse toneel tussen 1933 en 1945. Mann was verliefd op Gründgens, zag met lede ogen aan dat hij met zijn lievelingszus Erika trouwde, was woest toen Gründgens bleef doorwerken onder het nazi-regime. Het boek Mephisto is een bittere afrekening van een schrijver die afscheid nam van wat de grote liefde van zijn leven had kunnen worden. Het boek is ook zijn persoonlijke tragedie geweest: tijdens zijn leven is het nooit in Duitsland verschenen, ook niet ná de Hitler-tijd. Want de «foute» Gründgens beleefde kort na de bevrijding van Duitsland op het toneel opnieuw de triomfen die Klaus Mann in het post-nazi-Duitsland nooit zijn vergund.

Die gevoelens van immense tristesse rond de gedesillusioneerde Mann en de getormenteerde Gründgens/Höfgen zwerven als dwaalgeesten door de overrompelende voorstelling die Paul Binnerts (bewerking/regie) van Mephisto maakte voor Impresariaat Hummelinck Stuurman. Klaus Mann is hier de licht ironische verteller. De «foute» toneelspeler is de flamboyante ster in het sprookje dat hijzelf bij elkaar liegt en fantaseert, tegen iedere denkbare tegenwind in – hij heeft immers altijd een antwoord op de klemmende vragen die hem worden gesteld. Uiteindelijk is zijn ultieme verdediging: «Ik ben maar een gewone toneelspeler.» Tussen de twee mannen in staat de machthebber, de generaal (het was in de werkelijkheid Gründgens’ voornaamste protégé Hermann Goering), die innemend en joviaal kan zijn, en ook scherp en gevaarlijk in de grenzen die de in zijn ogen naïeve kunstenaar niet mag overschrijden. Om dat trio heen opereren voornamelijk toneelmakers, die allemaal onder druk worden gezet, die allemaal keuzes moeten maken, in tijden waarin de slappe knieën en rechte ruggen op hun slapte en kracht worden getest.

Het speelvlak heeft in het begin iets van wat de Duitsers Gemütlichkeit noemen, een bedrieglijke gezelligheid. Daarna volgt de kaalslag van de Grote Koude, het toneel als open ruimte, waarin de keuzes zich bijna nuchter opstapelen: verbanning, gekozen of geënsceneerde zelfmoord, pijnlijk démasqué van meelopers – die ook alle kans krijgen hún kant van hún keuzes uit te leggen. Het is een gereconstrueerde, een vertelde, een gedemonstreerde versie van een ingewikkelde werkelijkheid, van een tijd waarin iedereen onder grote druk stond, een tijd waarin hardop denken schaars werd. De toeschouwer wordt in deze voorstelling nooit buitengesloten, de toneelspeler – die geen invoelingstrucs hanteert – laat niets te raden en daardoor voor het publiek alles zelf in te vullen, erbij te denken, over.

Ik merk opeens dat ik nog geen naam van toneelspelers heb genoemd. En ik laat dat zo. De kracht van Binnerts’ verteltheater is het formeren van een ensemble dat zijn esthetiek, zijn aanwezigheid ontleent aan een gezamenlijke liefde voor het verhaal dat nú verteld moet worden. Dat verhaal speelt zich af in een verleden, dat – rond herdenkingsdatums – voortdurend wordt opgerakeld. Nu, in Mephisto, wordt het opgerakeld vanwege dat ene dwingende thema: tijden van chaos zetten individuen op scherp. Wat dóen we? En: waarom? En wie volgen ons, als we eenmaal gekozen hebben? Het zijn vragen uit een beroemd gedicht van Bertolt Brecht, De twijfelende (Der Zweifler). Paul Binnerts stelt ze snoeihard. En dat levert – mag ik het onze Martin van Amerongen nog een keer nazeggen – een hersenknersende voorstelling op.

Mephisto, door Paul Binnerts/Hummelinck Stuurman; tournee tot en met eind mei. www.hummelinckstuurman.nl